Eenheid

Collega Herman Selderhuis hield een lezing over de ‘crisis’ in de CGK, waarin hij pleitte voor het gebruik van de ‘pauzeknop’. Hij waarschuwt voor het nemen van besluiten waardoor de Christelijke Gereformeerde Kerken het point of no return voorbijgaan en een breuk onafwendbaar wordt. Een van de aanleidingen voor zijn hartekreet is het besluit van de samenwerkingsgemeente van Nieuwegein om de ambten voor vrouwen open te stellen en besluitvorming op de generale synode niet af te wachten. Ik neem aan dat hij met de ‘pauzeknop’ op dit soort besluiten doelde. Het gaat om het bewaren van de eenheid, want we willen elkaar niet kwijt. (Overigens is het goed om niet alleen af te gaan op krantenverslagen, maar ook de tekst van Selderhuis zelf te lezen, om misverstand te voorkomen).

Intussen is de discussie ontbrand, of nog verder opgelaaid. Over vrouwelijke ambtsdragers, over culturele verschillen, over het kerkbegrip, over de relatie plaatselijk en landelijk in een gereformeerd kerkverband. Zie de stevige bijdragen van collega’s Peter van Dolderen en Bert Loonstra bijvoorbeeld, beiden in drie afleveringen. Beiden nemen ze fair en beargumenteerd een positie in, tegengesteld aan wat Selderhuis zei.

Polarisatie

Ik zie hier een dynamiek die ik herken van het werk van Bart Brandsma, van de website Polarisatie.nl. Hij stelt dat om polarisatie te verminderen er vooral goede gesprekken in het midden gevoerd moeten worden. Zolang partijen positie kiezen en elkaar bestrijden, neemt de polarisatie toe. Wie in het midden staat, voelt zich haast gedwongen om partij te kiezen vóór het ene uiterste of voor het andere uiterste, waardoor de polarisatie toeneemt. Either you are with us, or you are with the terrorists, zei George W. Bush op 20 september 2001 – wie zo spreekt, polariseert. Polarisatie en polemiek hebben hun eigen dynamiek, en voor je het weet zijn de tegenstellingen aangescherpt. Dat lijkt me geen verstandige route naar de komende generale synode van de CGK.

Natuurlijk ben ik niet tegen stevige theologische discussie. Die moet er zijn, en ik wil daaraan ook graag een bijdrage leveren (het is mijn werk om dit soort discussies te voeren, immers). Maar volgens mij is de eerste stap die gezet moet worden, het werken aan begrip voor wat de ander beweegt. Ik zie namelijk momenteel in de kerk gebeuren wat je in de samenleving al een tijdje langer ziet: mensen leven in hun eigen bubbel en begrijpen de logica van de ander niet eens meer. Dan zijn de karikaturen niet ver weg (in de politiek: ‘fascisten’ of ‘de linkse kerk’) en escaleer je versneld naar een gepolariseerde situatie. Ik ben er diep van overtuigd dat bijvoorbeeld Bert Loonstra en Peter van Dolderen dat helemaal niet willen; ik wil het ook niet. Daar hebben we dus een gemeenschappelijke basis. Het lijkt mij van belang om vanuit die gemeenschappelijke basis te werken.

Begrip voor wat de ander beweegt dus. Daarbij gaat het niet allereerst om standpunten, maar om drijfveren, concerns. Waar gaat het je uiteindelijk om, wat drijft je? Ik wil in dit blog een poging wagen om bij te dragen aan een goede stemming, aan een voedingsbodem van begrip, zodat de positiekeus en besluitvorming op basis daarvan kan groeien en bloeien. Ik verwacht dat sommige mensen dit hopeloos naïef zullen vinden, want de posities zijn toch al ingenomen en mensen gaan heus niet naar elkaar luisteren omdat er iemand in Apeldoorn #doeslief zegt. Ik weiger dat cynische verhaal te geloven, juist in de kerk van Jezus Christus. We zijn immers aan elkaar gegeven.

Samenwerkingsgemeenten

Het lijkt mij belangrijk om de nood die samenwerkingsgemeenten ervaren, serieus te nemen. Het besluit van de CGK-synode om ambtsdragers die tot een ander kerkverband behoren, geen stemrecht te geven op de classis, werd ervaren als een gebrek aan vertrouwen. Temeer omdat de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt er veel royaler in zijn. Een ambtsdrager functioneert immers voluit in een kerkelijke gemeente, onafhankelijk van het kerkverband waartoe de mensen behoren die aan zijn zorgen zijn toevertrouwd. Waarom kan hij dan niet ‘gewoon’ afgevaardigd worden naar de classis? Er zijn kerken die nooit anders zijn geweest dan een samenwerkingsgemeente. Ooit werden ze opgericht met het vooruitzicht van kerkelijke eenheid. Die is er nooit gekomen. Die teleurstelling laat zich voelen.

Als ik me niet vergis, heeft vooral de afwijzing van de plannen om te komen tot een Gereformeerde Theologische Universiteit, een fusie van ‘onze’ opleiding in Apeldoorn met de TU Kampen, mensen teleurgesteld. Misschien nog wel meer dan het besluit rondom homoseksuele relaties. Het beeld kan ontstaan dat de generale synode wordt beheerst door behoudende krachten en dat er omwille van de eenheid van het kerkverband nooit iets kan veranderen. Inmiddels hebben, na de Nederlands Gereformeerde Kerken, ook de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt de ambten opengesteld voor vrouwen, en als je er zelf innerlijk van overtuigd bent dat dat een goede weg is, kan ik me voorstellen dat je niet vrolijk wordt van het vooruitzicht van een discussie op een synode, die je tevoren toch al kunt uittekenen. De synode van 2019 zal een commissie instellen, die in 2022 rapporteert, waarna er herzieningsverzoeken zullen komen die in 2025 zullen worden behandeld. Dat lijkt de snelste route…

Volgens mij zou er al veel gewonnen zijn als samenwerkingsgemeenten de nodige empathie ervaren van collega’s en broeders in andere kerkelijke gemeenten. Daarbij is de context van een gemeente in Nieuwegein ook totaal anders dan die van een van de CGK’s op Urk. Dat maakt verschil. Dat samenwerkingsgemeenten allereerst willen doen wat goed is voor hun plaatselijke gemeente in hun eigen context, lijkt me een helder belang. Bovendien is de situatie echt veranderd ten opzichte van 1998: als de CGK toen vrouwelijke ambtsdragers had toegestaan, was er een groot probleem geweest met de GKv, die daar indertijd faliekant op tegen waren. Inmiddels is de kerkelijke context compleet anders.

Kerkelijk denken

Aan de andere kant lijkt het me van belang om begrip te hebben voor de gedachte dat kerkelijke afspraken niet zomaar kunnen worden opgezegd. Na jarenlange studie hebben de kerken een standpunt ingenomen over de (on)mogelijkheid van vrouwelijke ambtsdragers (in 1998). Dan mag je toch van elkaar verwachten dat je je aan de gemaakte afspraken houdt, en dat je ten minste de kerkelijke weg bewandelt als je iets anders besloten zou willen zien? Niet om de handtekening van ambtsdragers onder het verbindingsformulier te gebruiken als was het een wurgcontract, maar juist met het oog op de goede broederlijke omgang. Het is nog niet zo lang geleden dat de GKv de ambten voor vrouwen openstelden, en de kerken als geheel hebben nog helemaal niet de kans gehad, zich erover uit te spreken. Het is een gezonde vorm van kerkelijk denken om niet alleen te denken in termen van wat je plaatselijk zou willen, maar om ook rekening te houden met anderen. Ook omdat je niet in je eentje alle wijsheid bezit; meer kerken weten meer dan één.

Intussen kan ik me ook voorstellen dat mensen huiverig zijn voor een nieuwe benadering van de Bijbel waarbij onze cultuur de doorslag gaat geven voor wat de Bijbel nog mag zeggen. Dat is natuurlijk een karikatuur, maar het onderliggende belang is de eerbied voor het Woord van God en het belang van gehoorzaamheid aan de levende God. Het is compleet legitiem dat mensen en kerken zich zorgen maken als ze anderen een weg zien inslaan waarvan ze overtuigd zijn dat die niet spoort met de gehoorzaamheid aan de levende God, die ons zijn Woord gegeven heeft. Dat kan niet eenvoudigweg als conservatisme worden afgedaan. Tegelijkertijd mag van wie zich op de Schrift beroept, verwacht worden dat hij ook openstaat voor een nieuw verstaan van de Schrift. Dat is óók een kwestie van Schriftgezag.

We zijn aan elkaar gegeven

Het lijkt mij van belang om voortdurend naar elkaar te blijven luisteren en niet terug te vallen op karikaturen van de ander. Het slechtste wat er kan gebeuren is dat wantrouwen richting een synode enerzijds gepaard gaat met beheersingsdrang uit wantrouwen tegen nieuwe geluiden anderzijds. Dat de een de ander beschuldigt van ongebreideld autonomiedenken en de ander de een van dom conservatisme. Zo wordt het natuurlijk niet uitgesproken, maar ik vrees dat het soms zo wel wordt gedacht.

Het is in dat licht fundamenteel dat we aan elkaar gegeven zijn. We zijn van Christus. Niet alleen willen we elkaar niet kwijt, we kunnen dus ook niet van elkaar af, omdat Christus ons aan elkaar verbindt. De principiële eenheid van de kerk is gebaseerd op de eenheid van Christus. Zo houden we het al vol sinds 1834 en 1892, met alle gebrekkigheid die daarbij hoort. Wie er anders over denkt, is dus geen tegenstander, maar een geliefde broeder in Christus.

Zou het misschien kunnen zijn dat we degene met wie we het meest van mening verschillen, het hardste nodig hebben? Dat verklaarde tegenstanders van vrouwelijke ambtsdragers het nodig hebben om te horen dat in onze tijd mensen het echt niet begrijpen als vrouwen niet voluit mee kunnen doen – en dat dat ook Bijbels is? Dat wie nu direct vrouwelijke ambtsdragers wil aanstellen, moet horen dat de Bijbel en de katholieke christelijke traditie rekenen met een principieel verschil tussen mannen en vrouwen, juist ten aanzien van de ambten? Het is niet gemakkelijk om dit soort gedachten toe te laten, met name niet wanneer we (mede onder invloed van onze ‘bubbel’) een bepaald standpunt vanzelfsprekend zijn gaan vinden, en het andere een beetje achterlijk, of ontrouw aan de Bijbel.

Zo’n openheid vinden werkt verootmoedigend, dat wil zeggen: vernederend. Niet langer is de ander het probleem, maar ik ben het zelf. Wij zijn het zelf. Wij zijn zondaren, die Christus nodig hebben en die elkaar nodig hebben. Enkel op die basis kan er een vruchtbaar gesprek plaatsvinden. Volgens mij is dit wat collega Selderhuis bedoelde. Iedereen ging af op die ‘pauzeknop’, maar in de tekst van lezing staat er direct na wat hij ermee bedoelt: ‘ga met elkaar in gebed en dan in gesprek.’ Dat is geen dooddoener om overheen te lezen, maar dat is de kern van de zaak.

Het gaat wel ergens over

Maar het gaat wél ergens over… Relativeer je niet te veel als je open in gesprek gaat? Staan het Schriftgezag en de gereformeerde belijdenis niet op het spel? Zeker is dat het geval, en juist daarom hebben we elkaar zo hard nodig – omdat iedereen kan dwalen. En belangen kunnen ook onzuiver zijn. Als het ons alleen zou gaan om een streven naar gelijkheid à la de liberale mainstream in ons land, is dat helemaal mis. En het doet er toe hoe we de Schrift lezen. Wat mij betreft is het allereerst nodig om gelovig met de Schrift om te gaan (ik ben zo vrij om te wijzen op mijn nieuwe boek waarin ik een poging doe om dat gelovig omgaan met de Bijbel onder woorden te brengen).

Intussen liggen er spannende vragen genoeg, ten aanzien van de de manier waarop we de Bijbel lezen, de leer aangaande de kerk, de ambtsleer, visie op het kerkverband in een veranderende cultuur. In dit blog ging het me echter in de eerste plaats om de grondhouding: de bereidheid om naar elkaar te luisteren omdat we aan elkaar gegeven zijn.

Feit en waarheid

Mijn column in De Waarheidsvriend van 14 maart.

Wat is waarheid? De vraag die Pilatus al stelde, blijft ons bezig houden. Ook in een tijdperk post truth (voorbij de waarheid), waarin de beeldvorming belangrijker is dan de waarheid. Er zijn wel fact checkers, die uitzoeken of de cijfers die een politicus gebruikte, wel kloppen en of zijn verhaal wel spoort met de werkelijkheid. Vlak voor de verkiezingen zijn er ‘feiten’ en checks te over. Toch helpt al dat checken van feiten niet echt. De politici die de zaak het meest verdraaien, komen er meestal toch mee weg.

Hoe komt dat? Volgens mij heeft dat te maken met een verschil tussen feiten en waarheid. Feiten op zichzelf zijn nog niet de waarheid. Mensen die feitencheckers van kranten niet geloven, omdat die ook hun belangen hebben, voelen dat misschien wel aan. Feiten vragen altijd om interpretatie, om schikking in een bepaalde orde, een zinvol verband. Feiten vragen om een verhaal dat je erbij vertelt, zoals elke verkoper, manager en dus ook elke politicus weet. Je kunt het niet over feiten hebben zonder interpretatie. Waarheid gaat intussen niet zozeer over de vraag of een enkel feit klopt, maar over het verband tussen de feiten, over het grote verhaal. Daarom kun je de waarheid ook liefhebben en er een vriend van zijn, zoals de lezers van dit blad weten.

In de moderne tijd spreken velen liever over feiten dan over waarheid, want waarheid kun je niet meten en over waarheid kun je geen overeenstemming bereiken, zegt men. Maar er is geen ontkomen aan: feiten zijn namelijk niet los verkrijgbaar. De waarheidsvraag moet op tafel komen.

Hoe nuttig de verheldering van de feiten ook is, de vraag naar de waarheid is er niet mee opgelost. Eigenlijk had Pilatus, met al zijn cynisme, dat wel scherp gezien. Wat hij niet zag, was de Waarheid in eigen persoon, Jezus Christus. Het ene feit van Jezus’ opstanding zet alle feiten in een nieuw licht en een nieuw verband. Sinds Hij opstond, is zelfs het feit van iemands dood niet meer het einde van alles. Gelukkig is dat de waarheid.

Vlees

Mijn column in De Waarheidsvriend vandaag.
Elk jaar organiseert de TUA colleges waarin één thema vanuit verschillende theologische vakgebieden wordt belicht. Dit jaar gingen de zogenaamde integratiecolleges over verantwoordelijkheid. Tijdens de afsluitende forumdiscussie cirkelden de vragen van studenten vooral rondom onze verantwoordelijkheid voor de planeet. Anders gezegd: moet je nu stoppen met vlees eten, of niet? 
Het was op zichzelf een mooi gesprek, en toch bleef ik met een dubbel gevoel achter. Ik begrijp wel dat studenten neigen naar praktische vragen, en natuurlijk zit deze discussie in de lucht, dus moeten we het erover hebben. Ons gedrag, met name in het Westen, put de planeet uit en verandert het klimaat. Het eten van vlees legt een groot beslag op het beschikbare water en leidt tot enorme uitstoot, dus minder vlees eten – of zelfs helemaal stoppen – helpt. Sommige studenten geven het goede voorbeeld door de vegetarische weg op te gaan. En toch. Gaan we er nu toch niet een nieuwe wet van maken?
Mijn onbehagen heeft niet alleen te maken met mijn voorliefde voor gebraden vlees, al zal dat vast ook een rol spelen. Het heeft te maken met de vrijheid in Christus. Paulus heeft zich ervoor ingespannen dat christenen uit de heidenen zich niet hoeven te houden aan de Joodse spijswetten. De vergadering van de apostelen heeft ook zo besloten, volgens Handelingen 15. Daarmee is het christelijk geloof de uitzondering in de religieuze wereld, want elke religie kent geboden, verboden en taboes rondom eten. Vooral het protestantisme heeft zich hiervan vrijgemaakt. De Zwitserse reformatie begon met het demonstratief eten van worst op de eerste zondag van de vastentijd in 1522, als uiting van christelijke vrijheid. Gaan we langzamerhand niet toe naar een nieuwe, seculiere set voedselwetten? Daarbij denk ik niet alleen aan vegetariërs (die hebben mijn sympathie, zeker op de TUA), maar aan de hele hype rondom gezond en verantwoord eten. Die hype krijgt af en toe religieuze trekken.
Hoe vinden we een goede weg tussen verwaarlozing van de planeet en onze gezondheid enerzijds en wettische voedselvoorschriften anderzijds? Ik zie mogelijkheden voor theologisch onderzoek naar de relevantie van oudtestamentische voedselwetten en nieuwtestamentische teksten voor vandaag.

Bevrijding

Mijn column in De Waarheidsvriend van vandaag.
Een van mijn voornemens voor het nieuwe jaar is: meer cd’s kopen. Waarom zou je het jezelf met goede voornemens moeilijk maken? 
Het mooiste dat ik afgelopen tijd hoorde was de cd “Liberation of the gothic” (Bevrijding van de gothiek) van het Antwerpse ensemble Graindelavoix. De artistiek leider, Björn Schmelzer, ziet in de architectuur van de Engelse gothiek een zelfde lijn als in het werk van de kerkmusici John Browne en Thomas Ashwell rond 1500. Met ‘bevrijding’ bedoelt Schmelzer dat de middeleeuwse muziek vol dynamiek, experiment en vrijheid zit en die moet er in nieuwe uitvoeringen uitkomen. Dus is Schmelzer niet zozeer geïnteresseerd in een uitvoering die historisch zo precies mogelijk is. Hij zoekt juist waar het schuurt tussen ons nu en de muziek van toen, een contactpunt dat tegelijk vervreemding oproept. Het resultaat is een polyfonie vol klankkleur, een voortdurende stroom met dissonanten en lijnen die elkaar kruisen en een dans met elkaar aan lijken te gaan. De muziek komt werkelijk tot leven. “Graindelavoix” betekent “Stemkorrels”. Juist waar het korrelig wordt en hyperpersoonlijk, daar wordt de muziek ook universeel. De persoonlijke ervaring is de toegang.
Ik zou een slechte muziekrecensent zijn, want mijn woorden schieten tekort en ik mis de expertise. Dat geeft ook niet. De muziek zette me in beweging, ook mijn denken. Als we eens nu zo met de Bijbel om zouden gaan, op zoek naar de ziel van een tekst? Historische details zijn bijvangst, niet het eigenlijke doel. Zoeken waar het schuurt, waar het niet meer glad is maar korrelig. We zouden er vast levendiger van gaan lezen en preken. Vanuit een persoonlijke ervaring die niet voor de Schrift gaat staan en zo de toegang verspert, maar die juist de Schrift openlegt. Want in de Schrift schuilt een lied en het komt er op aan dat ons leven een variatie wordt op het thema dat er in klinkt. Waar dat gebeurt, wordt er veel meer bevrijd dan alleen de gothiek.
 

Overbodig

Mijn column in De Waarheidsvriend van 20 december 2018.
Onlangs las ik eindelijk de boeken van de bejubelde Israëlische historicus Yuval Noah Harari. Harari werd bekend met Sapiens, waarin hij de geschiedenis van de mensheid beschrijft. Het komt er op neer dat wat de biologie vertelt, de ultieme waarheid over de mens is. De mens onderscheidt zich vooral van de dieren door het vermogen, verhalen te vertellen. Fictie houdt groepen bijeen en maakt dus samenwerking mogelijk. 
In zijn jongste boeken, Homo deus en 21 lessen voor de 21e eeuw, schetst Harari hoe kunstmatige intelligentie en klimaatverandering het menselijk leven compleet zullen veranderen. Hij ziet een bovenklasse ontstaan van mensen die het kunnen betalen om hun lichaam te verbeteren met kunstmatige intelligentie. Aan de andere kant van de tweedeling bevindt zich een onderklasse die het ergst denkbare overkomt. Dat is niet onderdrukking of ondervoeding, maar overbodigheid. Omdat robots steeds meer zullen kunnen, ontstaat er een klasse van mensen die eigenlijk niets meer te doen hebben en niet creatiefs meer kunnen bijdragen. Wat zou er eigenlijk op tegen zijn als robots of supermensen de gewone mensen zouden behandelen zoals wij dieren zoals varkens of vliegen behandelen: weg ermee als ze vervelend zijn, gebruiken als ze nuttig zijn?
Wat mij verbaast, is niet zozeer Harari’s toekomstbeeld, als wel de populariteit en impact van zijn denkbeelden. Harari weigert resoluut alles wat niet strikt biologisch aantoonbaar is, te aanvaarden. Dat staat echter haaks op onze dagelijkse levenservaring en op ons mens-zijn zelf. De complete, rijke levenservaring wordt gereduceerd tot een biologisch-wetenschappelijk perspectief. Wat mij betreft, ligt hier het echte front in de discussie over evolutie: de pretentie van sommige natuurwetenschappers dat de biologie ons de ultieme waarheid over de mens leert. Er is nog zo veel meer.
De werkelijkheid volgens Harari kent geen kerstfeest. Op Kerst blijken wij mensen meer te zijn dan wezens in een strijd om te overleven. God ziet naar mensen om, omdat Hij hen liefheeft. God is mens geworden. Geen kunstmatige intelligentie krijgt dat klein.

Sinterklaas

Mijn column in De Waarheidsvriend van 22 november.
Veel mensen die in God geloven, zien Hem als een soort Sinterklaas: Hij luistert naar je, kent je verlangens en schenkt je wat je nodig hebt. Hij voorziet niet alleen in materiële noden, maar geeft ook een pondje troost en een ons bemoediging voor onderweg. Preken wordt zo snoepjes uitdelen, strooigoed over een gemeente vol zoetekauwen uitstorten. Meestal houden mensen het niet zo lang uit bij een sinterklaasgod, omdat je behoefte aan comfort en luxe net zo goed buiten de kerk gerealiseerd kan worden. Als je verwacht dat God als Sinterklaas opereert, valt het ook vaak tegen: je krijgt nu niet bepaald altijd wat je had verlangd.
Bij mensen die niet langer in God geloven, zie je momenteel het omgekeerde: het Sinterklaasfeest krijgt religieuze trekken. Met een ernst alsof hun heil ervan afhangt, gaan voor- en tegenstanders van Zwarte Piet de strijd vol aan. Voor de een zijn kinderen en hun onschuldige feest heilig, de ander buigt zich voor de godsdienst van de absolute gelijkheid. Het religieuze palet is compleet. Er zijn rituelen voorafgaand aan de jaarlijkse hoogmis, bijeenkomsten waar liederen worden gezongen. Er worden offers gebracht, in de vorm van taakstraffen. Een collecte heeft in no time al meer dan honderdduizend euro opgebracht ter ondersteuning van de ‘martelaren’. De tegenstanders vinden zichzelf juist martelaren, en de rivaliteit jaagt het fanatisme aan. Zwarte Piet brengt tegenwoordig meer mensen in extase dan de Heilige Geest, zo lijkt het.
Wat mij betreft is het tijd voor een radicale scheiding van God en Sinterklaas. Het gaat er niet zozeer om wat wij van God verlangen, maar om wat Hij van ons en voor ons verlangt. En de levende God geeft wel, maar soms is dat heel wat anders dan wat we zochten. Dat is pas echt een geschenk, noem het gerust genade. Je kunt er blij mee zijn als kinderen. Luther omschreef het Evangelie al als “waarvan je zingt en spreekt en vreugdevol bent.” We kunnen wel wat vreugde gebruiken, nu zelfs een kinderfeest een loopgravenoorlog is geworden. 

Moederkerk

Mijn column in De Waarheidsvriend van vandaag.
De afgelopen weken werkte ik in de Johannes à Lascobibliotheek in Emden, gevestigd in de ‘Moederkerk’ van de Nederlandse gereformeerde kerken. Hier werd in 1571 de eerste Nederlandse nationale synode gehouden. Emden was een toevluchtsoord voor Nederlandse gereformeerden. Boven het diakenenportaal is het ‘scheepken Jesu’ afgebeeld met de tekst: “Gods kerk, vervolgd, verdreven, heeft God hier troost gegeven.” 
Intussen is de Grote Kerk tot een ruïne gebombardeerd in de Tweede Wereldoorlog, toen Emden als haven- en industriestad een strategisch doelwit vormde. Om de restanten van de kerk heen is nu de bibliotheek gebouwd in zwart staal en glas. De combinatie is prachtig, maar erediensten worden er niet meer gehouden. Bibliotheek en museum, meer niet.
Voor mij is de Moederkerk een ideale werkplek, niet alleen vanwege faciliteiten of ambiance, maar ook om de symboliek. Ik koos mijn werkplek op de eerste verdieping, in het nieuwe gedeelte maar met zicht op de oude kerk, de ruïne. Zo ziet de Nederlandse kerk eruit: stukgemaakt in de moderniteit, niet meer dan een prachtig museumstuk. Of zal God zijn kerk opnieuw troosten? Durf ik dat te hopen?
Een van de medewerkers van de bibliotheek is net afgestudeerd in Litouwen. Van huis uit nominaal rooms-katholiek, ging ze rond haar twintigste voor het eerst bewust naar een kerk. Het sprak haar aan, ze ging het Nieuwe Testament lezen en is nu heel betrokken. Afgelopen jaar overwoog ze zelfs om non te worden. Daar heeft ze toch maar van afgezien, want het leek haar toch wel zwaar: altijd op dezelfde plek wonen, nooit meer make-up, en andere ongemakken. Ze vond dat in Emden de mis maar weinig werd gevierd. Ik vond het een bijzonder verhaal en dat vertelde ik haar. Zij vond het echter best normaal: in Litouwen gaan steeds meer jongeren serieus geloven. Veel priesters zijn echt cool en weten het geloof dichtbij te brengen.
Zij had natuurlijk gelijk: het christelijk geloof is ook aantrekkelijk voor jongeren: het geeft richting en zin in een verwarrende wereld. Waarom zag ik dat niet? Mijn verbazing getuigde van mijn ongeloof. Wie van ons beiden was er nu echt gereformeerd?

Alle tijd

Passend bij de titel is hier, vrij laat, mijn column uit De Waarheidsvriend van 27 september.
Net nu er een stukje moet komen over rust en balans, heb ik een studieverlof. Geen vergaderingen, geen colleges, de avonden vrij, en alle tijd voor onderzoek. Eindelijk sporen mijn werkdagen met het beeld dat mensen hebben van een hoogleraar: ik lees en ik schrijf. Valt er vanuit deze oase iets zinnigs te melden voor mensen die nauwelijks tijd hebben om deze column te lezen? 
Toch wel. Volgens mij is het idee dat we ons druk voelen omdat we te weinig tijd hebben, onjuist. Seneca zei als dat we geen tijd te kort hebben, maar dat we er te veel van verspillen. Juist als je alle tijd denkt te hebben, blijkt het organiseren van concentratie en aandacht de echte uitdaging. Soms lukt het immers ook zonder tijdsdruk uitstekend om niet bijzonder productief te zijn. Het gaat hetzelfde onrustige gevoel als drukte. Verveling en het gevoel te druk te zijn, lijken dan ook twee kanten van dezelfde medaille zijn: een gebrek aan wat Mihaly Csikszentmihalyi flow noemt. Als je lekker aan het werk bent, ben je er niet mee bezig dat je aan het werk bent. Juist het fladderen van het een naar het ander zorgt dat je beseft dat je aan het werk bent, en dus komt er minder uit je handen.
Het gaat kortom om wat de regel van Benedictus al vereist: leren luisteren naar het appèl dat de situatie op je doet, je roeping, en vervolgens met aandacht doen wat gedaan moet worden. Alles wat het verdient gedaan te worden, verdient het immers om goed gedaan te worden. Maar als we bezig gaan met wat onze aandacht niet verdient, of we doen ons werk half en laten ons afleiden, ontstaat drukte of verveling. Intussen kon onze onrust wel eens voortkomen uit angst voor het einde van onze tijd, de dood. Alle aandacht voor balans ten spijt: wij moeten sterven, onze tijd houdt op. Zelfs eindeloos lijkende studieverloven blijken vaak te kort. Gelukkig zijn onze tijden in Gods hand, die werkelijk alle tijd heeft. 

Frietkraamgevoel

Mijn column in De Waarheidsvriend van 30 augustus 2018.
Vlak na de vakantie staan tijdschriften weer vol met tips om het vakantiegevoel vast te houden tijdens het werk. Geen van die tips helpt natuurlijk, anders was er geen verschil meer tussen werk en vakantie en hoefde op den duur niemand meer op pad. 
Toch zijn er mensen die weerstand bieden aan de stress. Zo’n voorbeeld troffen we als gezin op de terugweg van onze vakantie, toen we op een Waalse friterie mikten voor de avondmaaltijd. Het was al wat later en de kinderen waren er echt aan toe. Gelukkig was het niet druk: maar drie andere klanten, dus we verwachtten snel te kunnen eten en vlot weer verder te kunnen reizen. Toch mochten we nog bijna een halfuur wachten; niet voor de friet klaar was, maar voor we mochten bestellen. Elke bestelling werd namelijk eerst door de oudere heer en dame afgehandeld voor de volgende bestelling werd opgenomen. Af en toe maakten ze een praatje tussendoor, alsof hun frietkot niet volliep met hongerig publiek en potentieel jengelende kinderen.
Kennelijk was ik niet de eerste die me verbaasde over de trage manier van doen, want er hing een bordje: ‘maak je niet druk, hier haasten we ons langzaam.’ Een Nederlandse familie die na ons kwam, droop na tien minuten wachten af en reed verder. Weg omzet voor de friterie. Hoe moeilijk kon het zijn om iets efficiënter te werken? 
Toch groeide tijdens het halfuur wachten mijn bewondering, niet mijn ergernis. Deze mensen lieten zich niet afleiden door gejaag, maar deden hun werk goed en met aandacht voor de mensen. Een bewuste keuze dus om geen efficiënte machinerie op te zetten. Toen de friet en snacks uiteindelijk kwamen, bleken ze werkelijk heerlijk te zijn. Patat en snacks als onthaasting, wie had dat gedacht?
De vakantie is voorbij, maar het frietkraamgevoel hoop ik nog even vast te houden. Als zelfs patat niks met fastfood te maken hoeft te hebben, zou het wel raar zijn als we ons op het werk en in de kerk lieten opjagen. Het begint met aandacht geven aan wat onze aandacht verdient, te beginnen met God en met elkaar.

Deadlines

Mijn column in De Waarheidsvriend van 12 juli 2018.
De ene deadline is de andere niet. Een krant werkt met keiharde deadlines, waarna de krant ‘zakt’ en je kans op publicatie verkeken is. Morgen beter. Aan de andere kant van het spectrum zit de academische wereld. Als er een bundel met artikelen moet worden samengesteld, wordt er vaak al anderhalf jaar tevoren een deadline genoemd. Er zijn echter genoeg collega’s die de vriendelijke herinnering die ze na het verstrijken van de deadline ontvangen, opvatten als een aansporing om nu toch echt eens te beginnen  met schrijven. Beginnen, inderdaad, dat leest u goed. 
Sinds ik ooit een cursus time-management gegeven heb (korte samenvatting: tijd laat zich niet managen, aandacht wel), ben ik het min of meer aan mijzelf verplicht om alle deadlines te halen. Anders is er altijd wel iemand die quasi-vriendelijk opmerkt dat er ook cursussen zijn voor mensen die moeite hebben met deadlines. 
Eigenlijk is dat wel raar. Alsof het geven van een cursus je tot zó’n expert maakt dat je nooit meer fouten maakt. Persoonlijk leer ik liever van iemand die de fouten die ik maak, zelf ook van binnenuit kent. En dan niet van een ervaring ergens in de jaren tachtig, maar recent. Iets soortgelijks geldt natuurlijk ook voor dominees: liever iemand op de kansel die de worsteling met gebrekkig geloof, ongeloof, zonde aan den lijve ervaart, dan een mister Perfect die zonde alleen uit de boekjes lijkt te kennen. We belijden toch dat we zondaren zijn, waarom moeten we dat dan zo angstvallig verbergen? 
Nu dan. De aanleiding voor dit stukje is dat ik een deadline van dit blad vergeten was, ofwel niet had genoteerd in mijn ijzersterke systeem, dat ik op cursussen aan iedereen aanbeveel als bijna feilloos. ‘Bijna’ is het cruciale woord in de vorige zin. Ik was te laat, had nauwelijks tijd en moest toch schrijven. Volgens sommige mensen word je extra creatief van tijdsdruk. Dan zou dit mijn beste column ooit moeten zijn, maar ik waag het toch te betwijfelen.
Gelukkig gaan we de vakantietijd in. Even helemaal geen deadlines. Denk ik. Hoop ik.