Letter en Geest in 2 Korinthe 3 (2)

Bert Loonstra over meedenken met Paulus (3)

Letter ≠ wet

Paulus stelt in 2 Kor. 3:6 letter en Geest tegenover elkaar, op een scherpe manier: ‘de letter doodt, maar de Geest maakt levend.’ Scott Hafemann heeft er terecht op gewezen dat Paulus niet de wet en de Geest tegenover elkaar stelt, en al helemaal niet wet en evangelie.[1] De verhouding letter : Geest is een andere dan wet : Geest of wet : evangelie. Paulus schrijft niet negatief over de wet. Het probleem van het Sinaïverbond was niet de wet zelf, want die is heilig en goed (zie Rom. 7:12, 14). Maar zonder de Geest is de wet enkel letter. De wet verkondigt wel Gods wil, maar is niet in staat om mensen zo ver te krijgen dat ze de wet ook houden. Daarvoor is de Geest nodig, die leven geeft en in het hart werkt. Nota bene: niet alleen de letter (dat is: de wet zonder de Geest) doodt (2 Kor. 3:6), maar ook het evangelie zonder de Geest doodt:

Want wij zijn voor God een aangename geur van Christus, onder hen die zalig worden en onder hen die verloren gaan; voor de laatsten een doodsgeur, die leidt tot de dood, maar voor de eersten een levensgeur, die leidt tot het leven (2 Kor. 2:15–16).

Onder het oude verbond ontving heel Israël de wet, maar slechts een klein deel ontving de Geest. Onder het nieuwe verbond, in Christus, is de Geest uitgestort op de hele gemeente. De tegenstelling die Paulus maakt, is dus die tussen de wet zónder de Geest en de wet mét de Geest. Het cruciale verschil tussen een dodende werking (van de wet én van het evangelie) enerzijds, en een levendmakende werking anderzijds, ligt bij de Geest. Paulus is dienaar van het nieuwe verbond, door de Geest. Dat betekent dat de vernieuwing van Israël is begonnen in en door Paulus’ dienst in de gemeente.

Exodus 32–34

Om de lijn van Paulus’ gedachten te kunnen volgen, is het opnieuw van belang dat we de oudtestamentische passage waar Paulus aan refereert, erbij pakken. Paulus vergelijkt zichzelf met Mozes, die zijn gezicht moest bedekken. Het kernbegrip dat Paulus daarbij gebruikt, is ‘heerlijkheid’ (doxa), vs. 7 (2x), 8, 9 (2x), 10 (2x), 11 (2x), 18 (3x). Het loopt uit op:

Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar het zelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt (2 Kor. 3:18).

De glorie van God wordt onbedekt geopenbaard temidden van de Korinthiërs – dat kenmerkt Paulus’ apostelschap. Juist op dit punt werkt Paulus een verschil uit met de dienst van Mozes, die zijn gezicht bedekte. Hier moeten we naar Exodus 32–34, de passage die Paulus in 2 Korinthe 3 aan het uitleggen en toepassen is. Daarover zijn alle mij bekende moderne exegeten het eens.

Na de zonde met het gouden kalf (Ex. 32) treft Gods oordeel het volk. Hoe moet het nu verder? Als de HEERE Israël verder zou leiden door de woestijn, zou Hij hen moeten vernietigen vanwege hun hardnekkigheid (Ex. 33:3, 5). Maar hoe kan Gods glorie (kabod, LXX: doxa) dan bij het volk wonen? Eerst zet Mozes de tent op buiten het kamp van de Israëlieten, en daar ontmoet de HEERE Mozes vervolgens. Voor Mozes is het onvoldoende als de HEERE alleen een engel meestuurt voor de rest van de woestijntocht naar het beloofde land. Zijn heerlijkheid is nodig. Mozes bidt: ‘Toon mij toch uw heerlijkheid!’ (Ex. 33:18). Zijn vrijmoedige verzoek wordt ingewilligd. Het verbond wordt hersteld, er komen twee nieuwe stenen tafelen en Mozes bemiddelt Gods aanwezigheid voor het volk. Wel moet hij zijn gezicht bedekken, omdat het straalt na de ontmoeting met God: de heilige glans van God zou anders alsnog het hardnekkige volk vernietigen.[2] Israël als geheel was dus vanwege het gebrekkige houden van de wet nog gescheiden van de heerlijkheid van de HEERE. Dat gold bijvoorbeeld ook in de tempeldienst, waar het heilige der heiligen was afgeschermd.

Apostolische exegese

Paulus’ exegese en toepassing van Exodus 32–34 in 2 Korinthe 3 verloopt volgens een bekend rabbijns stramien. Hij gebruikt een qal wahomer-argument, ofwel een a fortiori-argument: op basis van het mindere wordt geconcludeerd tot het meerdere. Het punt van vergelijking is de heerlijkheid. Als de bediening van het Oude Testament al gekenmerkt werd door heerlijkheid, hoeveel te meer dan de bediening van het Nieuwe? Paulus gaat er dus vanuit dat niemand zal betwisten dat Mozes’ dienst door heerlijkheid gekenmerkt werd: de Israëlieten konden hun ogen niet op Mozes gericht houden, ‘vanwege de heerlijkheid van zijn gezicht’ (vers 7). Paulus wil dus helemaal niet negatief spreken over Mozes’ dienst; integendeel! Ook de bediening van de dood / verdoemenis was in heerlijkheid (vers 7, 9), ‘hoeveel te meer zal dan de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn?’ (vers 8). Die is ‘overvloedig in heerlijkheid’ (vers 9). Paulus plaatst zijn eigen dienst en die van Mozes dus in een comparatieve verhouding, niet in een oppositie; een verhouding van minder en meer, niet een verhouding van het een of het ander.

Intussen gebruikt Paulus wel zware woorden: de letter ‘doodt’, Mozes’ bediening was ‘van de dood’ en ‘van de verdoemenis’. Daarmee refereert hij opnieuw aan Exodus 34 (vers 1 en 4 benadrukken dat de tafelen van steen waren). Mozes bemiddelde wel Gods glorie voor het volk, maar het volk kon hem niet langdurig aankijken. Als ‘hardnekkig volk’ kon Israël de glorie van God niet verdragen, maar moesten ze vergaan (Ex. 32:9v, 22; 33:3, 5; 34:9). Het feit dat Mozes een sluier voor zijn gezicht moest dragen, onderstreept het levensgevaarlijke karakter van Gods glorie voor Israël. Daardoor werd die glorie ‘niet effectief’.[3] De Israëlieten konden dus niet het einddoel van het verbond zien, omdat ze onvoldoende zicht hadden op Gods heerlijkheid.

Gods heerlijkheid was dus nadrukkelijk aanwezig in Mozes’ bediening, maar vanwege de ongehoorzaamheid van het volk kon deze heerlijkheid niet worden gezien en bleef ze (voor het volk althans) niet-effectief. Mozes was niet het probleem, de wet was niet het probleem, en Gods aanwezigheid was niet het probleem. De ongehoorzaamheid van het volk was het probleem. Nu de Geest gekomen is, is de bedekking weggenomen vanwege Christus. Wat Mozes in de tent meemaakte, het zien van Gods heerlijkheid, is de realiteit van de tijd van de Geest.

Geschreven, extern karakter van de wet?

Loonstra legt in zijn boek grote nadruk op het externe, geschreven karakter van wetsbepalingen, tegenover het innerlijke, hartelijke karakter van het werk van de Geest. Dat is echter kennelijk niet waar het Paulus in deze tekst om gaat. Dat de wet op stenen tafelen gegrift is, ontleent Paulus aan Exodus 34:1, 4, 28. Daar gaat het niet om het externe karakter van de wet, maar om de continuïteit van de tweede stenen tafelen met de eerste: de wet is dezelfde gebleven. En ook bij het schrijven in steen gaat het om het blijvende, gezaghebbende karakter. Omdat Exodus 34:1–28 zowel begint als eindigt met Gods schrijven op de stenen tafelen, kan Paulus dit hele gedeelte samenvatten met ‘letters in stenen gegrift’, namelijk door God (vers 7). In het licht van 2 Kor. 3:3 staan de stenen tafelen wel tegenover ‘tafelen van vlees’, maar dan niet in die zin dat de inhoud zou verschillen. Zowel het oude als het nieuwe verbond draaien immers om Gods heerlijkheid die temidden van zijn volk woont.

Niet het externe karakter van de wet is het probleem, maar het ontbreken van de Geest waardoor het volk gehoorzaamt. Het geschreven karakter is al helemaal niet het probleem, want ook het nieuwe verbond wordt gekenmerkt door schrijven, namelijk in de harten, op tafelen van vlees (vers 3).

Het lijkt er op dat Loonstra de hermeneutische benadering die letter(lijk) tegenover geest(elijk) stelt, heeft laten doorsijpelen in zijn benadering van 2 Korinthe 3:6. Daarin is hij niet de eerste; kerkvaders als Origenes namen het op deze manier op voor een allegorische, geestelijke lezing van de Schrift. Paulus gaat het echter niet om verschillende leeswijzen, maar om verschillende bedelingen.

Conclusie

Uit de exegese in vogelvlucht van 2 Korinthe 3 zijn de volgende conclusies te trekken:

  1. Met ‘letter’ en ‘Geest’ bedoelt Paulus een contrast aan te brengen tussen de dienst van Mozes en zijn eigen apostolische dienst. Het gaat om een heilshistorische voortgang, niet om de tegenstelling tussen wet en evangelie en al helemaal niet om twee verschillende leeswijzen van de oudtestamentische wet of van wetsbepalingen. Mozes’ bediening en Paulus’ bediening staan in een comparatieve, niet in een oppositionele verhouding. Het gaat om de ene glorie (doxa) van de HEERE, die door Christus en de Geest geopenbaard wordt.
  2. Paulus biedt een soort ‘midrasj’ (rabbijnse uitleg) van Exodus 32–34, met gebruikmaking van Jeremia 31, Ezechiël 11 en 36. De oudtestamentische achtergronden waar Paulus in ademt, moeten worden meegenomen in de exegese, anders verstaan we Paulus onvoldoende. Helaas betrekt Loonstra de relevante oudtestamentische teksten niet bij zijn uitleg. Daardoor kan hij een tegenstelling maken tussen ‘letter’ en ‘Geest’ die vreemd is aan Paulus’ bedoeling.

  1. Zie Scott J. Hafemann, 2 Corinthians, NIVAC, Grand Rapids: Zondervan, 2000.  
  2. De LXX heeft in 34:29–30, 35 opnieuw doxa, hoewel het Hebreeuws niet spreekt van kabod. Zie Harris, 2 Cor., 276v, die punten van overeenkomst tussen 2 Kor. 3 en Ex. 34 LXX aanwijst.  
  3. Dit is de waarschijnlijke betekenis van katargoumenen in 3:7, door de HSV ten onrechte vertaald als ‘tenietgedaan’; NBV: ‘verdween’ Zie m.n. de commentaar van Hafemann, NIVAC.  

Geef een reactie