Geest en liefde als hermeneutische principes

Bert Loonstra over meedenken met Paulus (4)

In de vorige twee blogs stelde ik dat ‘letter’ en ‘Geest’ in 2 Korinthe 3:6 een andere betekenis hebben dan Bert Loonstra beweert in zijn boek Meedenken met Paulus. Nu is Loonstra’s boek uiteraard meer dan alleen een exegese van bepaalde teksten uit de brieven van Paulus. Het gaat hem om de hermeneutiek en de ethiek: als Paulus zich op de geboden beroept, heeft Paulus het oog op de bevrijdende kracht van het evangelie. Wanneer voorschriften als een onderdrukkende macht gaan functioneren, worden ze tot een externe instantie die tussen Christus en de gelovige in komt te staan. In naam van de liefde moeten er dan andere wegen gegaan worden. Waar Loonstra ‘letter’ schrijft, bedoelt hij externe, geschreven bepalingen, en met ‘Geest’ bedoelt hij de norm van het evangelie, de liefde. Daarmee vult Loonstra de termen ‘letter’ en ‘Geest’ anders dan Paulus. Hij kan echter wel aansluiten bij een eerbiedwaardige traditie, die pleit voor een geestelijk verstaan van de Bijbeltekst tegenover een alleen maar ‘letterlijk’ (en wat is dat eigenlijk?) verstaan.

Loonstra’s benadering roept twee vragen op: (1) wat is het criterium om te bepalen of iets ‘letter’ of ‘Geest’ is? (2) wie gaat dit criterium toepassen? (In die tweede vraag ligt de vraag besloten, hoe dat gedaan moet worden). Loonstra’s antwoorden op deze vragen zijn kort samengevat (1) de liefde is het criterium en (2) de ervaring van de gemeente garandeert een goede toepassing van dit criterium. Twee typerende citaten:

In de nieuwtestamentische gelovige gaat de wet anders functioneren, namelijk als hartenzaak waarin de liefde regeert, zonder dat de geschreven wet, ook die van de tien geboden, de vrede en de vrijheid verstoort. (67).

Die letterlijke uitspraak geeft echter niet de doorslag, want die komt in de huidige context niet verder dan de afstandelijke letter. En daarmee staat hij in de hedendaagse beleving van velen haaks op de Geest die de wet in het hart legt door de liefde in het hart uit te storten. (108)

Op beide punten ga ik hieronder in.

De liefde als criterium

Voor wie zijn eerdere werk kent, is het geen verrassing dat Loonstra de liefde (die door de Geest in het hart wordt uitgestort) als kern van de christelijke omgang met Bijbelse voorschriften benoemt. In zijn eerdere boek Zo goed en zo kwaad: Naar een ethiek van de christelijke gemeente (2000) schreef Loonstra immers al:

dat het zwaartepunt moet liggen niet bij de letterlijke weergave, maar bij de bedoeling van de geboden, namelijk: bij te dragen aan de vormgeving van het leven in de liefde van de Here, en, als keerzijde daarvan, ons verre te houden van een leefwijze die de vrijheid in Christus bedreigt. (108).

Korter en krachtiger nog: ‘geboden zonder evidente band met het evangelie halen niets uit.’ (116). Loonstra keert zich tegen het ‘farizeese standpunt […] dat het minutieus opvolgen van alle bijzondere bepalingen het ijkpunt is voor de vervulling van de wet.’ (88).

Eigenlijk stelt Loonstra gebod en liefde steeds tegenover elkaar, althans: het uiterlijke, geschreven gebod. Maar is er een ander gebod? De liefde is wel de vervulling van de wet, maar heeft de wet daarmee helemaal afgedaan? Deze vragen raken aan wat naar voren kwam in de eerdere blogs over de exegese van 2 Korinthe 3: Loonstra overdrijft de tegenstelling tussen Oude en Nieuwe Testament, tussen gebod en liefde, waarbij de laatste telkens de sleutel moet zijn voor het eerste. Loonstra noteert steeds dat Paulus een kritische afstand tot de Joodse wet schept (Meedenken, 56), maar Loonstra gaat daarin verder dan Paulus.

Is het werkelijk zo dat ‘Paulus vooral die geboden benadrukt waarvan de betekenis vanuit de liefde evident is’ (Zo goed en zo kwaad, 93)? Doet Paulus dat in Romeinen 13 over de overheid, in 1 Korinthe 7 als hij schrijft dat het beter is om niet te trouwen en als hij zich uitspreekt over homoseksualiteit? Als de liefde daarin evident leidend zou zijn, zouden christenen die in diezelfde christelijke liefde leven, met geen enkel gebod van Paulus moeite hebben. Loonstra zou daarop vermoedelijk antwoorden dat de tijden veranderd zijn (zie hieronder over de ervaring van de gemeente).

Hoe dan ook gaat het Loonstra uitsluitend om de evangelische zin van de wet, om de liefde. Paulus zou niet hangen aan de letterlijke bepalingen uit het Oude Testament, maar ze alleen van belang achten ‘omdat en voorzover ze een ook in de nieuwe situatie zinvolle uitdrukking geven aan het gebod van de liefde’ (Zo goed en zo kwaad, 93). De liefde is de norm voor de geboden, de geboden zijn ‘aanwijzingen voor de concretisering van de liefde’ (94). Hier maakt Loonstra tegenstellingen die Paulus zelf niet kent, en stelt hij (geschreven) wet en (innerlijk) evangelie, ‘letter’ en ‘Geest’ veel scherper tegenover elkaar dan Paulus doet. Dat Loonstra niet heeft verwerkt dat Paulus in 2 Korinthe 3 letter en Geest in comparatieve verhouding en niet in oppositie zet (zie de vorige twee blogs), blijkt samen te hangen met een structuur in zijn theologische benadering.

Intussen is de vraag, hoe je voorkomt dat ‘liefde’ een principe wordt dat loszingt van de concrete werkelijkheid van het Nieuwe Testament en zelfs van Christus zelf. Anders gezegd: hoe kunnen we weten waar de Geest ons naartoe leidt als het concrete gebod daarbij slechts een ondergeschikte rol speelt? Is liefde dan wat je liefde vindt? Wordt met een beroep op de liefde zo niet alles mogelijk? Komen we niet in subjectief vaarwater terecht? Loonstra meent uiteraard van niet. De gemeente die leeft van het evangelie heeft hier een sleutelrol.

De ervaring van de gemeente

In Zo goed en zo kwaad schrijft Loonstra: ‘Als de gemeente haar identiteit ontleent aan de bijbel, bestaat er geen tegenstelling tussen ‘bijbel’ en ‘gemeente’ als bron en norm van de ethiek’ (41). De Schrift legt zichzelf uit door de uitleggende gemeente heen. De mondige gemeente heeft een belangrijke functie bij het uitleggen van de geboden naar de norm van de liefde:

Er staan concrete morele aanwijzingen in de bijbel waarvan in de toenmalige context het verband met het evangelie evident was, maar die wij in onze huidige context niet meer inhoudelijk met het evangelie kunnen verbinden. In dat geval behoeven ze door ons niet meer letterlijk te worden toegepast. Er zijn ook eigentijdse morele opvattingen die zo niet in de Bijbel voorkomen, maar die voor ons besef toch essentieel zijn. Wij kunnen die als bijbels verantwoord beschouwen, indien wij in staat zijn ze met de inhoud van het evangelie te verbinden. (215)

Het komt er dus op aan of wij inhoudelijk met het evangelie kunnen verbinden. Maar hoe gaan we dat doen? In Meedenken met Paulus blijkt dat het er om gaat of geboden ‘geestelijk worden beleefd’ (68), worden ‘ervaren als expressie van het evangelie’ (71). De ‘hedendaagse beleving van velen’ (108) werkt sturend in op wat nog wel en wat niet meer acceptabel is. Uiteraard bedoelt Loonstra daarmee niet dat onze ervaring zomaar normatief wordt. Het gaat om de ervaring van de christelijke gemeente, die gescherpt wordt door de Geest van de liefde. Het gaat erom of wetsregels ‘als uitdrukking van de liefde kunnen worden verstaan’ (110).

Toch blijft de vraag of Loonstra hier kritisch genoeg is op het onderscheidingsvermogen van de christelijke gemeente. Het is ons gezamenlijke (en soms ons persoonlijke) vermogen om iets met de liefde te kunnen verbinden, dat moet zeggen of iets ‘letter’ is of ‘Geest’. Het lijkt vrijwel onmogelijk dat de gemeente zichzelf kritisch beschouwt in Bijbels licht. Dat de ervaring van de gemeente als scheidsrechter moet optreden, staat op gespannen voet met wat theologen graag het ‘tegenover’ van het Woord noemen: waar het Woord van God komt, komt het ons (als tegenstander) tegen, zoals Luther al zei. Een kritische verhouding van de christelijke gemeente tot fundamentele noties in onze cultuur wordt zo wel heel moeilijk. Dat geldt voor de gelijkwaardigheid van man en vrouw, maar geldt het ook voor relatievormen die anders zijn dan het christelijke huwelijk? Geldt het voor autonome keuzevrijheid, zelfontplooiing, zelfbeschikking? Het gaat hier niet om het argument van het hellende vlak, maar om de fundamentele vraag of er voldoende kritisch vermogen overblijft in Loonstra’s benadering. De ervaring van de gemeente als ankerpunt lijkt mij onvoldoende stevig om het kritische karakter van het Woord recht te doen.

De liefde als criterium klinkt dan wel goed, maar wat liefde is, lijkt meer een kwestie van collectieve ervaring dan van openbaring te worden. De openbaring van Gods liefde in Christus lijkt mij een veel helderder en steviger criterium dan de ervaring van de gemeente.

Eén gedachte over “Geest en liefde als hermeneutische principes”

  1. Mooie gedachtewisseling. Natuurlijk ook al eerder gedaan. Zo zie ik in mijn achteruitkijkspiegel een publicatie uit 1982 opkomen, het Rapport over gebruik van Schriftgegevens bij vragen rondom Homofilie, van Deputaten van de Generale Synode van Bentheim van de (toenmalige) GKN. Dit rapport munt uit door een zorgvuldig en gedurig aftasten van hetzelfde spanningsveld dat in deze blogs naar voren komt: de verhouding tussen de vele concrete bijbelse gebodsteksten en het ene grote liefdesgebod. Nog altijd de moeite van het kennisnemen waard. Deputaten kwamen overigens niet tot een eensluidend eindoordeel….ook een les om ter harte te nemen.

Geef een reactie