De eenheid van de kerk

Mijn stukje in de rubriek ‘Actueel belijden’ in De Wekker van 31 januari.

Als er iets om actueel belijden vraagt, dan wel de belijdenis over de kerk, en dan vooral de eenheid ervan. Er is immers nogal wat te doen rondom de kerk, en er zijn grote zorgen over ‘onze’ christelijke gereformeerde kerken: blijven we wel één? Soms zijn die zorgen zo groot, dat je er verdrietig of zelfs cynisch van zou worden. Klinkt de oeroude belijdenis dat de kerk één is, heilig en katholiek, dan niet heel hol? In plaats van eenheid zien we verdeeldheid. In plaats van heiligheid zien we zonde. En in plaats van katholiciteit zien we soms een benauwdheid, waardoor we onze manier van kerk-zijn tot de enig ware verheffen. Hoe meer je van de kerk ziet, des te meer klemt de vraag: hoe zullen we ooit met hartelijke overtuiging meekomen in de hoge tonen die de belijdenis al vanaf de vroege kerk aanslaat?

De Heidelbergse Catechismus wijst ons hier de weg. Als in Zondag 21 wordt gevraagd: ‘Wat gelooft u over de heilige, katholieke kerk?’ verwachten we als antwoord misschien een definitie van wat een kerk is. Of misschien een verdediging, dat het met de kerk nog wel meevalt. Maar de HC zet beslissend anders in: ‘Dat de Zoon van God zich een gemeente vergadert’. Over de kerk kun je alleen gelovig spreken als je begint bij de Koning van de kerk. De kerk is van Christus. Dat is ze altijd (‘van het begin van de wereld tot aan het einde’). Dat is ze overal en uit alle volken (‘uit het hele menselijke geslacht’). En daarom is de kerk ook ‘katholiek’, dat wil zeggen: algemeen, niet aan één volk, cultuur of groep gebonden.

Zo komen we ook de echte eenheid van de kerk op het spoor. Die ligt niet allereerst in onze organisatiestructuur, in een gevoel van verbondenheid of juist in een set afspraken. Christus vergadert ‘in de eenheid van het ware geloof’. Christenen zijn dus één in dat geloof, dat bestaat in kennen en vertrouwen (Zondag 7). Omdat Christus ons vergadert, behoren we Hem toe – en dat is onze enige troost, ons enige houvast. De kerk is dus de plek waar Christus met zondaren wil samenwonen, een ‘kathedraal van de liefde’ (A.A. van Ruler). De kerk is dus heilig van Christus uit: onheilige zondaren worden om Christus’ wil vrijgesproken.

De manier waarop Christus Zijn kerk verzamelt, is ‘door zijn Geest en Woord’ (HC Z. 21). De kerk is tempel van de Heilige Geest, en geboren uit het Woord van God.  De woorden van God zijn aan de kerk toevertrouwd, en de Schrift is haar schat. Die Schrift is geen koud boek, maar het levende Woord van de levende God. Daarom staat de prediking ook centraal in de kerk.

Ik kan me voorstellen dat iemand die de kranten leest over onze generale synode, of iemand die zelf is afgevaardigd, denkt: ‘Alles mooi en goed, maar met deze stichtelijke gedachten kunnen we toch niet uit de impasse geraken die ons kerkelijk leven verlamt?’ Ik zou willen tegenwerpen: wie anders kan ons uit de impasse halen dan Christus alleen? Als we geloven dat de eenheid met broeders en zusters niet allereerst berust op onze keuze, maar op Christus’ keuze, kijken we toch anders tegen de broeder aan. Hij behoort ook tot de ‘gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren’ (HC Z. 21). En Christus houdt zijn kerk in stand. Daarom kunnen we zomaar niet van elkaar en van besluiten die bij een open Bijbel genomen zijn, af. Zo mogen we elkaar in de ogen zien: als door Christus aan elkaar gegeven. En misschien moeten we ons eens wat meer verwonderen over het ongelooflijke voorrecht dat ik van deze kerk ‘een levend lid ben en eeuwig zal blijven.’

 

 

Eén gedachte over “De eenheid van de kerk”

  1. Is het grootste probleem niet dat al het grote van de Kerk – het universele, het overstijgende, het objectieve, het Christocentrische – zich eenvoudigweg toch niet blijkt te verhouden tot een kerkverband, dat zich tegenover het plaatselijke huisgezin van God altijd teveel als Kerk zal gedragen, en ten opzichte van de Kerk juist als een disfunctioneeel groot gezin. Het kerkverband houd de plaatselijke gemeente weg van wie zij liefheeft en dwingt te beminnen met wie zij niets heeft.

Geef een reactie