Refoveilingen

Mijn column in het RD van 7 mei.
Op Vakantieveilingen.nl worden vakanties geveild. Duidelijk. Onder het motto ‘Altijd wat te doen’ is er wel een bepaalde vervaging opgetreden: het gaat niet alleen om vakanties, maar ook om etentjes, uitjes en wat dies meer zij. Kennelijk moet je ‘vakanties’ ruim opvatten.
Maar als Vakantieveilingen hoofdzakelijk vakanties veilt, wat kun je dan van Refoveilingen.nl verwachten? Is het nu al zo ver dat refo’s bij opbod worden verkocht? Toch niet. Het gaat niet om veilingen ván, maar om veilingen vóór refo’s. Reformatorische bedrijven en klanten kunnen namelijk bij de gewone veilingsites niet terecht, zo legde de initatiefnemer uit in Trouw. Je neemt immers nogal een risico als je meebiedt op een etentje en ter plekke tot de ontdekking komt dat je het restaurant toch niet verantwoord vindt, vanwege de muziek. Dat geldt zeker als er kinderen bij zijn.
Maar ja, is dat niet juist het aardige van zo’n veiling: dat je iets onverwachts kunt tegenkomen? Natuurlijk kan het ook tegenvallen, maar dat is de keerzijde van de charme van de verrassing. En je moet toch wel tamelijk wereldvreemd zijn om niet ongeveer de sfeer van een gelegenheid te kunnen inschatten. Nu kun je dus gegarandeerd in een ‘verantwoorde sfeer’ terecht komen. Benieuwd of je je geld ook terugkrijgt als er onverhoopt toch… ja, wat precies gebeurt? En wie dat wilde, kon toch al naar de bekende refo-eetgelegenheden, campings en dergelijke?
Natuurlijk is het gewoon een kwestie van de markt, van vraag en aanbod bij elkaar brengen. Slim. De economie kan wel wat refo gebruiken.
Toch word ik eerder verdrietig dan vrolijk van deze omgekeerde gettovorming. Niet eens omdat ook op refoveilingen met een gezinskaartje maximaal vier kinderen beschermd kunnen worden tegen kwade invloeden. Maar vooral omdat de terugtrekkende beweging en het organiseren van je eigen segregatie zo ver af staat van de inhoud van het reformatorische geloof. Uit het Nieuwe Testament krijg je de indruk dat christenen zich juist mengden onder niet-christenen. Ze hadden namelijk goed nieuws, het Evangelie, dat ze wilden delen. Ze hoefden hun uitsluiting dan ook niet zelf te organiseren; dat deden anderen wel voor hen.
Op het moment dat ik dit schrijf, is de ‘refoveiling van de dag’ een verblijf in een stacaravan of safaritent op camping ’t Beloofde Land. Je verzint het niet. Natuurlijk gaan we niet echt op safari, maar we doen een beetje alsof, in een tent. En het beloofde land, dat vindt de ware refo op de camping. Hopelijk is de tent genoeg verankerd, anders waait het hele spul misschien nog wel weg. En wat blijft er dan over?

Sociale media in de kerk

Sociale media in de kerk

Lezing bijeenkomst “Sociale media in kerk en gezin”, Erdee, 19 april, 14–17 uur

Dames en heren,
Sociale media en de kerk lijken niet direct een logische combinatie. Waar sociale media pas enkel jaren bestaan, is de kerk al eeuwen onder ons. Past het vluchtige karakter van sociale media wel bij de kerk van Jezus Christus? Of moet je het anders zien en bieden deze media juist allerlei kansen? Die vragen gaan we vanmiddag kort verkennen.

Bestandsopname

Laten we eerst maar eens kijken naar wat er feitelijk gebeurt op het terrein van kerk en sociale media–overigens zonder de pretentie een volledig overzicht te geven. Er zijn tal van kerkelijke initiatieven op de sociale media, die vaak het karakter van pionieren dragen. De PKN heeft een speciale pastor voor de sociale media aangesteld, Social Missie wil(de) een platform zijn voor dit soort vragen. Maar eerlijk gezegd dat we meer geholpen zijn met een voorbeeld dichterbij huis.
Ik heb eens op een rijtje gezet op welke manieren sociale media feitelijk worden gebruikt binnen de gemeente die ik dien, en uiteraard ook door mijzelf. Zomaar enkele voorbeelden om er even een gevoel bij te krijgen.
Eens in de vijf à zes weken voer ik een Skypegesprek met een zendingsechtpaar dat voor de MAF in Arnhemland, Australië, zit. Het heeft echt toegevoegde waarde dat we elkaar in de ogen kunnen kijken. Het is een pastoraal gesprek, dat we samen ook afsluiten met gebed.
Toen ik een keer ziek was en op het laatste moment de catechisatie moest afzeggen, wist ik de meeste jongeren snel te bereiken via Twitter en vooral via WhatsApp.
Bijzonder veel jongeren van de gemeente zitten op Facebook; een kleine minderheid niet. Voor mij biedt Facebook de gelegenheid om een beetje te volgen waar ze zoal mee bezig zijn, en om op een makkelijke manier contact te houden, bijvoorbeeld met studenten, die uit de aard der zaak vaak elders verblijven. Ik reageer op wat zij schrijven of foto’s die ze plaatsen – en zij doen dat bij mij. Is dat een pastoraal contact? Het werkt in ieder geval drempelverlagend voor het pastorale contact, dus het staat zeker in een pastorale context.
Een aardig voorbeeld: afgelopen week hadden we het op de belijdeniscatechisatie over het belang van het aanleren van goede routines, structuren en gewoonten, zodat het vanzelfsprekend wordt. Als voorbeeld noemde ik dat je tandenpoetsen ’s avonds ook niet vergeet. Ze zouden bij het tandenpoetsen nog wel aan de geleerde les denken. Prompt zag ik ’s avonds op Facebook een catechisant een foto van zijn tandenborstel plaatsen.
Ander voorbeeld. Via de chatfunctie van Facebook krijg ik geregeld persoonlijke vragen. Na de catechisatie, bijvoorbeeld. Iemand die nog even terugkomt op wat hij tijdens de catechisatie zei. Maar ook mensen van buiten de eigen gemeente die me weten te vinden met bepaalde vragen. Via Twitter is het niet anders. Verschillende keren kwam het al tot een evangeliserende e-mailwisseling, verrassend genoeg nogal eens met mensen die wel op een bepaalde manier kerkelijk waren opgevoed, maar van de kerk vervreemd waren geraakt. Het paste helemaal niet in hun beeld dat je een dominee ook op Twitter of Facebook kunt tegenkomen. Les extrèmes se touchent, want tal van reformatorische mensen zullen dat met ze eens zijn: een dominee hoort toch niet op Facebook? Maar waarom eigenlijk niet? Misschien wel omdat hij dan een gewoon mens van vlees en bloed lijkt te worden, te dichtbij komt als persoon misschien? Misschien dat wel goed en hebben we ambtsdragers te veel op afstand geplaatst? In ieder geval biedt Twitter mij de mogelijkheid om aan gesprekken en discussies deel te nemen zonder dat direct als “de dominee” te doen, en dat helpt om meer te verstaan van de wereld waarin wij allemaal leven.
Een laatste voorbeeld. Wij hebben ook een Facebookgroep van de kerk: een afgeschermde ruimte waarin enkel gemeenteleden worden toegelaten en waarin we dingen kunnen delen van de gemeente. Eerlijk gezegd heb ik die groep zelf aangemaakt, maar het is geen succes. Want de dingen die gedeeld kunnen worden zijn vaak simpelweg openbaar (een zangavond of thema-avond bijvoorbeeld), ofwel het gaat om informatie die de hele gemeente moet weten (en dan is het kerkblad beter, om de Facebookers geen informatievoorsprong te geven). Dan zijn er nog de meer gevoelige kwesties in de gemeente (ook bekend als ‘discussiepunten’), en ik hoop toch echt dat die niet tot een vurige discussie op Facebook leiden. Die groep beschouw ik dus niet als een succes, al hoorde ik van een collega die de groep gebruikte voor een bijbelleesrooster in de lijdenstijd. Hij postte het bijbelgedeelte voor die dag, en gemeenteleden konden meditatieve gedachten delen. Dat kan iets heel kostbaars zijn.
Dit zijn zo maar enkele voorbeelden uit de kerkelijke praktijk van een traditionele gemeente die graag een schriftuurlijk-bevindelijke preek hoort. Natuurlijk is niet iedereen bij dit soort initiatieven betrokken, en dat hoeft ook niet. Maar feitelijk is er van alles aan de gang. En als kerken en ambtsdragers er niet ten minste oog voor hebben, gaat het zonder kerken en ambtsdragers allemaal gewoon verder. Dan kunnen we alles handhaven zoals het altijd is geweest, maar de ontwikkelingen gaan intussen verder, zonder ons.
Betekent dat nu dat elke ambtsdrager direct moet gaan twitteren? Nee, niet iedereen vindt het aardig – en als je het niet aardig vindt, gaat het eenvoudigweg niet werken.
Maar daarmee zijn we eigenlijk al bij de bespreking van de mogelijkheden die er liggen. Daar wil ik nu mee beginnen.

Kansen

Nu is ‘kansen’ een woord dat we in kerkelijke kring niet graag gebruiken. We kunnen het anders zeggen en vragen of de Heere hier mogelijk wegen opent, die we mogen gaan?
Een eenvoudig maar zeer principieel vertrekpunt is dat de kerk geroepen is om mensen te bereiken. Zo zei althans de Opgestane Jezus Christus het vlak voor Zijn hemelvaart:

Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.

Overal waar de mensen zijn, zou de kerk op zijn minst moeten overwegen om te zijn, om iets door te geven, op welke manier dan ook, van het Evangelie. Tenzij de middelen op zichzelf ongeoorloofd zijn, natuurlijk. Maar we moeten niet te snel zeggen van middelen die we niet kennen, dat ze niet geoorloofd zijn.
Nog afgezien van de presentie op sociale media, ben ik van mening dat elke kerk een website zou moeten hebben. Desnoods heel eenvoudig, met enkel maar wat informatie over de diensten en wat contactinformatie. Het maakt dat je gevonden kunt worden door mensen die op zoek zijn. De kerk staat immers ook in het telefoonboek en in een gids van de burgerlijke gemeente, waarin ook allerlei ándere instanties te vinden zijn, waar u op zich niet graag mee geassocieerd wilt worden.
Er groeit een generatie op voor wie alles wat niet online te vinden is, nauwelijks bestaat. Wat mensen ook willen weten of waar ze ook naartoe willen, het begint vaak bij Google. Waarom zouden we niet een eenvoudig digitaal uithangbord maken, genaamd website? Waarom spenderen we veel tijd en energie aan evangelisatie, terwijl de allereenvoudigste website in een avond in elkaar gezet kan worden en € 25 per jaar kost. En is een website nu per se zoveel ongepaster dan een vermelding in het telefoonboek of in het Reformatorisch Dagblad?
Maar nu ter zake: sociale media. Waarom zouden ambtsdragers er aan meedoen? Ik noem een aantal redenen.

1. Het is leuk

Dat klinkt natuurlijk niet zo goed, want wij zijn vaak heel serieus. Er zijn wel leuke dingen die zijn toegestaan, maar dingen doen enkel omdat het aardig is – dat klinkt toch wel heel oppervlakkig en misschien wel ongeestelijk.
Met die benadering geven we eigenlijk die jongeren gelijk, die zeggen: van de kerk mag je eigenlijk niks. Als je een fijn leven wilt hebben, moet je niet bij de kerk zijn, want daar mag dit niet en dat niet.
Nu gaat het er ook niet om dat we enkel aan sociale media doen omdat het aardig is. Contacten zijn per definitie dienstbaar. Elk contact, ook het minste, met een jongere die we anders niet bereiken, is waardevol.
Maar het is ook aardig om contacten te leggen en te onderhouden via de sociale media. Soms kost het even om dat te ontdekken, want in het begin is het allemaal een beetje onwennig. Maar als je het niet binnen afzienbare tijd aardig gaat vinden, kun je er maar beter weer mee stoppen. Dan heeft het niet zo veel zin. Natuurlijk, er zijn nog andere redenen waarom het een kans is, maar die werken alleen als je er zelf aardigheid in hebt om mee te doen.

2. Informeren & communiceren

Via de sociale media krijg je toegang tot veel meer informatie. Nu komt er al veel informatie op ons allemaal af, en dus is het nodig te filteren. Dat nu kan heel goed, door te selecteren wie je volgt en wanneer je je met sociale media bezighoudt. Ik pleit er absoluut niet voor dat we altijd maar online zijn en elk moment van de dag met elkaar communiceren. Integendeel! Het is goed om daarin maat te houden. Misschien kunt u daarin wel een voorbeeldfiguur voor jongeren zijn?
Ontegenzeglijk bieden Twitter en Facebook toegang tot meer informatie. Wat mij betreft laten we direct de hyperigheid links liggen, en hebben we het over informatie van gemeenteleden: waar houden ze zich mee bezig, wat speelt er in hun leven? Misschien is het voor sommigen van u moeilijk voor te stellen, maar meer dan eens kom ik er via Facebook achter dat iemand in het ziekenhuis ligt – vaak met iets niet zo ernstigs, maar je hebt er draadloos internet, en dan zetten mensen iets op Facebook. Soms dagelijks, hoe het met hen gaat. Een kort berichtje in reactie doet de zieke echt goed. Stel je maar eens voor dat je er zelf ligt en je merkt dat er mensen aan je denken. Desnoods vraag je via de chatfunctie nog even door of maak je een afspraak over wanneer bezoek het beste zou schikken. Want ook in ziekenhuizen is het niet meer zo dat alle deuren automatische openzwaaien voor de pastor (maar dat is een ander thema).
Facebook kan dus echt een functie vervullen in de pastorale aandacht. Niet ter vervanging van het pastorale gesprek, al vinden jongeren het vaak veel makkelijker om open en eerlijk hun gedachten te uiten via e-mail of Facebook dan in een gesprek. Dat is geen ontwikkeling waar ik blij mee ben: veel mensen (met name jongeren, maar zij niet alleen) vinden het veel veiliger om via een scherm te communiceren dan face to face. Bellen is al eng (daarom bellen ze ook niet meer, met een internetbundel op hun mobiel zijn ze al tevreden) en een e-mail is zo formeel. Door die terugtrekkende beweging verschraalt het contact, omdat je veel non-verbale aspecten van communicatie mist. Maar als een jongeren nu eenmaal makkelijker levensvragen mailt dan uitspreekt in een gesprek, waarom zouden we daar geen ruimte voor geven?
Natuurlijk is het contact en de informatie niet beperkt tot gemeenteleden. Het is bijvoorbeeld mogelijk om zendelingen te volgen in hun werk. Heel boeiend. Door de concrete, dagdagelijkse details van het leven van een zendeling (welk eng beest loopt er nu weer in zijn huis? Wat voor bizar verhaal heeft hij nu weer? Zie die foto eens!), komt zijn werk ook dichterbij. Zo werkt het nu eenmaal in onze tijd: mensen worden bereikbaarder doordat ook de kleine dingen van hun levens gedeeld worden.
Een bijkomend effect als je zelf gaat twitteren en facebooken, is dat je als ambtsdrager snel dichterbij de mensen komt. Of, preciezer: de persoon van de ambtsdrager gaat minder achter zijn ambt schuil. Het wordt duidelijker voor catechisanten dat ambtsdragers ook mensen van vlees en bloed zijn. Dat wist u al en ik wist het ook al wat langer, maar jongeren (en soms ook ouderen) zien de dominee nog steeds als een wat merkwaardig verschijnsel, totaal anders dan andere mensen. Let wel: dit gaat niet over de afbraak van gezag, maar wel over een andere vorm van gezag. Gezag dat niet alleen met afstand te maken heeft, maar vooral met authenticiteit. Dat is hoe dan ook een verschuiving die je in onze tijd ziet plaatsvinden, of we het nu prettig vinden of niet: formele instanties en formele vormen van gedrag verdwijnen naar de achtergrond. Waar ze nog zijn, worden ze in hoog tempo minder relevant. Nieuwe vormen van gezag kunnen ook wel die formele component hebben, maar dragend is meestal een vorm van authenticiteit. Dat klinkt misschien eng, maar is het eigenlijk niet terecht dat jongeren willen merken dat die ambtsdrager niet maar wat zegt omdat hij nu eenmaal een formele positie heeft, maar dat er ook een hart achter zit en een levenspraktijk bij komt die er mee spoort – met alle worstelingen van dien?
Ik moet er wel eerlijk bij zeggen dat als in de catechisatie en in alle contacten meer nadruk valt op het communicatieve en authentieke, dat ook waarschijnlijk een effect zal hebben op de prediking en op de manier waarop mensen naar de prediking luisteren. Wordt er een waarheid over mij uitgeroepen, of wordt er echt gecommuniceerd, word ik opgezocht in mijn eigenheid als mens, door een predikant die ook maar een mens is? Volgens mij hoeft dat geen verlies te zijn, maar kan het integendeel winst zijn. Het voert te ver om de hele preekkunde er bij te halen, maar de apostelen spraken hun hoorders ook direct aan. Augustinus communiceerde met zijn hoorders en ging in op hun vragen en tegenwerpingen tijdens de preek.
Hier breken we dit punt af, en we gaan een stap verder. In het verlengde van het communiceren ligt het toerusten.

3. Toerusten

Om jongeren te kunnen toerusten in mediagebruik, helpt het als u niet alleen aan de kant staat en wat aanwijzingen geeft, maar als u zelf ook weet wat het is. U krijgt een tweetal prachtige brochures mee, maar die zijn eigenlijk nog maar het begin. Want bij opvoeding hoort ook dat je met kinderen en jongeren mee oploopt, begrip voor hen hebt, en ze opvangt als ze eens hun neus hebben gestoten.
Toerusten gaat het beste als je ook deelgenoot bent. Als ik niet twitterde en geen facebookaccount had, stond ik hier waarschijnlijk niet op deze toerustende bijeenkomst. Dus ik ben het levende bewijs hoeveel tijd sociale media wel kosten: soms gaat er een complete middag mee heen…
Wat betekent dat nu concreet? Misschien kunt u op de jeugdvereniging eens een paar facebookprofielen opzoeken van deelnemende jongeren. Laat ze daar zelf eens over in gesprek raken. Dat vraagt fijngevoeligheid, want jongeren tonen soms heel kwetsbare kanten van zichzelf. Of ze zetten iets neer waar ze juist heel onzeker in zijn en waarin ze bevestiging zoeken. Prachtige foto’s van hun belevenissen en van zichzelf. Vaak zien ze er op Facebook nóg mooier uit dan in het echt.
Als je jongeren zo met elkaar in gesprek kunt krijgen en zelf ervaringen kunt delen van het gebruik van sociale media, ga je van elkaar leren. Je kunt bij elkaar te biecht. Die ander heeft ook wel eens spijt gehad van iets wat ze schreef of deed. De banden die zo worden gelegd, zijn geweldig waardevol.

Bedreigingen

Nu is dit niet enkel een juichend verhaal over de onbegrensde mogelijkheden van sociale media. Er zijn ook bedreigingen. Het maakt wel verschil hoe we die bedreigingen zien. Er zijn bedreigingen die zo groot zijn dat je ergens helemaal niet aan moet beginnen. Zo groot zijn de bedreigingen volgens mij niet. De bedreigingen die hier liggen zijn – als we ze eenmaal onderkennen – beheersbaar, ofwel het zijn bedreigingen die nu eenmaal met ons leven in de 21e eeuw gegeven zijn en waar we dus mee om moeten leren te gaan. De radio werd ooit ook een bedreiging gevonden – en dat is hij misschien ook wel, maar je leert er mee omgaan.

1. Ambtsgeheim

Uiteraard kunnen er via de sociale media geen details over pastorale bezoeken en contacten worden gedeeld. Geen weergave in de trant van “ik had net een gesprek over…”, zeker niet “net bij br. Zusenzo op bezoek geweest”. Persoonlijk deel ik compleet niets over pastorale contacten, ik meld het ook niet als op pastoraal bezoek ga. Niets!

2. Blijvend karakter

Veel jongeren realiseren zich niet dat Google nooit iets vergeet. Iets kan ver weg raken, en gelukkig klikken veel mensen niet verder door dan maximaal pagina 3 van de zoekresultaten. Maar toch: het gaat nooit weg. Als christenen hoeven we, als het goed is, daarvan niet te schrikken. We weten immers dat het veel belangrijker is dat alles eens openbaar wordt.

En er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden. Daarom, al wat gij in de duisternis gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden; en wat gij in het oor gesproken hebt, in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden. (Luk. 12:2–3).

En het heerlijke is dat er bij de Heere vergeving te vinden is. Wat Google nooit doet, doet de levende God wel: Hij vergeeft zo dat Hij de zonden van Zijn kinderen voor eeuwig vergeet.

3. Privacy

Een derde punt is privacy. Een bekend punt, want Facebook is vaak bekritiseerd om zijn privacy policy. Er is op internet een fameus interview met Mark Zuckerberg, de oprichter van Facebook, te vinden waar hij begint te zweten en stotteren als hem naar privacy gevraagd wordt.
Toch is het een punt waar weinig mensen wakker van liggen. “Ik doe toch geen gekke dingen?” Dat hangt er maar van af wat degene die toegang heeft tot je persoonlijke informatie, gekke of interessante dingen vindt. Er zijn genoeg vreemde, soms zelfs zieke, mensen op deze wereld, die echt niet op de hoogte hoeven te zijn van hoe mijn kinderen er uit zien, bijvoorbeeld. Geen foto’s van mijn kinderen op Facebook.
Deze hele discussie raakt aan een belangrijke culturele verschuiving. Juist in ons land (in Duitsland ligt dat totaal anders) zijn we erg geïnteresseerd in wat mensen in hun persoonlijk leven doen, in hun ‘intiem kapitaal’ (de term is van Stine Jensen). Dat wordt soms zelfs belangrijker dan de inhoud. Ga maar eens na wat u allemaal van premier Mark Rutte weet: de auto waarin hij rijdt (een oude Saab), informatie over zijn woning (een appartement, nietwaar?) en hoe weinig u op dit punt wist van bijvoorbeeld Wim Kok. Als het gaat om ideeën, is de verhouding misschien wel omgekeerd… Het persoonlijke is politiek geworden, en wordt ook politiek ingezet.
Het is goed dat we ons realiseren dat wat we met de wereld delen, voor altijd gedeeld is. Onafhankelijk van welke politieke verschuiving die er zich in de toekomst mogelijk nog voordoet, welke kwaadwillende van alles over ons willen weten. We moeten dat ook weer niet overdrijven en doen alsof zonder Facebook onze privacy gegarandeerd zou zijn. Via camera’s en informatie van mobiele telefoons, in combinatie met betalingsverkeer en eventueel telefoontaps, weet onze overheid van ons wat ze van ons wil weten. Nu is er bij de overheid, hopen we, nog sprake van enige controle. Maar om alles maar altijd met de hele wereld te delen? Liever niet.

4. Culturele druk

Een belangrijke bedreiging waaraan we ons niet kunnen onttrekken, misschien wel de belangrijkste, is de culturele druk waaronder we leven. De Canadese filosoof Charles Taylor heeft onze tijd getypeerd als “de tijd van authenticiteit”. Waar de moderne tijd gekenmerkt wordt door rationalisme, neemt in het postmodernisme de Romantiek de overhand. Kort en goed betekent dit dat we aan maximale zelfexpressie willen doen. Waar is wat goed voelt en wat past bij de eigen, unieke persoon. Wat we daar verder ook van vinden, het zit in de lucht, en het gaat zomaar niet weg.
De paradox van deze hang naar authenticiteit is dat het wel vrij klinkt, maar je moet er zelf dan ook flink wat van maken en daar ben je geheel alleen voor verantwoordelijk. Gij zult authentiek zijn is het enig overgebleven gebod voor de mens van onze tijd. Maar wanneer ben je nu echt authentiek? Veel mensen meten dat af aan populariteit. Hoe populairder, hoe beter. De hele vraag naar waarheid wordt al niet meer gesteld, want er is geen objectieve waarheid, er is enkele jouw persoonlijke waarheid. Nu ben je voor populariteit van anderen afhankelijkheid. Dat is een geweldige paradox, want niets is zo weinig authentiek als je authenticiteit ontlenen aan waardering door anderen. Maar zo werkt het wel.
Vandaar het exhibitionisme, “kijk mij eens leuk/populair zijn”. De hang naar authenticiteit voedt een narcistische onderstroom in onze cultuur, die voortdurend gevoed moet worden met likes. En nooit is het genoeg.
Is het vreemd dat jonge mensen aan deze druk bezwijken? Niet dat ik geloof in het verschijnsel Facebook depression, alsof Facebook voor depressies zou zorgen. Maar Facebook is wel een belangrijke uitingsvorm van een cultuur die depressies in de hand werkt. Als iedereen enkel de positieve dingen in het leven deelt en daarmee populair wordt, dan steekt mijn eenvoudige leventje daar maar schril bij af. Als je er dan ook nog eens niet als een fotomodel uitziet, wat ben je dan eigenlijk waard?
Nogmaals: als u zich ver houdt van Facebook, voorkomt u dit allemaal echt niet. Liever zie ik dat we het in deze cultuur uithouden, dan dat we proberen deze cultuur helemaal uit te bannen. Wat is het belangrijk dat we (opnieuw) leren verstaan wat genade is: dat God zondaren aanvaardt, niet omdat ze zo het liefhebben waard zijn, maar dat Hij “om niet”, uit genade, aanvaardt. Het evangelie van de rechtvaardiging van de goddeloze klinkt zo nog steeds bevrijdend, zij het nu niet zozeer in een cultuur van schuld (als in de zestiende eeuw), als wel in een cultuur van authenticiteit. Mijn authenticiteit heeft allerlei dubbele bodems en mijn hart is veel arglistiger dan ik zelf kan bedenken. Maar de levende God vraagt naar zulke mensen.

5. Tijdsbesteding

Een laatste bedreiging is tijdsbesteding. Ook omwille van de tijd zal ik daarover kort zijn 😉
Facebook kan tijd vreten, jazeker. Maar dat geldt van het hele internet, en van veel dingen in het leven. Het vraagt alertheid, en een opvoedingsstijl waarbij kinderen leren wat grenzen zijn.

Slot

Inmiddels zal het u duidelijk zijn, dat ik er niet voor ben om sociale media links te laten liggen. Er zijn mooie kanten genoeg, en het helpt ons om dichtbij onze jongeren te staan. Anderzijds moeten we sociale media ook maar niet kritiekloos omarmen. Doe er gerust in mee, maar blijf scherp en kritisch. Cultiveer het echte intieme kapitaal. Dus de iPad gaat ook een keer uit, en dan is er tijd voor een echt persoonlijk gesprek, van hart tot hart. Of je gaat een keer samen ergens eten, zonder techniek bij je. Het hoeven niet altijd de allerdiepste gesprekken te zijn, maar echte aandacht voor elkaar is waardevol. Waar jongeren dat merken, zien ze iets dat waardevol genoeg is om er niet steeds van weg te duiken achter hun mobiel. Maar als u niet wilt dat ze wegduiken, begint het niet met een aantal verboden, maar met het cultiveren van wat echt waardevol is.
En als we dan toch gaan twitteren, laat dat christelijk gebeuren. Wat mij betreft hoeft dat niet te betekenen dat er om de andere tweet een bijbeltekst voorbij komt. Maar wees authentiek christelijk: niet alleen betrouwbaar en integer, en al die mooie dingen die we graag over onszelf zeggen. Maar vooral ook: eenvoudig en nederig. Je leven is niet perfect, en je hoeft zelfs niet te doen alsof het dat was. Aan de wedloop om populariteit ben je gestorven en moet je dagelijks nog sterven. Want je leven is met Christus verborgen in God. Waar er iets authentiek oplicht van dat geheim, kan het niet verborgen blijven, en tegelijkertijd hoeven wij het niet te vermarkten.

Duurzaamheid

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 16 april 2013.
Niet langer is ‘duurzaamheid’ een uitsluitend links of seculier thema. Ook in deze krant wordt er geregeld over geschreven, en ook christelijke organisaties houden zich hoe langer hoe meer bezig met bewustwording rondom duurzaamheid. Als je op een vergadering meldt dat je met de trein bent gekomen, terwijl je toch echt een auto hebt, wekt dat zelden verbazing meer.
Al die aandacht is begrijpelijk, want fossiele brandstoffen en andere grondstoffen op deze planeet zijn nu eenmaal eindig. Je kunt beter zuinig zijn op wat opraakt. Dan houden we het met elkaar langer vol, en kunnen we het bestaan van de mensheid op deze planeet rekken. Dat zijn we onze kinderen en kleinkinderen verschuldigd. Zo ongeveer verloopt het argument vaak.
Hoe terecht de aandacht voor duurzaamheid ook is, voor christenen zijn er redenen om scherp te blijven letten op de gebruikte termen en argumenten. Neem bijvoorbeeld de term ‘duurzaamheid’ Die suggereert dat je zo lang mogelijk wilt behouden wat je nu hebt. Dat geldt nog meer voor de Engelse term sustainability. We willen volhouden wat we nu doen en hebben. In het Nieuwe Testament echter blijkt dat een christen de wereld helemaal niet zo lang mogelijk wil houden zoals ze nu is. Als je bidt om de komst van het Koninkrijk van God, is een handhaving van de status quo niet genoeg.
Daarmee wordt de motivatie voor ‘duurzame’ initiatieven toch anders. Het gaat niet alleen om een leefbare planeet voor onze kinderen en kleinkinderen, hoe belangrijk dat ook is. We zijn verantwoordelijk voor de aarde die we in bruikleen hebben gekregen om er goed voor te zorgen. Rentmeesterschap dus, om dat klassieke woord te gebruiken. En dan niet alleen met de blik naar achteren, naar de schepping die eens goed was. Maar ook met de blik naar voren, gericht op het Koninkrijk van God. Niet alleen omdat we eens verantwoording moeten afleggen, al speelt dat in rentmeesterschap uiteraard een rol. Maar als we enkel denken in termen van verantwoordelijkheid en verantwoording vergeten we zomaar dat het ook goed is om te proberen te leven zoals bij het Koninkrijk past.
Hopelijk helpt zo’n benadering om het toch een beetje treurige toekomstperspectief van de duurzaamheidsgedachte bij te stellen: wat je niet duurzaam kunt vasthouden, raakt weg. Het gaat in alle sustainability om uitstel van verlies. Maar het christelijke perspectief is dat van Pasen, van een nieuwe dag. Met onze inspanningen voor duurzaamheid gaan wij het niet redden. En toch verwachten we niet alleen nieuwe hemelen, maar ook een nieuwe aarde.

Paus en Pavlov

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 2 april 2013.
Wacht een dag of drie nadat er iets over de paus in de krant heeft gestaan, en jawel: de automatische reactie. De paus wordt antichrist genoemd. Want, zo wordt er steevast aan toegevoegd, dat vonden de reformatoren ook.

Bijna leek het bij de verkiezing van Franciscus anders te gaan. Toch was daar was het opinie-artikel van vijf afgescheiden predikanten, verontrust omdat er zo ‘neutraal’ over de paus geschreven werd en hij niet consequent als de antichrist werd afgeschilderd. Hebben protestanten niet veel onder de paus te lijden gehad? Nu, dan moest er niet zo veel aandacht zijn voor de paus!
Merkwaardig. Niet alleen is het paradoxaal om een artikel te schrijven om te benadrukken dat iets géén aandacht moet krijgen. Maar hoe billijk is het om een ambtsdrager af te rekenen op wat verre voorgangers honderden jaren eerder hebben gedaan? Wij voelen ons toch ook niet persoonlijk of ambtelijk verantwoordelijk voor het lot van de rooms-katholieke martelaren van Gorcum, die door de watergeuzen werden gedood? En waarom dan niet terug naar de vroege pausen, die ook tot ónze geschiedenis behoren?
Het nare van deze pavlovreactie is dat de nieuwe bisschop van Rome niet meer op zijn merites beoordeeld kan worden. Als zogenaamde antichrist is hij immers al afgeschreven. Alsof  het zestiende-eeuwse Rome geheel gelijk is aan Rome nu. De Reformatie toen is toch verschillend van reformatorischen nu, getuige alleen al de bonte variëteit van afscheidingen waartoe de vijf predikanten behoren. Kan dan een oordeel van vijfhonderd jaar oud zo op de huidige tijd geplakt worden? En hopelijk hebben we geleerd om wat minder snel te oordelen en ons iets meer in de zaak te verdiepen voor we grote woorden spreken.
Veel mensen vinden Franciscus’ eenvoud en afzien van luxe aansprekend. Bovendien belichaamt hij de verschuiving van het zwaartepunt van de christelijke kerk naar het zuidelijk halfrond. Bij alle terechte kritiek op Rome hebben die punten ons ook iets te zeggen hebben. De nazaten van de vervolgde protestanten hebben het immers in materieel opzicht beter dan veel roomse heersers uit de zestiende eeuw. Heilzaam, zo’n accent op eenvoud. En zou het veel traditionele discussies in refokring niet in een ander perspectief plaatsen als we beseffen dat de wereldkerk voor het overgrote merendeel in het Zuiden te vinden is?
Pasen betekent dat God in Christus de toekomst open doet, en dat er verrassend licht valt over onszelf, de ander en de wereld. De dood is geen automatisme meer, evenmin als de zonde. Dat geeft openheid en moed voor wat God doet in deze wereld. Pasen is een betere gids dan Pavlov.

Slang en duif

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 19 maart
Er is helaas een cultuur aan het ontstaan waarin christenen al op voorhand verdachte figuren zijn. Ze zullen wel intolerant zijn, met name voor homo’s. Ze zullen hun vrouwen wel onderdrukken en ze indoctrineren hun kinderen met de vreemdste verhalen. Oppassen dus met die christenen. Met die vooroordelen hebben we te maken, en we zullen een weg moeten vinden.
Een wetenschapper als Onno van Schayk, die eenmaal in het openbaar zei dat hij gelooft dat wonderen gebeuren, wordt direct afgeserveerd en zelfs aan de schandpaal genageld. Zijn grote staat van dienst en het feit dat hij gewoon goed is in zijn wetenschappelijke vak deden opeens niet meer ter zake. Het christelijke geluid mocht kennelijk niet gehoord worden.
Een ander voorbeeld. Toen afgelopen week de Turkse regering protesteerde tegen de plaatsing van een Turkse jongen bij twee lesbische pleegouders, werden niet alleen de ‘verworvenheden’ van het homohuwelijk geroemd. Je kon ook horen dat er natuurlijk wel grenzen zijn aan waar je pleegkinderen onderbrengt. Met christelijke gezinnen moet je vaak oppassen, want wat krijgen ze daar mee? Daar ligt toch wel een grens!
We kunnen er over klagen, maar het is wel de realiteit waar we ons hoe langer hoe minder aan kunnen onttrekken. Christenen zullen bij sollicitaties in toenemende mate argwanend worden bekeken, omdat ze volgens dominante liberale maatstaven mogelijk niet te vertrouwen zouden zijn. Hoe complexer de functie, des te meer het er om gaat spannen.
Er is reden genoeg om de barricaden op te gaan en het op te nemen voor gewetensvrijheid en geloofsvrijheid. Toch neemt dat niet altijd de spanning weg tussen geloofsovertuiging en het werk dat je doet.
Er zijn mensen die deze spanning voluit aanvaarden en die er goed in kunnen functioneren. Zij verdienen meer steun uit christelijke kring dan ze vaak krijgen. De Amsterdamse politiechef Pieter-Jaap Aalbersberg is er zo een. In een interview in deze krant spreekt hij vrijuit over zijn persoonlijke geloofsovertuiging, maar tegelijk heeft hij geen moeite heeft de Gaypride, waar hij zijn werk moet doen om de veiligheid te bewaken. Hij spreekt ook positief over het netwerk van homoseksuelen bij de politie. Amsterdam zou ook te klein zijn geweest als hij wat anders had gezegd. Hij moet er immers voor alle Amsterdammers zijn, afgezien van zijn persoonlijke geloofsovertuiging.
Niet iedereen zal op deze manier kunnen of willen werken. Maar christenen die met beide benen in de modder van onze maatschappij durven gaan staan, zijn de Obadja’s en Nehemia’s van onze tijd. Zij verdienen ons gebed om voorzichtige wijsheid en gehoorzaamheid. Zoals Jezus zegt:  bedachtzaam als de slangen en oprecht als de duiven.

Uitvaart

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 5 maart. Beter laat dan nooit.
Uitvaarten worden gaandeweg anders. Bij een begrafenis die ik een tijdje geleden bijwoonde, bleken met name de mensen onder de veertig geen idee te hebben hoe ze zich een houding moesten geven. Dus werd er gegiecheld en gebabbeld, zij het een beetje besmuikt. In kleding leken deze mensen geen rekening gehouden te hebben met de begrafenis waar ze naar toe gingen, of het moest zijn dat uit alle macht donkere kleuren waren vermeden. Uiteraard werd er gehuild en was er verdriet, maar de mensen wisten er eigenlijk geen raad mee. Hoe zouden ze ook, als je afstand hebt gedaan van de christelijke traditie en als je aloude rituelen vooral sleets vindt? Het moet vooral niet voorspelbaar en saai worden, hebben we van de televisie geleerd.
Van de weeromstuit moeten begrafenissen persoonlijker en dus wat spectaculairder worden. Iedere uitvaart uniek, dat idee. Op de website van uitvaartonderneming Yarden kun je bijvoorbeeld kiezen tussen de thema’s klassiek, hobby, bourgondisch, Hollands, kleur en o ja, ook religie. Alsof het om een soort familiedag gaat, of een thematisch uitje. Bij de Hollandse variant krijg je bijvoorbeeld geen rouwboeketten maar een zee van tulpen en na afloop geen cake maar een broodje kroket met een biertje. Tenzij je wat anders wilt, natuurlijk. Alles is mogelijk.
Zo maken we het elkaar alleen maar moeilijker. Zouden de nabestaanden er echt op zitten te wachten dat tante haar hele persoonlijkheid in de begrafenis heeft gelegd, inclusief haar poppenhuizenverzameling en lidmaatschap van de zwemvereniging? Het is een wat geforceerde manier om een laatste keer uit te drukken dat je echt een uniek persoon bent. Of liever: bent geweest. Je bent er immers zelf niet meer bij. En hoe bijzonder je levensstijl ook was, de dood maakt alle mensen in zekere zin eenvormig. Het leven is eindig, en daarom is de waarde van al die zelfexpressie maar  relatief. Oude rituelen en vormen herinneren ons er aan. Ze leren ons ook om ons een houding te geven bij het ernstigste en verdrietigste.
Bij een van de eerste begrafenissen die ik in Genemuiden leidde, liepen we tegen het verkeer in naar de begraafplaats. Uit een zijstraat schoot een fietser, type puberjongen met pet. Ik verwachtte niet anders dan dat hij over het trottoir verder zou fietsen of op zijn best omkeren. Hij deed zijn pet af en bleef staan tot de rouwstoet voorbij was. Die jongen had iets kostbaars geleerd.
 

Loslaten

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 19 februari.
Uiteraard zijn er veel verschillen tussen de abdicatie van de Koningin en het terugtreden van de paus: terwijl over de troonsafstand al jaren werd gespeculeerd, kwam het terugtreden van de bisschop van Rome als een grote verrassing. Dan hebben we het nog niet eens over het grote verschil in waardering dat beiden oogstten in ons land.
Maar overeenkomsten zijn er ook – misschien nog wel meer dan verschillen. Beiden laten ze het zware ambt dat ze vervullen los op een zelfgekozen tijdstip, en met het oog op het welzijn van degenen die ze dienen. Het accent op dienen vormde de grondtoon van hun beider toespraken. De Koningin bedankte ons dat ze zo lang onze Koningin heeft mogen zijn en de paus vroeg vergiffenis vanwege zijn vele tekortkomingen.
Zó het ambt loslaten zegt iets over het roepingsbesef waarmee het werd ingevuld. Omdat het om iets groters gaat dan de persoon zelf, kun je ook terugtreden. Dat besef is onderweg steeds nodig: het gaat niet om mijzelf.
Een tegenstem komt van godsdienstpsycholoog Joke van Saane. Zij beweert dat roepingsbesef vaak samengaat met narcisme. Door een beroep op God is de ‘geroepene’ bezig, zichzelf autoriteit te verlenen. Door van zich af te wijzen, wijst hij immers naar zichzelf toe, tot meerdere eer en glorie van zichzelf. Van Saane past dit ook toe op de paus, bijvoorbeeld.
Deze gedachte laat zich niet zomaar aan de kant schuiven. Juist wie van ontdekkende prediking en een eerlijke boodschap houdt, zal zichzelf op dit punt willen onderzoeken. Je kunt zo graag iemand willen zijn in de kerk, dat het uiteindelijk om jezelf gaat. Misschien blijkt dat wel het sterkst waar mensen hun positie maar niet kunnen loslaten. De ouderling die tóch nog maar weer doorgaat, de scribent in het kerkelijk blaadje die tóch in de redactie blijft, omdat hij met bloedend hart moet vaststellen dat niemand anders het kan doen. Zitten ze vast aan hun roeping of aan hun koninkrijkje?
Een mogelijke lakmoesproef voor echt roepingsbesef is dat je  kunt loslaten. Voor Jezus’ discipelen begon hun roeping met loslaten van hun oude werk. De praktijk ervan was ook steeds loslaten: niet je leven willen behouden, maar het verliezen, zelfverloochening dus. Uiteindelijk mochten ze het overgeven aan een nieuwe generatie, op de juiste tijd.
Echt dienend leiderschap is van begin tot eind loslaten. Kunnen loslaten hoort bij een echte roeping.

Geknipt

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad, 5 februari 2013
Kappers die vrouwen meer laten betalen voor een knipbeurt dan mannen, discrimineren. Zo luidt de uitspraak van de Deense Raad voor Gelijke Behandeling. De kapper die de euvele moed had een hoger tarief te rekenen voor vrouwen, moet nu een schadevergoeding betalen aan de gedupeerde dame. Iets zegt me dat deze dame op nog wel meer punten gefrustreerd door het leven gaat. Dit zou ongelooflijk grappig kunnen zijn als het niet zo treurig was.
Uiteraard mag je niet discrimineren. Maar het non-discriminatiebeginsel neemt inmiddels zulke enorme proporties aan in onze Westerse samenlevingen, dat het naar het absurde neigt. Gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld, maar hebben we er nog wel oog voor dat niet alle gevallen gelijk zijn?
We krijgen eenvoudigweg niet alles gelijk. Consequent geredeneerd moet je immers zeggen: voor die knipbeurt die hetzelfde kost, moet je ook wel hetzelfde krijgen, anders is het opnieuw discriminatie. Ik ben benieuwd welk effect dat heeft op de kapperspraktijk en uiteindelijk op de haarmode.
Waar ook weinig discriminatie en veel gelijkheid was? Onder het communisme. Je werd niet gediscrimineerd bij de kapper, niet bij autodealer en niet op school. Iedereen kreeg gegarandeerd en verplicht hetzelfde als ieder ander. In theorie althans, want in de praktijk werken mensen daar altijd omheen en neemt de ongelijkheid vaak zelfs toe. Wanneer horen we de eerste berichten van een illegaal kapperscircuit in Denemarken met revolutionaire prijzen voor mannen?
Dit soort incidenten legt een spanning bloot die diep in de structuur  van onze Westerse liberale samenlevingen ligt. De Verlichtingsidealen van vrijheid en gelijkheid botsen namelijk voortdurend. De druk om niet te discrimineren kan maar zo een eenheidsdeken worden, die de vrijheid verstikt.
Van de Deense kapperstarieven ziet vrijwel iedereen de humor in, en niemand bedenkt een voetbalteam dat ten minste veertig procent vrouwen moet opstellen. Maar quota voor vrouwen aan de top en gelijkschakeling van allerhande verschillende relatievormen behoren tot de adat van de liberale democratische samenleving. Dan hebben we het nog niet eens over de verplichting voor de SGP om vrouwen toe te laten. Het SGP-hoofdbestuur heeft er een slimme juridische constructie voor bedacht. Daarmee is een inhoudelijke en principiële discussie vermeden, maar misschien komt die er wanneer een SGP-kiesvereniging besluit een getalenteerde dame te kandideren? Sommige SGP-vrouwen schijnen er echt geknipt voor te zijn.
 

Waakhond

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 15 januari
Afgelopen maand kondigde president Hollande de oprichting aan van een waakhond om het secularisme te promoten en te verdedigen. Hij deed dit bewust op de verjaardag van de wet uit 1905 die de scheiding tussen kerk en staat regelt. De waakhond, het Observatoire National de la Laïcité, moet de seculiere moraal bevorderen, met name op scholen. Het zou er niet om gaan een dogma of doctrine op te dringen, maar juist om de “kunst van het samenleven” te bevorderen. Dat is codetaal voor het nog verder terugdringen van religie achter de voordeur.
Wie rondom de berichtgeving wat verder leest in Franse kranten, komt er al snel achter dat op de achtergrond  verschillende incidenten spelen. Islamitische ouders protesteerden tegen de komst van de Kerstman op school. In een ander geval zorgde voedsel waar mogelijk sporen van varkensvlees in zat, voor beginnende paniek. Het lijkt er op dat de nieuwe waakhond vooral dient om verstandig met islamitische overtuigingen om te gaan en om ontluikend extremisme te kunnen aanpakken.
Dat betekent zeker niet dat een dergelijke waakhond christenen ongemoeid zal laten. In Frankrijk wordt de scheiding tussen kerk en staat immers zo uitgelegd dat religie geen plaats heeft in het publieke domein. Als de overheid vaststelt dat extreme opvattingen worden aangehangen, kan er worden ingegrepen en kunnen religieuze organisaties zelfs worden verboden. Maar wat heet extreem? De enorme paradox van deze scheiding tussen publieke ruimte en geloof is dat de staat moet uitmaken welke religieuze uiting (en zelfs: religieuze overtuiging) toelaatbaar is en welke niet. Exit godsdienstvrijheid.
Laten we niet denken dat dit ver van ons bed is. D66 laat zich graag inspireren door het Franse verstaan van laïcité. Veel Nederlanders zien niet in waarom de vrijheid van godsdienst niet gedekt zou zijn door de vrijheid van meningsuiting. Maar juist aan de Franse situatie kunnen christenen argumenten ontlenen. Kennelijk zijn godsdiensten toch anders dan particuliere meningen. ‘Gewone’ meningen mogen immers geuit worden, maar godsdienstige hoe langer hoe minder. Alle meningen zijn gelijk, maar sommige zijn meer gelijk dan andere. Het is toch evident dat zo’n laïcité geen “neutraliteit” mag heten, maar zelf een dwingende levensovertuiging is – hoe hard D66 dat ook ontkent.
Hoe harder je godsdienst probeert terug te dringen, des te scherper moet je gaan definiëren wat godsdiensten en godsdienstige uitingen zijn, en welke toelaatbaar zijn of niet. Dat kan de staat niet, en dat moet ze ook niet willen. Het wordt tijd voor een nationale waakhond godsdienstvrijheid.

Verhaal gezocht

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 11 december 2012
Wanneer is een incident geen incident meer, maar symptoom van een verziekte cultuur? Je kunt de problemen bij Amarantis moeilijk nog een incident noemen, als je denkt aan wat er eerder bij Vestia gebeurde. Diederik Stapel is een van de grootste wetenschapsfraudeurs ooit, maar kennelijk was er een cultuur van prestatiedruk en scoringsdrang waarin juist hij kon floreren. En hoezeer ook gemeend, de reactie van premier Rutte dat het doodschoppen van een grensrechter door drie pubers “absoluut niet kan worden getolereerd”, klinkt een beetje hol. Die tekst kenden we al, van de Facebookrellen in Haren. Ook de oplossingsrichting waarin gedacht wordt, is bekend: strenger straffen, vervolging van verantwoordelijken, onderzoekscommissies, rapporten en met elkaar praten hoe dit toch heeft kunnen gebeuren. Tot het volgende incident zich aandient.
Het werkt allemaal niet. Hoe harder je roept dat je het niet kunt tolereren, des te duidelijker wordt het dat het je door de vingers glipt. En dat er altijd dingen mis zullen gaan. Er is meer aan de hand. Anders ging de ex-bestuurder van Amarantis toch niet procederen, omdat het onderzoeksrapport zijn reputatie beschadigd zou hebben? En Diederik Stapel sprak een soort schuldbelijdenis van dertig seconden uit, waarvan de helft was gereserveerd om reclame te maken voor zijn boek. Weer gaat het óók om geld en aandacht.  Over het schuldbesef van de schoppende voetballers hoeven we ons geen illusies te maken.
Er is al zoveel geprobeerd en het helpt niet. Dat zou maar zo kunnen komen omdat het foute gedrag zo dicht aan ligt tegen het grote verhaal van onze samenleving: het gaat om zelfontplooiing, waarbij je probeert zo veel mogelijk geld of aandacht te vergaren. Binnen zo’n cultuur gedijen de Stapels en Amarantisbestuurders van deze wereld. Grenzen gelden voor anderen. Is het dan vreemd dat iemand met de functie “grensrechter” het moet ontgelden? Dat is geen incident meer, maar een symbolische uitdrukking van hoe onze samenleving ervoor staat.
Raken we nu de bodem? Is de vertwijfeling die je naar aanleiding van de dood van de grensrechter hoort, het begin van een kentering? Niet zolang onze leiders het vooral blijven zoeken in regelgeving en straffen. Wat zou kunnen verbinden en verwijzen naar iets wat ons eigenbelang te boven gaat, moet zelfs hoe langer hoe meer achter de voordeur worden teruggedrongen. Terwijl onze samenleving echt een nieuw verhaal nodig heeft over wie wij zijn en wat er in het leven werkelijk toe doet. Iets wat dieper steekt dan enkel normen en waarden. Zo’n verhaal moet in deze Adventstijd toch te vinden zijn?