Jongeren aan het woord

Mijn column in De Waarheidsvriend van 14 juni 2018.
In jeugdbeleid en kerkelijk jeugdwerk wordt veel geïnvesteerd, in menskracht, tijd en geld. Terecht, want er komt veel op jongeren af en het gevaar is groot dat ze afhaken. De spannende vraag is wel, hoe je jongeren zelf bij de bezinning kunt betrekken.
In dat licht was het gedurfd van het Franse kerkverband UNEPREF om de synodepreek (als afsluiting van de synode) te laten houden door een jongere. Niet een jongere predikant, maar een jongerenwerker van een jaar of twintig, die evangeliserende podcasts (‘godcasts’) maakt. Deze gewaagde stap paste goed bij het thema van de synode “en avant pour transmettre” (“vooruit om door te geven”). Het doorgeven werd eerder op de synode symbolisch zichtbaar gemaakt door het uitdelen van kleurige estafettestokjes, die in het Frans témoin, ofwel ‘getuige’, heten. 
De geloofsoverdracht werd in de dienst op een ontroerende manier zichtbaar toen de jongeman al op de preekstoel stond en zijn vader de schriftlezing deed. Die vader, predikant, lijdt dermate aan Parkinson dat hij zich normaal heel moeilijk verstaanbaar kan maken, maar de Schriftlezing ging helder en zonder haperen. Voordat de preek begon, gaf dat beeld van de lezende vader en zijn zoon op de kansel al een glasheldere illustratie van geloofsoverdracht. De preek zelf ging niet zozeer over de behoeften van jongeren. De prediker benadrukte allereerst dat wij de geloofsoverdracht niet kunnen managen, maar dat God zelf aan het werk is en dat we Hem vooral niet in de weg moeten staan. Dat we daarom geduld moeten hebben. 
Zouden wij in Nederland zoiets durven? Niet alleen als een experiment in de marge, maar bij een officiële gelegenheid, omdat Jezus nu eenmaal graag door middel van de minst aanzienlijke bij ons is? Eigenlijk hoop ik vooral op jongeren zoals die prediker, die de kerken vertellen hoe nodig het is om Gods Geest laten werken.
De enige manier om door te geven, is door te gaan. Het knaloranje estafettestokje ligt als getuige daarvan voorlopig nog even op mijn bureau. Als mijn kinderen ‘m tenminste niet meepakken om er iets nieuws mee te doen.

In de spiegel

Mijn column voor De Waarheidsvriend van 17 mei 2018.
 
De nieuwe BMW-reclame op de radio al gehoord? Een man vertelt enthousiast dat als hij onderweg naar huis altijd langs een spiegelend gebouw rijdt. Als hij dan de linkerbaan pakt, kan hij zichzelf zien rijden, en dat geeft hem een geweldig gevoel. Jezelf zien rijden in een BMW, wie wil dat nu niet? 
Ik ga er maar even van uit dat de marketeers van BMW scherp in de gaten hebben wat het goed doet bij de doelgroep. Die gaat het allang niet meer om een betrouwbare auto die je van A naar B brengt. Het vermogen, de technische snufjes en de accessoires geven ook de doorslag niet. Het gaat om het imago, en dan niet eens de indruk die je op anderen maakt, maar hoe je jezelf ziet in de spiegeling van gebouwen. Zo verkoop je auto’s in de selfiecultuur: met narcisme in zijn zuiverste vorm. 
De stem in de reclame zegt erbij dat hij vast en zeker de enige niet is die het een prachtig gezicht vindt om zichzelf te zien rijden. Waarschijnlijk heeft hij gelijk en zijn wij allemaal bezig om indruk te maken op onszelf. Kijk mij eens gaan. 
De Geest van Pinksteren houdt ons ook een spiegel voor: kijk ons eens gaan. Waar komen we vandaan en waar gaan we naar toe? Wie ben je eigenlijk, als we alle snelle auto’s, bling-bling en bluf er af halen? Op de Pinksterdag zagen de mensen in Jeruzalem dat de keizer geen kleren aanheeft: er blijft niets van ons over, we zijn schuldig. Kijk ons eens gaan, helemaal de verkeerde kant op. Gelukkig blijft het daar niet bij als de Geest gaat waaien: ze bekeerden zich en werden door Jezus Christus gered.
Calvijn zegt ergens dat Jezus Christus de spiegel van onze verkiezing is. Als je naar hem kijkt, zie je jezelf als verkorene, door hem geliefde, ook al zag je dat eerder helemaal niet. Jezelf gered zien worden in deze spiegel, wie wil dat nu niet? Ik wel, en op Pinksteren weet ik wel zeker dat ik de enige niet ben.

Lidmaatschap

Mijn column in De Waarheidsvriend van 23 maart j.l.
Lidmaatschappen zijn uit, abonnementen zijn in. Alle traditionele verenigingen, omroepen en politieke partijen ervaren deze trend. Mensen willen zich niet langdurig binden met een formeel lidmaatschap, en al helemaal niet levenslang. Kortdurende abonnementen, waar je per maand van af kunt, doen het daarentegen goed. Dat geldt van streamingdiensten als Netflix, waar je voor een bescheiden bedrag per maand een enorm aanbod aan films krijgt. Iets vergelijkbaars is de toename van leasen in plaats van kopen. Dat begon bij auto’s, maar via cv-ketels en grote huishoudelijke apparaten dringt het leasen steeds verder door.
In die context zijn we kerk, waar je geacht wordt belijdenis te doen en dan voor je leven lid te zijn. Moeten we misschien iets met de trend naar korter durende verbintenissen? Wat mij betreft: op sommige gebieden wel, op andere niet.
Op financieel gebied kan de kerk wel experimenteren met de trend naar abonnementen. Elk jaar gaat het op de belijdeniscatechisatie ook over de financiële kant van de kerk en de verantwoordelijkheid van belijdende leden daarvoor. Steevast levert dat de vraag op wat een goede richtlijn is voor giften aan de kerk en hoe dat dan werkt. Eigenlijk vragen die catechisanten naar een soort abonnementsvorm. Dat klinkt misschien vreemd, maar de apostel Paulus organiseerde nog geen Kerkbalans en kende ook de figuur van de ‘vaste vrijwillige bijdrage’ niet. Die zijn ooit uitgevonden. Het is een experiment waard om mensen die wekelijks naar de kerk komen, een abonnement te laten afsluiten waarmee maandelijks aan de kerk wordt gedoneerd. 
Op een belangrijker punt kan de kerk niet mee in de trend naar abonnementen: als je belijdenis doet, markeert dat geen lidmaatschap als van een partij en al helemaal geen abonnement waar je desnoods morgen al van af kunt. Lid zijn is ledemaat zijn van Christus. Het is je plaats accepteren  in het koor van de kerk der eeuwen waar je door de doop bij werd geplaatst. De lofzang moet gaande blijven, en daar stap je niet zomaar bij weg. Dat vraagt levenslange toewijding, maar in het licht van Pasen krijg je daar nooit spijt van.

Bitcoin

Mijn column in De Waarheidsvriend van 25 januari.
(Omdat ik de column vrij vroeg moest inleveren, dateert deze nog van voor de stevige waardedaling van de bitcoin, afgelopen week)

Met verbazing kijk ik naar de bitcoinhype. Voor wie het niet heeft gevolgd (en voor zo ver ik het begrijp): bitcoin is zogenaamde cryptovaluta, een betaalmiddel dat compleet digitaal is opgezet door middel van zogenaamde ‘blockchaintechniek’. Die laatste slurpt zo veel stroom dat bitcoin inmiddels ongeveer net zo veel elektriciteit verbruikt als heel Nederland. Populariteit heeft de waarde van de bitcoin opgestuwd, zodat wie een tijdje geleden bitcoins kocht, nu miljonair is. Dat spreekt natuurlijk tot de verbeelding, ook al waarschuwen steeds meer mensen voor een zeepbel die op punt staat uit elkaar te spatten. Experts spreken zelfs van een pyramidespel, waarbij de winsten van de vroege instappers worden betaald door de nieuwe, totdat er geen kandidaten meer zijn en het geheel ineenstort.
Mijn verbazing betreft niet zozeer de milieuschade door het enorme energieverbruik of de manier waarop mensen als lemmingen achter elkaar aan rennen zodra er snel geld te verdienen valt. Hebzucht is niet verbazingwekkend; ze is zelfs oersaai, altijd hetzelfde. Ik verbaas me wel over de steeds toenemende abstractie. Er was een tijd dat geld bestond uit klinkende munten, goud of zilver. Das war einmal. De koppeling tussen geld en goud is allang losgelaten. Inmiddels is ons saldo een cijfer op een scherm en wordt contant geld hoe langer hoe meer afgeschaft (‘pinnen, ja graag!’). De volgende stap is dus dat techneuten doen wat eerder alleen banken konden: geld scheppen. Ziedaar de bitcoin. Er zullen vast nieuwere abstracties van te maken zijn. Was dat niet een van de oorzaken van de vorige crisis: dat zelfs verkopers vanwege de complexiteit niet meer begrepen wat ze aan de man brachten?
Ik begrijp best dat mensen terug willen naar het concrete: ‘gewoon’ geld, papieren agenda’s in plaats van Outlook, domme ’koelkasten’ in plaats van smartphones, gewone gesprekken in plaats van Skype. Wij mensen zijn niet gemaakt voor de abstractie, maar voor het concrete leven. Zo heeft God ons gemaakt en bedoeld: met beide benen op de grond. De zonde begon met het verlangen om niet langer aan het concrete bestaan dat God ons schonk, gebonden te zijn. Dáár zit het probleem, niet alleen van de bitcoin.