Bidden of vasten?

Vandaag vallen ze samen: voor protestanten de biddag voor gewas en arbeid, voor rooms-katholieken Aswoensdag, het begin van de vastentijd. Langs de lijnen ‘bidden’ of ‘vasten’ zou je dus protestants en rooms-katholiek kunnen indelen? Zo simpel ligt het niet. Een groeiend aantal protestanten (volgens dit artikel vooral jongeren) zoekt actief naar een invulling van de vastentijd. Vaak gebeurt dat in de vorm van een gedeeltelijk je onthouden van genotsmiddelen, zoals alcohol of zoetigheid.
Graag voeg ik aan de overwegingen drie punten toe.
Ten eerste: bidden en vasten sluiten elkaar niet uit, maar in. In de Bijbel gaan bidden en vasten vaak samen op, en dient het vasten de concentratie op het gebed (2 Kron. 20:3, Neh. 1:4, en let op de manier waarop het vasten in de Bergrede direct na het bidden wordt behandeld, Matth. 6:16-18). Ook in de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme heeft het vasten ook wel degelijk een plaats. Ik haal hier enkel Calvijn aan (er zou meer te noemen zijn). Calvijn:

Het heilige en wettige vasten heeft drie doeleinden. We gebruiken het namelijk ofwel om het vlees af te matten en te onderwerpen, zodat het zich niet te buiten gaat, ofwel om beter toegerust te zijn voor het gebed en heilige overdenkingen, ofwel als blijk van onze verootmoediging voor God, wanneer we onze schuld voor Hem willen belijden. […] Om verwarring over de benaming te voorkomen moeten we nader bepalen wat vasten is. Wij vatten het hier namelijk niet op als een terughoudendheid en spaarzaamheid in eten en drinken zonder meer, maar als iets anders. Het leven van vromen dient inderdaad gestempeld te zijn door matigheid en soberheid, zodat het gedurende de hele loop ervan zoveel mogelijk door een soort van vasten gekenmerkt wordt. Maar daarnaast is er nog het tijdelijke vasten, waarin we iets meer terughoudendheid betrachten dan we in het gewone leven gewend zijn, gedurende een dag of voor een bepaalde tijd, en onszelf meer en strenger beperkingen opleggen ten aanzien van het gewone eten. (Inst. 4.12.14, 18)

Wel waarschuwt Calvijn dat het om het hart gaat, meer dan om het uiterlijk vasten; we moeten niet denken dat we er iets mee verdienen. Hij noemt de veertigdaagse vasten een bijgelovige praktijk, met name omdat men enerzijds wettisch en strikt is, maar anderzijds het lekkerste eten tijdens de vasten nuttigt (Inst. 4.12.19, 20).
Ten tweede. Belangrijker dan de manier die je kiest, lijkt mij het doel. De vastentijd (wij protestanten zeggen: lijdenstijd) bepaalt ons bij het lijden en sterven van Jezus Christus. Voor mij kan een invulling van de lijdenstijd in de zin van vasten vooral nuttig zijn om me dáárop te concentreren. Met andere woorden: zoals ik bij het eerste punt stelde dat bij gebed het vasten een plek heeft, zo zou ik anderzijds willen stellen dat de vastentijd vraagt om gebed. Anders wordt het maar een soort ascese die weinig nut heeft (1 Tim. 4:8).
Ten derde. De vrucht van de Geest (Gal. 5:22) is ook: matigheid (vergelijk Rom. 12:3, 1 Tim 2:15; 2 Petrus 1:6). Het is een krachtig christelijk getuigenis in onze tijd als we weten genoeg te hebben (1 Tim. 6), zonder in mateloosheid te vervallen. Velen worden gedreven door de zucht naar eten, drinken, roem, geld of wat ook. Ongemerkt kun je daarin worden meegenomen. De lijdenstijd/vastentijd kan dienen om jezelf daarop te onderzoeken, je te verootmoedigen, en door Gods genade te bekeren. Daarbij klinkt de waarschuwing van Calvijn wel door: dit moet niet beperkt worden tot de veertig dagen, dan kan zelfs het vasten tot bijgeloof worden.
Voor wie verder lezen wil: Calvijn, Institutie, boek 4, hoofdstuk 12, paragraaf 14-20; John Piper, Honger naar God.

Predikant en politiek

Aristoteles noemde de mens een sociaal wezen (Grieks: zooion politikon) – met enige overdrijving zou je dat kunnen vertalen als ‘een politiek dier’. In hoeverre kun je je als predikant politiek engageren? Een vraag voor P&P, zo vlak voor de verkiezingen.
In het bijzonder nuttige boek van Jacques Schenderling over beroepsethiek van pastores vinden we dat een pastor wel zich in zekere mate politiek kan engageren door lidmaatschap van een politieke partij, maar niet door zitting te nemen in bijvoorbeeld een gemeenteraad. Het expliciete lidmaatschap van een politieke partij is volgens mij ook niet altijd verstandig. Zeker wanneer de politieke voorkeur nogal extreem is, of sterk afwijkend van de voorkeur van een belangrijk deel van de kerkelijke gemeente die de pastor dient, dienen we als pastores terughoudend te zijn. Al te snel wordt de politieke voorkeur een issue waardoor het pastorale contact belast of zelfs onmogelijk raakt.
Een pastor die een voorkeur heeft voor de PVV, de Partij voor de Dieren, of de Piratenpartij, kan in de meeste kerkelijke contexten die voorkeur dus maar beter voor zich houden. Zelfs geldt dat naar mijn indruk voor een CU stemmende predikant in een gemeente waar het merendeel CU stemt, en een aanzienlijke minderheid SGP. Over dat laatste valt te twisten, maar persoonlijk kies ik er graag voor mijn pastoraat op geen enkele wijze met politieke stellingname te belasten.
In de huidige tijd waarin predikanten (althans sommige) hoe langer hoe meer ‘aanraakbaar’ worden, en door participatie in sociale media als Twitter zich ook steeds meer mengen in allerlei gesprekken die slechts indirect aan hun ambtelijke verantwoordelijkheid raken, wordt dit alles steeds ingewikkelder. Laatst merkte iemand al op dat hij me miste zodra er over conservatisme werd gediscussieerd. Soms jeuken mijn vingers, maar terughoudendheid lijkt me verstandiger.
Er zijn tal van collega’s die andere keuzes maken: hetzij door zich verkiesbaar te laten stellen voor de Tweede Kamer, hetzij door zich in het openbaar uit te spreken voor een bepaalde partij, of door via Twitter of weblog een steentje bij te dragen aan de politiek. Benieuwd wat de lezers van dit weblog vinden. Laat het weten in de comments!