Lezing over gezag voor leraren

Onderstaand verhaal hield ik op maandag 9 januari bij de opening van het nieuwe jaar op de Guido de Brès (Wartburg college), Rotterdam.
Omdat ík het zeg?

Gezag en gedrag in onderwijs en samenleving
Dames en heren,
Hartelijk dank voor uw uitnodiging om te spreken over gezag.
Maar wie ben ik eigenlijk om tegenover u een verhaal af te steken over gezag? Ik denk dat u vanuit uw praktijk, uw levensgeschiedenis en uw natuurlijke behoefte tot zelfontplooiing er eigenlijk meer van af weet dan ik, als u zich daar voor inspant. Dus als we nu even wat groepjes maken, u deelt ze zelf wel in, en u overlegt er over (wijs zelf even een gespreksleider aan), komen we daarna samen om standpunten uit te wisselen. Ga ik intussen mijn facebookpagina even bijhouden.
Vooruit, een beetje flauw is het wel, maar dit is zo ongeveer de manier waarop volgens velen het onderwijs idealiter wordt ingericht. Geen leraar met autoriteit en gezag vanwege zijn kennis van zaken, maar een coach die het proces begeleidt, en die daarom voor pubers is wat de leidster op de peuterspeelzaal is.
Nu is het heel gemakkelijk om daar een beetje schamper over te doen, het af te serveren en over te gaan tot de orde van de dag. Dat is wat mij betreft vanochtend niet de bedoeling. Graag haal ik met u enkele lijnen uit de Bijbel over gezag (vooraf: daar zal weinig nieuws bij zijn), en probeer met u wat ik beschouw als de gezagscrisis in onze samenleving te peilen. Vervolgens poog ik dat toe te passen op het onderwijs.
1. Bijbelse lijnen
Bij ‘gezag’ denken we direct aan het vijfde gebod: eer uw vader en uw moeder. Paulus haalt dat ook aan in Efeze 6, dat we samen lazen, als het eerste gebod met een belofte, dus iets positiefs.
“Kinderen, wees je ouders gehoorzaam.” Gehoorzaam aan het gezag. Hetzelfde wordt in vers 5 tegen slaven gezegd – en direct gaan onze moderne alarmbellen rinkelen. Worden hier the powers that be niet van een legitimatie voorzien, leidt dit niet tot kadaverdiscipline, worden mensen hier niet geknecht en onderdrukt? Legitimeert de Bijbel slavernij en staat slavernij op één lijn met het gezag tussen ouders en kinderen?
Nou nee. Paulus zegt ook een heel aantal dingen die de slavernij van binnenuit bekritiseren: in Christus is noch slaaf noch vrije. Denk aan wat hij aan Filemon schrijft over Onesimus: een weggelopen slaaf die dus de doodstraf verdiend had. Ontvang hem als een broeder, schrijft Paulus. Legitimatie van de status quo – nee, dat niet. Maar ook geen revolutie, althans niet op de manier die deze wereld een revolutie pleegt te noemen. De slaven moeten zich gedragen als ‘slaven van Christus’ (vers 6). Daar wordt alles anders van!
Anderzijds wordt van vaders en van heren gevraagd dat ze verantwoordelijk met hun gezag omgaan, in het besef dat zij onder het gezag van God staan. Gezag heeft dus te maken met hiërarchische verhoudingen, uiteindelijk staan wij allen onder God.
Dat kunnen we verstaan in het licht van Efeze 3, waar wordt gezegd dat alle vaderschap (3:15) in hemel en op aarde (vaderschap is betere vertaling dan ‘geslacht’) naar God is genoemd – van Hem is afgeleid. Niet direct, maar in naam; niet reëel maar formeel. Dat wil zeggen: elke vorm van gezag verhoudt zich tot het gezag van God, zij het niet zo dat je er een directe goddelijke legitimatie aan kunt ontlenen. Dat gebeurt helaas nog maar al te vaak, en dan wordt het eng: God wil het wánt ik wil het. Nee, het functioneert juist kritisch: echte legitimatie van gezag vindt plaats voor Gods aangezicht. Gedragsdragers hier en nu kunnen zich niet zomaar op goddelijke legitimatie beroepen, maar Gods autoriteit vormt een kritische instantie waaraan het gehalte van gezagsdragers zich laat meten.
Het is opvallend dat direct aansluitend aan de pericoop over gehoorzaamheid aan het gezag Paulus spreekt over geestelijke strijd. Let wel: strijd tegen de overheden, machten, wereldbeheersers van de duisternis. Daar gaat ten minste de suggestie van uit dat je ofwel het gezag eerbiedigt, als gezagsdragers of als ondergeschikte, op de manier waarbij je beseft dat God boven je staat, óf dat je aan de machten bent overgeleverd. Dat laatste zien we dan in onze tijd.
Maar voordat we daarop ingaan, laat me eerst in het algemeen wijzen op gezag in leercontexten. Vooral in de wijsheid kom je de verhouding tegen van de wijsheidsleraar als vader en de leerling als zoon (begin van het Spreukenboek). Hét onderwijsideaal van de Bijbel vind je in het Spreukenboek.
De wijze, de leraar, is ouder dan degene die onderwezen wordt. De leerling wordt ingeoefend in een traditie van kennis en wijsheid.
Veel dingen lijken op het eerste gezicht aantrekkelijk: de vreemde vrouw, maar ook de rijkdom, macht en dergelijke. De Spreukendichter deconstrueert ze als het ware door te laten zien waar ze toe leiden. Daarin komt het gezag van de wijsheidsleraar tot uitdrukking: hij weet meer en overziet meer dan de leerling, en wijst de weg door op consequenties te wijzen. Enkele voorbeelden:

  • De vreemde vrouw, “haar voeten dalen af naar de dood” (Spr 5:5).
  • Spr 15:27 Wie op winstbejag uit is, stort zijn huis in het ongeluk.
  • Daarom: Spr 3:1vv “Mijn zoon, vergeet mijn onderricht niet, en laat je hart mijn geboden in acht nemen, want lengte van dagen en jaren van leven en vrede zullen ze voor jou vermeerderen.”

Een ander voorbeeld van gezag, uit de Thora, waar kinderen worden ingeoefend in de traditie.
Deut. 6:20v: “Wanneer uw zoon u morgen vraagt: wat zijn dat voor getuigenissen, verordeningen en bepalingen die de HEERE, onze God, u geboden heeft? Dan moet u tegen uw zoon zeggen: wij waren slaven in Egypte, maar de HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid.”
Hoor de overgang van ‘u’ naar ‘wij’: het kind wordt meegenomen in de traditie van Israël. Die geschiedenis is zijn geschiedenis, het kind staat in breder verband, van het gezin en van het volk, van de geschiedenis. Dat is wezenlijk voor de God van Israël: Hij is de God van de geschiedenis, in tegenstelling tot andere goden uit het oude oosten, die wel een ruimte innamen, konden worden afgebeeld, maar die niet in de geschiedenis handelen.
Door middel van onderwijs, rituelen, wordt het kind verteld wat er van de grootste waarde is in de geschiedenis en voor het heden. Kinderen wordt geleerd te vragen, ook bij Pascha: Ex 12:26: “Als uw kinderen tegen u zullen zeggen: wat betekent deze dienst voor u? Dat u moet zeggen: dit is een Pascha-offer voor de HEERE.” Die kinderen bedachten de vraag niet zelf, ook die was voorgegeven. Het onderwijs gaf een antwoord op een vraag die het kind zelf niet stelde, maar aangeleerd kreeg.
Gezag van ouders en onderwijzers dient om in te oefenen in de waarheid. Die staat op het spel. Het kind is onervaren, bovendien niet van nature goed, en moet dus geleerd worden.
In deze setting ontstaat dan ook een complete leer- en leescultuur. Ik heb de wijsheid aangehaald, de Thora, dan nu ook de Psalmen. De eerste Psalm zet de toon: welzalig de man die de wet van de HEERE dag en nacht overdenkt. Lezen en leren.
Vanzelfsprekend leggen gezagsdragers in deze setting hun wil op het kind. Er wordt gedisciplineerd, en wie het gezag verwerpt, betaalt daarvoor een hoge prijs. De prijs van de dwaas die alles verspeelt (zo de wijsheidsliteratuur), maar in de wet zelfs: de prijs van zijn leven. In Deut. 21:18vv wordt de doodstraf voorgeschreven voor de weerspannige zoon. Zó is het vandaag zeker niet de bedoeling – het voert nu even te ver om dat helemaal te belichten, maar het algemene beeld lijkt mij duidelijk.
2. Huidige tijd
Als je deze Bijbelse lijnen in gedachten houdt en een stap zet naar de huidige tijd, kom je in een andere wereld terecht. Wij ademen deze lucht allemaal in, en krijgen er allemaal wat van mee. Ik noem een aantal tendensen:
1. Deconstructie van gezag en gezagsdragers.
Dat gebeurt op een aantal manieren. Je kunt denken aan de integriteit van gezagsdragers die geregeld ter discussie staat. Denk aan het misbruikschandaal in de rooms-katholieke kerk, waarmee de kerk als gezagsdrager aan de schandpaal wordt genageld. Misbruik kwam in katholieke internaten niet significant meer voor dan in andere internaten, schrijft Deetman in zijn rapport, maar dat gegeven wordt vergeten. Natuurlijk wil ik het niet bagatelliseren, het is vreselijk en het moest in kerkelijke internaten juist veel minder voorkomen dan in andere.
Gezagsdragers ondermijnen hun eigen gezag: denk aan de captains of industry, die ook een moreel voorbeeld van goed ondernemerschap zouden kunnen geven, maar die zich – in de beeldvorming althans daargelaten – kenmerken door ‘exorbitante zelfverrijking.’ Bankiers. Politici worden ‘zakkenvullers’ genoemd. Het is de vraag of het altijd waar is of dat het een kwestie van beeldvorming is, maar zó staat het er wel voor.
Nadat leraren en politici van hun gezag waren ontdaan, is het nu sinds enige tijd de beurt aan rechters en wetenschappers. Telkens gaat het om integriteit (Diederik Stapel) en politisering van standpunten (Donner en de Hoge Raad). Ronald Plasterk zei laatst in een interview in Elsevier dat hij een blauwe maandag economie had gestudeerd. Toen hij er echter achter kwam dat de hoogleraar van de PvdA wat anders zei dan die van de VVD, was hij er maar snel mee gestopt.
Instituten en gezagsdragers moeten het ontgelden. De PVV is er een meester in om hierbij het voortouw te nemen (en bijvoorbeeld een benoeming voor de Hoge Raad te blokkeren, of de Koningin te politiseren); GeenStijl bracht mede Ella Vogelaar ten val.
2. Individualisme, zelfontplooiing, authenticiteit
Mensen willen zichzelf niet meer verstaan als deel van een groter geheel, maar als individu. Ik geef mijn eigen leven vorm en moet mezelf kunnen ontplooien. Niemand moet me daarbij in de weg zitten.
Verbanden als gezin, school, stad, samenleving worden dan problematisch. Ze laten zich enerzijds niet ontkennen, maar anderzijds worden ze vooral als beknellend ervaren. Het is onloochenbaar dat ieder mens ter wereld komt in een netwerk van relaties, in een familie en in een geschiedenis die gaande is. Die mens als louter individu benaderen is een geweldige abstractie van de concrete levensgeschiedenis. Wij leven in een tijd en op een plaats, binnen een netwerk van relaties. Waar dat wordt erkend, heeft gezag een natuurlijke, ordende plaats: vader in het gezin, leraar voor de klas, de burgemeester in stad of dorp. Maar waar louter individuen zijn, wordt de grote vraag waarom die ander eigenlijk iets te zeggen zou hebben over mijn leven. (Daarom mag de SGP zich nog eens afvragen hoe principieel haar ijver voor een leefvormneutrale belasting eigenlijk is…)
Paradoxaal genoeg neemt de roep om gezag wel toe, maar dan voor anderen, zodat ik mijn levensruimte nog beter kan afbakenen. Exemplarisch is voor mij het liedje waarmee de Postbank jaren geleden reclame maakte: “15 miljoen mensen op dat hele kleine stukje aarde, die schrijf je niet de wetten voor, die laat je in hun waarde.” Dus als je mensen echt in hun waarde laat, is er geen wet. Het ideaal van de Franse Revolutie: ni Dieu, ni maître. Nou, juist omdat dat stukje aarde zo klein is, heb je wetten nodig, zou ik zeggen.
Die zelfontplooiing waarvoor ieder individu de ruimte moet krijgen, is zelf een problematisch begrip. De geïmpliceerde metafoor is die van plooien die er uit gehaald worden, waardoor het geheel zich verder uitstrekt. Ontwikkeling dus. Maar waar naartoe? Wanneer doe je het goed of slecht? It’s up to you!
Alleen zelf kun je uitmaken wat van waarde is, niemand anders mag dat ook voor jou doen. En zo ontstaat wat Charles Taylor de ‘cultuur van authenticiteit’ heeft genoemd. Het kind moet een authentiek mens worden door zichzelf te ontplooien. Nog altijd heeft dit een leeg midden: er is niet ‘iets’ dat je authentiek zou moeten worden, geen norm of centrale waarde.
3. Idealisering van het kind
Tegenover de deconstructie van gezag (en gezagsdragers) staat de idealisering van het kind als onschuldig, creatief wezen. Als het zijn natuurlijke aanleg maar kan ontplooien, komt het helemaal goed. Externe invloeden moeten zo veel mogelijk buiten worden gehouden ten dienste van de zelfontplooiing tot authenticiteit. Kindermisbruik is het allerergste in onze maatschappij en pedofielen zijn de grootste misdadigers. Ik ben het er van harte mee eens, maar ik noem het ter illustratie van het beeld van het engelachtige kind.
Frank Furedi merkt in zijn boek Wasted (vertaald als De terugkeer van het gezag) op: “Vanuit dit standpunt gold de uitoefening van gezag thuis en op school meer en meer als een potentieel probleem, aangezien het een obstakel kon zijn voor de spontane ontwikkeling van kinderen.” (126). Vandaar de aanval op traditioneel onderwijs.
Wanneer het kind inderdaad zó Einstein-achtig is als wordt beweerd, kan en moet de leraar ook terugtreden en het kind zelf laten leren waar het aan toe is – het kind kan zelf het best de ideale weg bepalen. De leraar legt zich vooral toe op steun en emotionele support zodat de goedwillende en goedbedoelende leerling uiteindelijk keurig op D66 of GroenLinks gaat stemmen.
Tot mijn verbazing komt het overdreven positieve beeld van het kind niet enkel in die kringen voor. In Alle aandacht, een boekje over preken voor kinderen en jongeren (overigens een mooi boekje!), las ik: “De puber die schijnbaar ongeïnteresseerd voorovergebogen in de bank hangt, kan soms van ontroerende betrokkenheid blijk geven.” (p. 17).
Natuurlijk stuit dit pedagogisch pelagianisme op de harde realiteit. Kinderen zijn van nature niet goed. Ze grijpen uit zichzelf niet naar Guido Gezelle maar naar games. Maar welke volwassenen komen deze kinderen tegen?
4. Crisis van volwassenheid
In onze cultuur is niet langer de volwassenheid het ideaal, maar jeugd. Niet eerder zo vertoond in de geschiedenis van de mensheid. Laat me de kleding als voorbeeld nemen: kinderen willen zich niet kleden als volwassenen, maar volwassenen willen zich vaak kleden als jeugdigen. De Bijbel noemt de grijsheid een kroon, maar jeugdig is de norm in de alomtegenwoordige reclame.
Het wegvallen van hiërarchische verhoudingen in de dominante cultuur maakt dat ouders zich beschouwen als de maatjes van hun kinderen. Die voelen zich vervolgens geregeld bedrogen, omdat ouders wel degelijk gezag en macht uitoefenen over hun kinderen. Maar volwassenen doen nauwelijks moeite meer om kinderen te leiden tot volwassenheid.
Gedrag dat vanouds met volwassenheid en met gezag geassocieerd werd – als zelfbeheersing, verstandige uitwisseling van argumenten, deugdzaam leven –delft het onderspit in het media-geweld van ongeremde emotie. Authentiek is het wel, maar zelfontplooiing? Het hangt er maar van af waarnaartoe. Dat brengt me bij het belangrijkste punt van alle:
5. Waardeloosheid / het lege midden
De zelfontplooiing is richtingloos, er is geen norm, geen waarheid. Dit is postmodernisme in optima forma. Ieder moet zelf maar uitzoeken wat zijn authentieke waarheid is. Maar dat hoeft een ander helemaal niet te interesseren. De waarde van de Westerse cultuur, van geschiedenis, van literaire schoonheid – het wordt allemaal tot een kwestie van smaak.
Goethe zei: “wer nicht von 3000 Jahren sich weiss Rechenschaft zu geben, bleib’ im Dunkeln unerfahren, mag von Tag zu Tage leben.” Maar misschien spreekt wat Kluun heeft gezegd, me wel meer aan. Literaire prijzen? Elitair!
Er is geen groot, verbindend verhaal, en dus moet het onderwijs zich ook maar richten op de instrumentele kant. Geen kennis dus (want welke kennis dan? De discussie raakt direct gepolitiseerd), maar vaardigheden die de leerling zelf kan toepassen. Rekenen en taal zijn dan nog wel belangrijk, maar geschiedenis?
Let wel, dit is de precieze omkering van het Bijbelse beeld. Gezag ontstaat daar waar een oudere, wijzere, een jongere, onervaren en geneigd tot het kwade, wegwijs maakt in deze chaotische wereld. Doel is leven tot Gods eer. Daartegenover staat de authentieke zelfontplooiing. Wanneer lukt die? Bij gebrek aan hogere waarden telt hier de cynische waarde van het getal: als je er veel geld mee verdient, veel aandacht mee genereert, doe je het goed. Onze helden zijn geen filosofen of literatoren (zoals eerder in onze cultuur) maar pophelden, Idols, of zelfs de aso’s van Oh Oh Cherso.
Onze samenleving is leeg als het om dit soort dingen gaat. Als ik ook even authentiek mag zijn: het raakt me diep als ik Ruth Peetoom hoor zeggen dat het CDA meer moet verbinden, maar geen idee heeft wat waarmee verbonden moet worden en waarom?
3. En nu?
OK, en dan ga je als leraar aan de slag in je klas. Wat betekent ‘gezag’ dan concreet? Hoe ga je tegen deze maatschappelijke achtergrond, gehoord de manier waarop de Bijbel spreekt over gezag, aan de slag?
1. De kern van het verhaal
Tegenover het gebrek aan centrale waarden in onze samenleving, vol overtuiging staan voor de waarheid. Het is niet waar dat het niet uitmaakt wat leerlingen meekrijgen. Ze zijn geneigd tot het kwade, maar u krijgt de kans ze de goede weg te wijzen! Gezaghebbend optreden betekent dat je een verhaal hebt, dat je weet wat goed is en fout is – en ja, dat je dat beter weet dan die leerling, daarom wijs je hem en haar de weg. Dat je daarbij zelf niet onfeilbaar bent, uiteraard – maar het ergens over. Het gaat toe naar het Koninkrijk van God, en onze levens gaan ofwel die kant op, óf niet.
Het unique selling point van het bijzonder onderwijs zijn de krachtige waarden, of beter gezegd: de waarheid van het evangelie.
2. Vakbekwaam
Gezaghebbend ben je als je echt wat weet en wat te vertellen hebt (double entendre: ‘wat te vertellen hebben’ betekent immers ook: invloed of gezag hebben). Furedi beschrijft in zijn boek hoe steeds meer energie in het onderwijs is gaan zitten in het zorgen voor het emotionele welbevinden van kinderen. Juist daardoor worden ze steeds onzekerder, want als alle antwoorden goed zijn en er niet één als fout wordt aangemerkt, wat heeft er dan nog waarde? Dus zijn ze aangewezen op andere, subtiele aanwijzingen voor wat er écht goed is.
Zullen we ons niet laten wijsmaken dat het waar zou zijn wat Furedi uit een overheidsdocument opdiept, dat wat voor waar wordt gehouden met het uur verandert? Dat cynisme is de doodsteek voor het gezag van de leraar. Hij vertelt wel hoe het zit, in de geschiedenis of in de wiskunde, maar morgen kan het weer anders zijn. Nee! Bepaalde zaken zijn het waard om onderwezen te worden.
Vakbekwaamheid is nodig – als onderwijzer. Er wordt hoe langer hoe meer benadrukt dat leerlingen op allerlei manieren en in allerlei contexten leren, en dat leren levenslang is en dat dus school niet de enige plek is waar ze leren. Maar leren is niet hetzelfde als onderwijs. Onderwijs richt zich op kennis. Wat mensen verder leren hoeft geen kennis te zijn. En tegen mensen die zeggen dat formele kennis niet meer nodig is in dit informatietijdperk; nogmaals: informatie is nog geen kennis. En hoe meer overload er aan informatie komt, des te meer kennis heb je nodig om je weg te vinden. Formeel onderwijs en kennis zijn broodnodig, juist in het Wikipedia-tijdperk.
De grote vraag is dus: weet je waar je het over hebt, als je het ergens over hebt? Docenten die geen boeken lezen zijn wat mij betreft een contradictio in terminis.
3. Horizon verbreden
De Spreukendichter verbreedt de horizon van de leerling. Kijk, je ziet nu wel iets voor je dat appelleert aan je neiging tot instant-behoeftenbevrediging (eten, macht, rijkdom, seks) – maar kijk eens verder. Gezag functioneert metterdaad waar deze horizonverbreding plaatsvindt. Waar je een leerling een antwoord geeft op een vraag die hij niet stelde, word je al snel voor ouderwets versleten. Maar als je aantoont waarom die vraag wél de moeite waard is (gerelateerd dus aan die waarden waarover we spraken), dan ontstaat dat bijzondere gevoel dat bij écht onderwijs hoort. Het gevoel dat ik had toen mijn leraar Duits besloot dat hij met ons Goethe’s Faust ging lezen en interpreteren. Het gevoel dat je als leraar hebt als je een ingewikkelde kwestie in wiskunde of geschiedenis zó hebt gedoceerd dat het overkomt. Ik denk hier met name aan die vakken die in onze tijd niet zo in tel zijn: literatuuronderwijs, geschiedenis, klassieke talen. Onderwijs dat je uitrukt boven de directe ervaring van het hier en nu, dat je doet beseffen dat je deel uitmaakt van een groter geheel, dat je besef geeft van cultuur. Het ware, schone, goede – dát (waarbij voor het reformatorisch onderwijs nog wel een uitdaging ligt ten aanzien van het schone…).
Waar dit gebeurt, wordt de leraar weer werkelijk cultuurdrager. Dan is ‘gezag’ dus ook echt van een andere orde dan dat je orde hebt in de klas. Dat is een niet onbelangrijke randvoorwaarde. Maar er wordt iets overgedragen, getradeerd, dat niet op een andere manier te verkrijgen was. Natuurlijk had ik Faust kunnen vinden en er wat over kunnen googelen, maar de expertise en bevlogenheid van een klassesituatie zijn niet te evenaren.
4. Identificatiefiguur: integer, authentiek
Dit noem ik als vierde, want als de eerste drie er niet zijn, verwordt dit tot enkel populariteit en past ‘gezag’ er niet bij. Een authentiek christelijk leven, wat is dat nodig voor leerlingen. Merken ze aan u en mij dat wij ons niet laten verblinden door geld en goed, macht en aandacht, de grote ruilmiddelen van onze samenleving? Op dat punt ga ik mee in de huidige consensus: als je niet in praktijk brengt wat je zegt, vervalt je gezag. Natuurlijk, we zijn mensen, gebrekkig, laten we dat dan ook communiceren – maar vervolgens wel er bij leven.
Op dit punt moet de hand in eigen boezem. Ondermijnen we niet het gezag van reformatorisch onderwijs als dé discussies gaan over een legging en over een Herziene Statenvertaling? Weten we nog wel waar het op aankomt, waar het om gaat?
De gezagsvolle leraar is identificatiefiguur. Hopelijk als volwassene. Vrienden hebben ze al wel, ze zoeken volwassenen waar ze tegen op kunnen kijken en van kunnen zeggen: zó wil ik ook zijn.
Ik weet hoe je er tegenop kunt zien aan het begin van weer een nieuw jaar. Maar bedenk eens waar u het voor doet.
Zo hebt u de hoge roeping om leerlingen wegwijs te maken in een chaotische wereld. Leid ze op een pad van licht.
 
 
 

Zeggen wat we hopen (column RefDag 3 jan.)

Het is inmiddels traditie dat Geert Wilders direct kritisch reageert op de kersttoespraak van Koningin Beatrix. Alleen de spelfout in zijn tweet was nieuw. Wilders deed de onzinnige suggestie dat de Majesteit wel lid kon zijn van GroenLinks, vanwege haar aandacht voor duurzaamheid. Dat leidde de aandacht af van het slot van de kersttoespraak, die het nihilisme van politici als Wilders in het hart treft. “Laten wij zeggen wat wij hopen en doen wat wij kunnen.”
Zeggen wat we hopen? Sinds Pim Fortuyn, of eigenlijk al langer, is het bon ton om vooral te zeggen wat je dénkt. Niet omfloerst maar direct, niet wegkijken maar de realiteit onder ogen zien. Dat heeft ons veel duidelijke spierballentaal en zelfs verbaal geweld opgeleverd. Iedereen zegt tegenwoordig wat hij denkt, soms dertig keer per dag via Twitter. Over de kleinste dingen buitelen de opinies over elkaar. Soms tactvol, vaak lomp of zelfs kwetsend. De vrijheid van meningsuiting dient als excuus voor een stormvloed van opinies.
Laten we eens even niets vinden van het zoveelste incident, maar bij de grote vragen stilstaan. Waar gaat het eigenlijk om? Wat is werkelijk waardevol? Welke samenleving staat ons voor ogen voor onze kinderen en kleinkinderen? Die bezinning ontbreekt vaak, niet alleen in de politiek (waar is Wilders eigenlijk vóór? Of onze premier?), maar ook in de samenleving. Dus worden de middelen doelen, en gaat het draaien om geld en macht.
Het begin van een nieuw jaar is een natuurlijk moment om te herijken, verder te kijken dan de enkele bomen die we aan het omzagen zijn en ons af te vragen of we ons in het goede bos bevinden en hoe het met dat bos verder moet.
Voor een christen is rekenschap geven van de hoop die in je is, wezenlijk: de hoop op Jezus Christus en Gods Koninkrijk. Dat zet alle dingen in een nieuw licht, en geeft moed voor jezelf en voor de wereld. Het laat je ook zien waar je geroepen bent te dienen.
Vervolgens ‘doen wat we kunnen.’ Nuchter en bescheiden. Wij halen wat wij hopen niet met een grote greep naar ons toe, overschreeuwen onszelf ook niet, maar dienen nuchter en bescheiden voort. Dan hoef je ook niet altijd alles te zeggen wat je denkt. Bijkomend voordeel: als je dan wél uitspreekt wat je hoopt, maak je ook meer kans gehoord te worden. Zo hoopt ook onze Koningin.

Vrede op aarde

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van gisteren (20-12-2011).

Vrede op aarde, zongen de engelen in de Kerstnacht. Het was toen niet te zien en het is nog niet te zien. Het is een geloofszaak. Geweld voert de boventoon.
De christelijke minderheid in Egypte wordt hoe langer hoe meer gediscrimineerd en onderdrukt, terwijl het Egyptische leger op een schaamteloze manier optreedt tegen alles wat mogelijk dissident is. De zogenaamde Arabische lente gaat met veel bloed gepaard en maakt het perspectief voor christenen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten allengs somberder. En niet alleen voor hen: de democratisering waar velen in de Westerse wereld op hoopten, blijkt vooral op islamisering uit te lopen. Als wij straks in onze veilige kerkgebouwen ongestoord kunnen samenkomen, is er alle reden om te bidden voor broeders en zusters die het steeds moeilijker krijgen.
Ook in ons land is van ‘vrede op aarde’ weinig te zien. Integendeel: hoe langer hoe meer lijkt de consensus zich af te tekenen dat alle religie in de kern gewelddadig is. Men gooit voor het gemak islamitisch gemotiveerd terroristisch geweld op één hoop met andere vormen van ‘geweld’. Religie leidt tot geweld tegen dieren, en daarom moet de godsdienstvrijheid maar worden ingeperkt, vindt de dierenpartij, en met haar een meerderheid van ons volk. Bij seculiere kranten en tv-programma’s mocht Marianne Thieme uithuilen over die vervelende Eerste Kamer, die zich zo politiek zou hebben opgesteld, als was het de Tweede Kamer. Dat was juist niet het geval, de argumenten waren van hoogst principiële kwaliteit. Maar het beeld is bevestigd: religie gaat gepaard met geweld.
Verontrustend, vooral omdat in de zaak van het misbruik in rooms-katholieke kring dienaren van de kerk zelf zich schuldig hebben gemaakt aan seksueel geweld. Schokkend om te beseffen dat weerloze jonge kinderen soms jarenlang het slachtoffer werden van dit geweld. Voor dat leed zijn geen woorden. De kerk moet een veilige plek zijn.
In de beeldvorming wordt echter alles al snel op de ene hoop van religie geveegd. Daardoor staat godsdienst er op als achterlijke, gewelddadige ideologie en orthodoxie als iets engs. Hoe kan de kerk in deze context geloofwaardig spreken over vrede op aarde? Laten we benadrukken dat niet wij de vrede op aarde maken, dat kerkmensen niet een soort natuurlijke morele superioriteit hebben. Jezus Christus wilde alle geweld ondergaan, tot het laatste toe, om degenen die Hem geweld aandeden, te bevrijden en te verzoenen met God. Hij breekt de keten van geweld. Hij is onze vrede, schrijft Paulus. Dus toch: vrede op aarde.
Gezegend Kerstfeest toegewenst.

Christen op Twitter

Voor de lustrumbundel van het Utrechtse dispuut Sola Scriptura (CSFR) schreef ik een bijdrage over ‘Christen op Twitter’. Gepubliceerd in Caroline Quint e.a. (red.), Nothing Personal. Van verkenning van jezelf tot verbinding met de ander, Lustrumbundel Sola Scriptura, [z.p.], 2011, 54-59.
Met toestemming van Sola Scriptura (waarvoor dank) neem ik de bijdrage hier over, met de kanttekening dat de bijdrage een tikkeltje gedateerd is: het RD is tegenwoordig, als ik me niet vergis, lang zo negatief niet meer over social media.
CHRISTEN OP TWITTER
Hoe ga je als christen om met social media als Twitter en Facebook? Ga je er wel mee om, of kun je social media maar beter links laten liggen? Als predikant en twitteraar draag ik graag een steentje bij aan de bezinning. Eerst wat algemene observaties bij social media, dan een toespitsing naar gebruik van social media door christenen.[1]
Bezint eer gij begint.
Voor de enkele lezer (zijn ze er nog?) die niet weet wat social media zijn: je deelt via kleinere of grotere berichten en foto’s (status updates of tweets) mee wat je mee wilt delen, in beginsel aan de hele wereld. Via Facebook kan dat uitgebreid en met foto’s of video’s; Twitter is wat spartaanser: beperkt tot 140 tekens per tweet.[2] In het begin is dat best vreemd, maar als je bedenkt wat voor soort berichten jij graag van anderen leest, kom je in de buurt van wat je zelf zou kunnen twitteren. Dus: een gehaald tentamen, maar niet voor de vierde keer op een dag dat je donut eet (dat moet je natuurlijk niet doen, maar je moet het zeker niet twitteren).
Voor wie het nog niet wist: het internet vergeet niet. Ook al verwijder je de tweet, hij (of is een tweet vrouwelijk? Zou zo maar kunnen) blijft vaak nog wel te vinden. Bedenk voor je ‘zomaar’ wat schrijft, dat het voor iedereen zichtbaar is. Is dan de lol er af? Je kunt natuurlijk een ‘slotje’ op je account zetten, waardoor je tweets alleen te lezen zijn voor gebruikers die jij daarvoor toestemming geeft – maar als deze mensen ‘m retweeten, helpt dat nog niet.
Positief
Waarom zou je dan eigenlijk aan social media beginnen? Meldt de calvinistische inborst zich niet luid: ‘wat héb je er eigenlijk aan?’ Laat me een aantal pluspunten noemen:

  1. Netwerk. Het is een stuk eenvoudiger om een groter netwerk te onderhouden. Met oud-jaargenoten heb ik weer contact via Twitter. Dit zou zonder social media niet gelukt zijn. Let wel: dit komt dus niet in de plaats van normaal contact maar in plaats van geen of nauwelijks contact. Daarnaast kun je meeleven met de dagelijkse beslommeringen van een zendeling in Azië, bijvoorbeeld. Ook kan een dergelijk netwerk handig zijn om op de hoogte te blijven van vacatures.
  2. Informatie krijgen. De hashtag #durftevragen of #dtv is erg handig voor tal van vragen: naar een pannenkoekrestaurant tussen Utrecht en Arnhem, naar een naam waar je niet op kunt komt, of iemand ervaring heeft fotocamera’s van dat merk, enzovoorts. Dat levert geregeld echt wat op: zonder Twitter had ik een van de fondsen die mijn proefschrift sponsorden, gemist – en een aanzienlijk bedrag.
  3. Contact en doorgeven. Niet voor niets spreken we van social media: om mee te doen moet je ook meedoen: zelf ook wat schrijven, meegeven, delen. Of hebben christenen niets mee te delen op Twitter? Niet enkel Bijbelteksten of citaten van C.S. Lewis, maar ook praktisch christelijk leven, zonder dat het er duimendik bovenop ligt.

Ja maar
Er zijn ook andere kanten aan social media. Dat privacy een probleem is bij Facebook, is bekend; niet voor niets zet oprichter Mark Zuckerberg nauwelijks wat op zijn FB-pagina. Je kúnt erg veel tijd verliezen aan eindeloos twitteren en facebooken. Maar ja, als je die sites niet had, zat je wel anderszins nutteloos te internetten, als je je op dit punt niet kunt beheersen. Er zijn serieuzere negatieve kanten, die nu juist voor een christen een nieuwe uitdaging kunnen bieden.
Exhibitionisme en narcisme
Is het niet heel erg vreemd om allerlei persoonlijke dingen te delen met zogenaamde ‘vrienden’ (FB) of ‘volgers’ (Twitter)? Alsof je zo’n interessant leven hebt. Eerlijk gezegd denk ik dat de verhalen over ‘facebookdepressie’ bij jongeren die zich spiegelen aan de interessante en mooie levens van anderen,[3] een tikkeltje overdreven zijn (in het pastoraat kom ik deze mensen nog niet tegen). Maar toch: je schrijft het niet zo snel als het niet zo lekker ging, als je je om welke reden dan ook wat minder geweldig voelt – en de foto’s van gemeenteleden op Facebook zijn nogal eens flatterend te noemen. ‘Kijk eens hoe geweldig ik ben!’ En als je dan toch eens wat vervelends twittert, is dat niet om toch wat steun te krijgen (‘kom op’, ‘hou vol!’)?
Hoe kun je je op dit punt als christen onderscheiden? Door niet jezelf te presenteren als de meest bijzondere persoon op aarde, maar door afstand te nemen van dit hedendaags narcisme door des te meer Jezus Christus na te volgen. Het gaat niet om mij, het gaat om Hem. Zonder dat dat in elke tweet of statusupdate met zo veel woorden geschreven wordt: zoiets stempelt je hele leven.
Intiem kapitaal
In het essay voor de maand van de filosofie 2011, getiteld Echte vrienden,[4] schrijft Stine Jensen veel wat overeenkomt met wat ik hierboven schreef. Jensens essay, over ‘Intimiteit in tijden van Facebook, GeenStijl en Wikileaks’, legt – geheel in overeenstemming met wat ik hierboven schreef – de vinger bij het narcisme van de sociale media. Er is op Facebook geen ‘vind ik niet leuk’-knop: je kunt alles alleen maar leuk vinden. Daarnaast wijst Jensen het onrustige denken, het springerige en de ‘onelinerigheid’ (28) als problemen aan. Bijzonder treffend legt ze er de vinger bij dat de populariteit van social media past in de trend om journalistiek vooral als ‘human interest’ te presenteren: op zoek naar de mens achter het nieuws. Politici maken daar handig gebruik van (ga maar eens na wat je allemaal van premier Mark Rutte weet: zijn oude Saab, zijn moeder, zijn vriend Jort Kelder enzovoorts; wat weet je eigenlijk van voorganger premier Wim Kok?).
Maar het grootste probleem van de sociale media ligt volgens Jensen op het gebied van het ‘intiem kapitaal’, een term afgeleid van het gedachtegoed van de Franse socioloog Pierre Bourdieu. Onder intiem kapitaal verstaat Jensen alles wat betrekking heeft op waardevolle persoonlijke informatie (14), ofwel ‘verhandelbare privacy.’ (15). Geheel vrijwillig geven wij steeds meer van dit intiem kapitaal prijs. Daaraan kleven bezwaren op het gebied van privacy en dergelijke (bedrijven verzamelen deze gegevens om er analyses op los te laten), maar belangrijker nog: doordat je zo veel deelt met zo veel ‘vrienden,’ worden die ‘vriendschappen’ steeds minder waard. De wederkerigheid ontbreekt ook vaak. Waar een echte vriend daarin een vriend is, dat hij je de waarheid durft te zeggen en een spiegel voorhoudt, desnoods genadeloos, is dat op social media niet voorhanden.
Nu zou je Stine Jensen gemakkelijk voor kunnen houden dat al die ‘vrienden’ op Facebook niet ten kosten hoeven gaan van échte vriendschappen met echte vrienden. Wie social media ziet als een vervanging van diepgravend persoonlijk contact, komt bedrogen uit. Ze zijn uitermate geschikt voor de wat mindergravende contacten, die je anders niet zou onderhouden. Je moet Twitter en Facebook niet zien als vervanging van een gesprek met een goede vriend, maar als gesprekken die je voert bij de koffieautomaat: soms nuttig en diepgaand, soms helemaal niet.
Christelijk twitteren?
Wat betekent dit nu specifiek voor een christen op Twitter of Facebook? Als deze social media inderdaad te vergelijken zijn met een gesprek bij een koffieautomaat, dan lijkt er niets specifieks christelijks aan te zijn. Zoals het lastig is om een typisch christelijk gebruik te maken van, in omgekeerde chronologische orde, e-mail, de telefoon, de brief en de telegraaf – afgezien van de inhoud, natuurlijk. Zijn de social media niet gewoon een nieuw medium waar we niet al te diepzinnig over moeten doen, maar die we gewoon in vrijheid en met voorzichtigheid kunnen gebruiken? Iets van die ontspannenheid zou mij wel welkom zijn; de vrij negatieve toon van het Reformatorisch Dagblad over Twitter en Facebook mag wat mij betreft getemperd worden – wel grappig dat de krant zelf en haar journalisten tamelijk actief zijn op Facebook en Twitter.[5]
Toch zijn er volgens mij wel enkele specifiek christelijke aandachtspunten bij gebruik van social media. Ik noem er drie.
 1. Tegen het narcisme de eenvoud. Hierboven schreef ik al een statement tegen het narcisme dat vaak inherent lijkt aan sociale media. Volgens mij hoeft het niet narcistisch te worden – het narcisme zit in heel onze cultuur, en je damt het niet in door je maar ver te houden van sociale media. Het kan zelfs een oefening zijn in er niet mee gaan. Daarnaast kunnen sociale media dienstbaar zijn om oog te hebben voor elkaar. Goed, er zitten haken en ogen aan, maar het kan wel het begin zijn van een dieper gaand contact. Meerdere keren heb ik uitgebreide e-mailwisselingen gehad met mensen die mij voorheen onbekend waren, maar die ik via Twitter had leren ‘kennen.’ Voor een predikant een mooie gelegenheid om in gesprek te raken met volstrekt seculiere mensen.
 2. Echt intiem kapitaal. Jensen schrijft dat echt intiem kapitaal uiteindelijk niet datgene is dat je zomaar met iedereen deelt, maar ‘de kwelgeesten uit de darkroom van je hersenpan.’ (80) Je karakter dus, met alle onhebbelijkheden van dien. Wie met dat alles, met zijn of haar – het hoge woord moet er maar uit – zonde en gebreken leeft van de genade van Jezus Christus, die wordt een nieuw mens. Dáár valt dan toch ook van uit te delen. Van wat je leest, ervaart van God: dat is toch intiem kapitaal dat het waard is gedeeld te worden? Geheel in lijn met de ontwikkeling van onze cultuur wordt de seculiere medemens niet zo gemakkelijk bereikt met een direct evangelisatorisch verhaal. Maar een opmerking over wat iemand persoonlijk aan zijn of haar geloof heeft zou iemand ten minste geïnteresseerd kunnen maken – ik heb een aantal van dat soort ervaringen gehad. Uiteraard treedt hier de paradox van de authenticiteit in werking: het is zo zeer van belang om écht authentiek over te komen, dat we ons best doen om authentiek over te komen, wat dan weer niet echt authentiek is.
3. Gezond wantrouwen. Voor een christen hoeft het geen verrassing te zijn dat onze privacy onder druk staat en dat gegevens die Google, of de overheid, of welke instantie dan ook, verzamelt, gebruikt worden voor doeleinden die niet altijd even nobel zijn. We belijden dat mensen van nature zondaren zijn, laten we dan ook van social media gebruik maken met die wetenschap. Dat maakt je voorzichtig in wat je schrijft en niet schrijft. Niet alle vrienden kun je vertrouwen als die Ene.
Dr. A. Huijgen, Genemuiden


[1] Waarschuwing vooraf: er zullen veel Engelse termen gebruikt worden in dit artikel. Wie zich terminologisch wil oriënteren, doe dat – om in stijl te blijven – via Google.
[2] Sommigen smokkelen via www.twitlonger.com, maar doorgewinterde twitteraars beschouwen dat over het algemeen als valsspelen.
[4] Stine Jensen, Intimiteit in tijden van Facebook, GeenStijl en WikiLeaks, Lemniscaat 2011.
[5] http://www.facebook.com/refdag en http://twitter.com/#!/refdag ; om redenen van privacy (kuch) laat ik de verwijzingen naar journalisten van het RD weg.

Zürich: doopvont en avondmaalstafel

Gisteren sprak ik een meditatie uit tijdens het bezinningsuur voor het Heilig Avondmaal, komende week. Ik vertelde ook over wat ik in Zürich in de Grossmünster zag: de (kleine) Avondmaalstafel bovenop de (ruim uitgevallen) doopvont. Prachtige symboliek: de verbondenheid van Doop en Avondmaal: het Avondmaal onderstreept wat in de Doop al wordt beloofd. Ik bleek er nog een foto van te hebben:
 

Bidden of vasten?

Vandaag vallen ze samen: voor protestanten de biddag voor gewas en arbeid, voor rooms-katholieken Aswoensdag, het begin van de vastentijd. Langs de lijnen ‘bidden’ of ‘vasten’ zou je dus protestants en rooms-katholiek kunnen indelen? Zo simpel ligt het niet. Een groeiend aantal protestanten (volgens dit artikel vooral jongeren) zoekt actief naar een invulling van de vastentijd. Vaak gebeurt dat in de vorm van een gedeeltelijk je onthouden van genotsmiddelen, zoals alcohol of zoetigheid.
Graag voeg ik aan de overwegingen drie punten toe.
Ten eerste: bidden en vasten sluiten elkaar niet uit, maar in. In de Bijbel gaan bidden en vasten vaak samen op, en dient het vasten de concentratie op het gebed (2 Kron. 20:3, Neh. 1:4, en let op de manier waarop het vasten in de Bergrede direct na het bidden wordt behandeld, Matth. 6:16-18). Ook in de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme heeft het vasten ook wel degelijk een plaats. Ik haal hier enkel Calvijn aan (er zou meer te noemen zijn). Calvijn:

Het heilige en wettige vasten heeft drie doeleinden. We gebruiken het namelijk ofwel om het vlees af te matten en te onderwerpen, zodat het zich niet te buiten gaat, ofwel om beter toegerust te zijn voor het gebed en heilige overdenkingen, ofwel als blijk van onze verootmoediging voor God, wanneer we onze schuld voor Hem willen belijden. […] Om verwarring over de benaming te voorkomen moeten we nader bepalen wat vasten is. Wij vatten het hier namelijk niet op als een terughoudendheid en spaarzaamheid in eten en drinken zonder meer, maar als iets anders. Het leven van vromen dient inderdaad gestempeld te zijn door matigheid en soberheid, zodat het gedurende de hele loop ervan zoveel mogelijk door een soort van vasten gekenmerkt wordt. Maar daarnaast is er nog het tijdelijke vasten, waarin we iets meer terughoudendheid betrachten dan we in het gewone leven gewend zijn, gedurende een dag of voor een bepaalde tijd, en onszelf meer en strenger beperkingen opleggen ten aanzien van het gewone eten. (Inst. 4.12.14, 18)

Wel waarschuwt Calvijn dat het om het hart gaat, meer dan om het uiterlijk vasten; we moeten niet denken dat we er iets mee verdienen. Hij noemt de veertigdaagse vasten een bijgelovige praktijk, met name omdat men enerzijds wettisch en strikt is, maar anderzijds het lekkerste eten tijdens de vasten nuttigt (Inst. 4.12.19, 20).
Ten tweede. Belangrijker dan de manier die je kiest, lijkt mij het doel. De vastentijd (wij protestanten zeggen: lijdenstijd) bepaalt ons bij het lijden en sterven van Jezus Christus. Voor mij kan een invulling van de lijdenstijd in de zin van vasten vooral nuttig zijn om me dáárop te concentreren. Met andere woorden: zoals ik bij het eerste punt stelde dat bij gebed het vasten een plek heeft, zo zou ik anderzijds willen stellen dat de vastentijd vraagt om gebed. Anders wordt het maar een soort ascese die weinig nut heeft (1 Tim. 4:8).
Ten derde. De vrucht van de Geest (Gal. 5:22) is ook: matigheid (vergelijk Rom. 12:3, 1 Tim 2:15; 2 Petrus 1:6). Het is een krachtig christelijk getuigenis in onze tijd als we weten genoeg te hebben (1 Tim. 6), zonder in mateloosheid te vervallen. Velen worden gedreven door de zucht naar eten, drinken, roem, geld of wat ook. Ongemerkt kun je daarin worden meegenomen. De lijdenstijd/vastentijd kan dienen om jezelf daarop te onderzoeken, je te verootmoedigen, en door Gods genade te bekeren. Daarbij klinkt de waarschuwing van Calvijn wel door: dit moet niet beperkt worden tot de veertig dagen, dan kan zelfs het vasten tot bijgeloof worden.
Voor wie verder lezen wil: Calvijn, Institutie, boek 4, hoofdstuk 12, paragraaf 14-20; John Piper, Honger naar God.

Predikant en politiek

Aristoteles noemde de mens een sociaal wezen (Grieks: zooion politikon) – met enige overdrijving zou je dat kunnen vertalen als ‘een politiek dier’. In hoeverre kun je je als predikant politiek engageren? Een vraag voor P&P, zo vlak voor de verkiezingen.
In het bijzonder nuttige boek van Jacques Schenderling over beroepsethiek van pastores vinden we dat een pastor wel zich in zekere mate politiek kan engageren door lidmaatschap van een politieke partij, maar niet door zitting te nemen in bijvoorbeeld een gemeenteraad. Het expliciete lidmaatschap van een politieke partij is volgens mij ook niet altijd verstandig. Zeker wanneer de politieke voorkeur nogal extreem is, of sterk afwijkend van de voorkeur van een belangrijk deel van de kerkelijke gemeente die de pastor dient, dienen we als pastores terughoudend te zijn. Al te snel wordt de politieke voorkeur een issue waardoor het pastorale contact belast of zelfs onmogelijk raakt.
Een pastor die een voorkeur heeft voor de PVV, de Partij voor de Dieren, of de Piratenpartij, kan in de meeste kerkelijke contexten die voorkeur dus maar beter voor zich houden. Zelfs geldt dat naar mijn indruk voor een CU stemmende predikant in een gemeente waar het merendeel CU stemt, en een aanzienlijke minderheid SGP. Over dat laatste valt te twisten, maar persoonlijk kies ik er graag voor mijn pastoraat op geen enkele wijze met politieke stellingname te belasten.
In de huidige tijd waarin predikanten (althans sommige) hoe langer hoe meer ‘aanraakbaar’ worden, en door participatie in sociale media als Twitter zich ook steeds meer mengen in allerlei gesprekken die slechts indirect aan hun ambtelijke verantwoordelijkheid raken, wordt dit alles steeds ingewikkelder. Laatst merkte iemand al op dat hij me miste zodra er over conservatisme werd gediscussieerd. Soms jeuken mijn vingers, maar terughoudendheid lijkt me verstandiger.
Er zijn tal van collega’s die andere keuzes maken: hetzij door zich verkiesbaar te laten stellen voor de Tweede Kamer, hetzij door zich in het openbaar uit te spreken voor een bepaalde partij, of door via Twitter of weblog een steentje bij te dragen aan de politiek. Benieuwd wat de lezers van dit weblog vinden. Laat het weten in de comments!