Duurzaamheid

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 16 april 2013.
Niet langer is ‘duurzaamheid’ een uitsluitend links of seculier thema. Ook in deze krant wordt er geregeld over geschreven, en ook christelijke organisaties houden zich hoe langer hoe meer bezig met bewustwording rondom duurzaamheid. Als je op een vergadering meldt dat je met de trein bent gekomen, terwijl je toch echt een auto hebt, wekt dat zelden verbazing meer.
Al die aandacht is begrijpelijk, want fossiele brandstoffen en andere grondstoffen op deze planeet zijn nu eenmaal eindig. Je kunt beter zuinig zijn op wat opraakt. Dan houden we het met elkaar langer vol, en kunnen we het bestaan van de mensheid op deze planeet rekken. Dat zijn we onze kinderen en kleinkinderen verschuldigd. Zo ongeveer verloopt het argument vaak.
Hoe terecht de aandacht voor duurzaamheid ook is, voor christenen zijn er redenen om scherp te blijven letten op de gebruikte termen en argumenten. Neem bijvoorbeeld de term ‘duurzaamheid’ Die suggereert dat je zo lang mogelijk wilt behouden wat je nu hebt. Dat geldt nog meer voor de Engelse term sustainability. We willen volhouden wat we nu doen en hebben. In het Nieuwe Testament echter blijkt dat een christen de wereld helemaal niet zo lang mogelijk wil houden zoals ze nu is. Als je bidt om de komst van het Koninkrijk van God, is een handhaving van de status quo niet genoeg.
Daarmee wordt de motivatie voor ‘duurzame’ initiatieven toch anders. Het gaat niet alleen om een leefbare planeet voor onze kinderen en kleinkinderen, hoe belangrijk dat ook is. We zijn verantwoordelijk voor de aarde die we in bruikleen hebben gekregen om er goed voor te zorgen. Rentmeesterschap dus, om dat klassieke woord te gebruiken. En dan niet alleen met de blik naar achteren, naar de schepping die eens goed was. Maar ook met de blik naar voren, gericht op het Koninkrijk van God. Niet alleen omdat we eens verantwoording moeten afleggen, al speelt dat in rentmeesterschap uiteraard een rol. Maar als we enkel denken in termen van verantwoordelijkheid en verantwoording vergeten we zomaar dat het ook goed is om te proberen te leven zoals bij het Koninkrijk past.
Hopelijk helpt zo’n benadering om het toch een beetje treurige toekomstperspectief van de duurzaamheidsgedachte bij te stellen: wat je niet duurzaam kunt vasthouden, raakt weg. Het gaat in alle sustainability om uitstel van verlies. Maar het christelijke perspectief is dat van Pasen, van een nieuwe dag. Met onze inspanningen voor duurzaamheid gaan wij het niet redden. En toch verwachten we niet alleen nieuwe hemelen, maar ook een nieuwe aarde.

Paus en Pavlov

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 2 april 2013.
Wacht een dag of drie nadat er iets over de paus in de krant heeft gestaan, en jawel: de automatische reactie. De paus wordt antichrist genoemd. Want, zo wordt er steevast aan toegevoegd, dat vonden de reformatoren ook.

Bijna leek het bij de verkiezing van Franciscus anders te gaan. Toch was daar was het opinie-artikel van vijf afgescheiden predikanten, verontrust omdat er zo ‘neutraal’ over de paus geschreven werd en hij niet consequent als de antichrist werd afgeschilderd. Hebben protestanten niet veel onder de paus te lijden gehad? Nu, dan moest er niet zo veel aandacht zijn voor de paus!
Merkwaardig. Niet alleen is het paradoxaal om een artikel te schrijven om te benadrukken dat iets géén aandacht moet krijgen. Maar hoe billijk is het om een ambtsdrager af te rekenen op wat verre voorgangers honderden jaren eerder hebben gedaan? Wij voelen ons toch ook niet persoonlijk of ambtelijk verantwoordelijk voor het lot van de rooms-katholieke martelaren van Gorcum, die door de watergeuzen werden gedood? En waarom dan niet terug naar de vroege pausen, die ook tot ónze geschiedenis behoren?
Het nare van deze pavlovreactie is dat de nieuwe bisschop van Rome niet meer op zijn merites beoordeeld kan worden. Als zogenaamde antichrist is hij immers al afgeschreven. Alsof  het zestiende-eeuwse Rome geheel gelijk is aan Rome nu. De Reformatie toen is toch verschillend van reformatorischen nu, getuige alleen al de bonte variëteit van afscheidingen waartoe de vijf predikanten behoren. Kan dan een oordeel van vijfhonderd jaar oud zo op de huidige tijd geplakt worden? En hopelijk hebben we geleerd om wat minder snel te oordelen en ons iets meer in de zaak te verdiepen voor we grote woorden spreken.
Veel mensen vinden Franciscus’ eenvoud en afzien van luxe aansprekend. Bovendien belichaamt hij de verschuiving van het zwaartepunt van de christelijke kerk naar het zuidelijk halfrond. Bij alle terechte kritiek op Rome hebben die punten ons ook iets te zeggen hebben. De nazaten van de vervolgde protestanten hebben het immers in materieel opzicht beter dan veel roomse heersers uit de zestiende eeuw. Heilzaam, zo’n accent op eenvoud. En zou het veel traditionele discussies in refokring niet in een ander perspectief plaatsen als we beseffen dat de wereldkerk voor het overgrote merendeel in het Zuiden te vinden is?
Pasen betekent dat God in Christus de toekomst open doet, en dat er verrassend licht valt over onszelf, de ander en de wereld. De dood is geen automatisme meer, evenmin als de zonde. Dat geeft openheid en moed voor wat God doet in deze wereld. Pasen is een betere gids dan Pavlov.

Slang en duif

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 19 maart
Er is helaas een cultuur aan het ontstaan waarin christenen al op voorhand verdachte figuren zijn. Ze zullen wel intolerant zijn, met name voor homo’s. Ze zullen hun vrouwen wel onderdrukken en ze indoctrineren hun kinderen met de vreemdste verhalen. Oppassen dus met die christenen. Met die vooroordelen hebben we te maken, en we zullen een weg moeten vinden.
Een wetenschapper als Onno van Schayk, die eenmaal in het openbaar zei dat hij gelooft dat wonderen gebeuren, wordt direct afgeserveerd en zelfs aan de schandpaal genageld. Zijn grote staat van dienst en het feit dat hij gewoon goed is in zijn wetenschappelijke vak deden opeens niet meer ter zake. Het christelijke geluid mocht kennelijk niet gehoord worden.
Een ander voorbeeld. Toen afgelopen week de Turkse regering protesteerde tegen de plaatsing van een Turkse jongen bij twee lesbische pleegouders, werden niet alleen de ‘verworvenheden’ van het homohuwelijk geroemd. Je kon ook horen dat er natuurlijk wel grenzen zijn aan waar je pleegkinderen onderbrengt. Met christelijke gezinnen moet je vaak oppassen, want wat krijgen ze daar mee? Daar ligt toch wel een grens!
We kunnen er over klagen, maar het is wel de realiteit waar we ons hoe langer hoe minder aan kunnen onttrekken. Christenen zullen bij sollicitaties in toenemende mate argwanend worden bekeken, omdat ze volgens dominante liberale maatstaven mogelijk niet te vertrouwen zouden zijn. Hoe complexer de functie, des te meer het er om gaat spannen.
Er is reden genoeg om de barricaden op te gaan en het op te nemen voor gewetensvrijheid en geloofsvrijheid. Toch neemt dat niet altijd de spanning weg tussen geloofsovertuiging en het werk dat je doet.
Er zijn mensen die deze spanning voluit aanvaarden en die er goed in kunnen functioneren. Zij verdienen meer steun uit christelijke kring dan ze vaak krijgen. De Amsterdamse politiechef Pieter-Jaap Aalbersberg is er zo een. In een interview in deze krant spreekt hij vrijuit over zijn persoonlijke geloofsovertuiging, maar tegelijk heeft hij geen moeite heeft de Gaypride, waar hij zijn werk moet doen om de veiligheid te bewaken. Hij spreekt ook positief over het netwerk van homoseksuelen bij de politie. Amsterdam zou ook te klein zijn geweest als hij wat anders had gezegd. Hij moet er immers voor alle Amsterdammers zijn, afgezien van zijn persoonlijke geloofsovertuiging.
Niet iedereen zal op deze manier kunnen of willen werken. Maar christenen die met beide benen in de modder van onze maatschappij durven gaan staan, zijn de Obadja’s en Nehemia’s van onze tijd. Zij verdienen ons gebed om voorzichtige wijsheid en gehoorzaamheid. Zoals Jezus zegt:  bedachtzaam als de slangen en oprecht als de duiven.

Uitvaart

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 5 maart. Beter laat dan nooit.
Uitvaarten worden gaandeweg anders. Bij een begrafenis die ik een tijdje geleden bijwoonde, bleken met name de mensen onder de veertig geen idee te hebben hoe ze zich een houding moesten geven. Dus werd er gegiecheld en gebabbeld, zij het een beetje besmuikt. In kleding leken deze mensen geen rekening gehouden te hebben met de begrafenis waar ze naar toe gingen, of het moest zijn dat uit alle macht donkere kleuren waren vermeden. Uiteraard werd er gehuild en was er verdriet, maar de mensen wisten er eigenlijk geen raad mee. Hoe zouden ze ook, als je afstand hebt gedaan van de christelijke traditie en als je aloude rituelen vooral sleets vindt? Het moet vooral niet voorspelbaar en saai worden, hebben we van de televisie geleerd.
Van de weeromstuit moeten begrafenissen persoonlijker en dus wat spectaculairder worden. Iedere uitvaart uniek, dat idee. Op de website van uitvaartonderneming Yarden kun je bijvoorbeeld kiezen tussen de thema’s klassiek, hobby, bourgondisch, Hollands, kleur en o ja, ook religie. Alsof het om een soort familiedag gaat, of een thematisch uitje. Bij de Hollandse variant krijg je bijvoorbeeld geen rouwboeketten maar een zee van tulpen en na afloop geen cake maar een broodje kroket met een biertje. Tenzij je wat anders wilt, natuurlijk. Alles is mogelijk.
Zo maken we het elkaar alleen maar moeilijker. Zouden de nabestaanden er echt op zitten te wachten dat tante haar hele persoonlijkheid in de begrafenis heeft gelegd, inclusief haar poppenhuizenverzameling en lidmaatschap van de zwemvereniging? Het is een wat geforceerde manier om een laatste keer uit te drukken dat je echt een uniek persoon bent. Of liever: bent geweest. Je bent er immers zelf niet meer bij. En hoe bijzonder je levensstijl ook was, de dood maakt alle mensen in zekere zin eenvormig. Het leven is eindig, en daarom is de waarde van al die zelfexpressie maar  relatief. Oude rituelen en vormen herinneren ons er aan. Ze leren ons ook om ons een houding te geven bij het ernstigste en verdrietigste.
Bij een van de eerste begrafenissen die ik in Genemuiden leidde, liepen we tegen het verkeer in naar de begraafplaats. Uit een zijstraat schoot een fietser, type puberjongen met pet. Ik verwachtte niet anders dan dat hij over het trottoir verder zou fietsen of op zijn best omkeren. Hij deed zijn pet af en bleef staan tot de rouwstoet voorbij was. Die jongen had iets kostbaars geleerd.
 

Loslaten

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 19 februari.
Uiteraard zijn er veel verschillen tussen de abdicatie van de Koningin en het terugtreden van de paus: terwijl over de troonsafstand al jaren werd gespeculeerd, kwam het terugtreden van de bisschop van Rome als een grote verrassing. Dan hebben we het nog niet eens over het grote verschil in waardering dat beiden oogstten in ons land.
Maar overeenkomsten zijn er ook – misschien nog wel meer dan verschillen. Beiden laten ze het zware ambt dat ze vervullen los op een zelfgekozen tijdstip, en met het oog op het welzijn van degenen die ze dienen. Het accent op dienen vormde de grondtoon van hun beider toespraken. De Koningin bedankte ons dat ze zo lang onze Koningin heeft mogen zijn en de paus vroeg vergiffenis vanwege zijn vele tekortkomingen.
Zó het ambt loslaten zegt iets over het roepingsbesef waarmee het werd ingevuld. Omdat het om iets groters gaat dan de persoon zelf, kun je ook terugtreden. Dat besef is onderweg steeds nodig: het gaat niet om mijzelf.
Een tegenstem komt van godsdienstpsycholoog Joke van Saane. Zij beweert dat roepingsbesef vaak samengaat met narcisme. Door een beroep op God is de ‘geroepene’ bezig, zichzelf autoriteit te verlenen. Door van zich af te wijzen, wijst hij immers naar zichzelf toe, tot meerdere eer en glorie van zichzelf. Van Saane past dit ook toe op de paus, bijvoorbeeld.
Deze gedachte laat zich niet zomaar aan de kant schuiven. Juist wie van ontdekkende prediking en een eerlijke boodschap houdt, zal zichzelf op dit punt willen onderzoeken. Je kunt zo graag iemand willen zijn in de kerk, dat het uiteindelijk om jezelf gaat. Misschien blijkt dat wel het sterkst waar mensen hun positie maar niet kunnen loslaten. De ouderling die tóch nog maar weer doorgaat, de scribent in het kerkelijk blaadje die tóch in de redactie blijft, omdat hij met bloedend hart moet vaststellen dat niemand anders het kan doen. Zitten ze vast aan hun roeping of aan hun koninkrijkje?
Een mogelijke lakmoesproef voor echt roepingsbesef is dat je  kunt loslaten. Voor Jezus’ discipelen begon hun roeping met loslaten van hun oude werk. De praktijk ervan was ook steeds loslaten: niet je leven willen behouden, maar het verliezen, zelfverloochening dus. Uiteindelijk mochten ze het overgeven aan een nieuwe generatie, op de juiste tijd.
Echt dienend leiderschap is van begin tot eind loslaten. Kunnen loslaten hoort bij een echte roeping.

Geknipt

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad, 5 februari 2013
Kappers die vrouwen meer laten betalen voor een knipbeurt dan mannen, discrimineren. Zo luidt de uitspraak van de Deense Raad voor Gelijke Behandeling. De kapper die de euvele moed had een hoger tarief te rekenen voor vrouwen, moet nu een schadevergoeding betalen aan de gedupeerde dame. Iets zegt me dat deze dame op nog wel meer punten gefrustreerd door het leven gaat. Dit zou ongelooflijk grappig kunnen zijn als het niet zo treurig was.
Uiteraard mag je niet discrimineren. Maar het non-discriminatiebeginsel neemt inmiddels zulke enorme proporties aan in onze Westerse samenlevingen, dat het naar het absurde neigt. Gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld, maar hebben we er nog wel oog voor dat niet alle gevallen gelijk zijn?
We krijgen eenvoudigweg niet alles gelijk. Consequent geredeneerd moet je immers zeggen: voor die knipbeurt die hetzelfde kost, moet je ook wel hetzelfde krijgen, anders is het opnieuw discriminatie. Ik ben benieuwd welk effect dat heeft op de kapperspraktijk en uiteindelijk op de haarmode.
Waar ook weinig discriminatie en veel gelijkheid was? Onder het communisme. Je werd niet gediscrimineerd bij de kapper, niet bij autodealer en niet op school. Iedereen kreeg gegarandeerd en verplicht hetzelfde als ieder ander. In theorie althans, want in de praktijk werken mensen daar altijd omheen en neemt de ongelijkheid vaak zelfs toe. Wanneer horen we de eerste berichten van een illegaal kapperscircuit in Denemarken met revolutionaire prijzen voor mannen?
Dit soort incidenten legt een spanning bloot die diep in de structuur  van onze Westerse liberale samenlevingen ligt. De Verlichtingsidealen van vrijheid en gelijkheid botsen namelijk voortdurend. De druk om niet te discrimineren kan maar zo een eenheidsdeken worden, die de vrijheid verstikt.
Van de Deense kapperstarieven ziet vrijwel iedereen de humor in, en niemand bedenkt een voetbalteam dat ten minste veertig procent vrouwen moet opstellen. Maar quota voor vrouwen aan de top en gelijkschakeling van allerhande verschillende relatievormen behoren tot de adat van de liberale democratische samenleving. Dan hebben we het nog niet eens over de verplichting voor de SGP om vrouwen toe te laten. Het SGP-hoofdbestuur heeft er een slimme juridische constructie voor bedacht. Daarmee is een inhoudelijke en principiële discussie vermeden, maar misschien komt die er wanneer een SGP-kiesvereniging besluit een getalenteerde dame te kandideren? Sommige SGP-vrouwen schijnen er echt geknipt voor te zijn.
 

Waakhond

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 15 januari
Afgelopen maand kondigde president Hollande de oprichting aan van een waakhond om het secularisme te promoten en te verdedigen. Hij deed dit bewust op de verjaardag van de wet uit 1905 die de scheiding tussen kerk en staat regelt. De waakhond, het Observatoire National de la Laïcité, moet de seculiere moraal bevorderen, met name op scholen. Het zou er niet om gaan een dogma of doctrine op te dringen, maar juist om de “kunst van het samenleven” te bevorderen. Dat is codetaal voor het nog verder terugdringen van religie achter de voordeur.
Wie rondom de berichtgeving wat verder leest in Franse kranten, komt er al snel achter dat op de achtergrond  verschillende incidenten spelen. Islamitische ouders protesteerden tegen de komst van de Kerstman op school. In een ander geval zorgde voedsel waar mogelijk sporen van varkensvlees in zat, voor beginnende paniek. Het lijkt er op dat de nieuwe waakhond vooral dient om verstandig met islamitische overtuigingen om te gaan en om ontluikend extremisme te kunnen aanpakken.
Dat betekent zeker niet dat een dergelijke waakhond christenen ongemoeid zal laten. In Frankrijk wordt de scheiding tussen kerk en staat immers zo uitgelegd dat religie geen plaats heeft in het publieke domein. Als de overheid vaststelt dat extreme opvattingen worden aangehangen, kan er worden ingegrepen en kunnen religieuze organisaties zelfs worden verboden. Maar wat heet extreem? De enorme paradox van deze scheiding tussen publieke ruimte en geloof is dat de staat moet uitmaken welke religieuze uiting (en zelfs: religieuze overtuiging) toelaatbaar is en welke niet. Exit godsdienstvrijheid.
Laten we niet denken dat dit ver van ons bed is. D66 laat zich graag inspireren door het Franse verstaan van laïcité. Veel Nederlanders zien niet in waarom de vrijheid van godsdienst niet gedekt zou zijn door de vrijheid van meningsuiting. Maar juist aan de Franse situatie kunnen christenen argumenten ontlenen. Kennelijk zijn godsdiensten toch anders dan particuliere meningen. ‘Gewone’ meningen mogen immers geuit worden, maar godsdienstige hoe langer hoe minder. Alle meningen zijn gelijk, maar sommige zijn meer gelijk dan andere. Het is toch evident dat zo’n laïcité geen “neutraliteit” mag heten, maar zelf een dwingende levensovertuiging is – hoe hard D66 dat ook ontkent.
Hoe harder je godsdienst probeert terug te dringen, des te scherper moet je gaan definiëren wat godsdiensten en godsdienstige uitingen zijn, en welke toelaatbaar zijn of niet. Dat kan de staat niet, en dat moet ze ook niet willen. Het wordt tijd voor een nationale waakhond godsdienstvrijheid.

Verhaal gezocht

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 11 december 2012
Wanneer is een incident geen incident meer, maar symptoom van een verziekte cultuur? Je kunt de problemen bij Amarantis moeilijk nog een incident noemen, als je denkt aan wat er eerder bij Vestia gebeurde. Diederik Stapel is een van de grootste wetenschapsfraudeurs ooit, maar kennelijk was er een cultuur van prestatiedruk en scoringsdrang waarin juist hij kon floreren. En hoezeer ook gemeend, de reactie van premier Rutte dat het doodschoppen van een grensrechter door drie pubers “absoluut niet kan worden getolereerd”, klinkt een beetje hol. Die tekst kenden we al, van de Facebookrellen in Haren. Ook de oplossingsrichting waarin gedacht wordt, is bekend: strenger straffen, vervolging van verantwoordelijken, onderzoekscommissies, rapporten en met elkaar praten hoe dit toch heeft kunnen gebeuren. Tot het volgende incident zich aandient.
Het werkt allemaal niet. Hoe harder je roept dat je het niet kunt tolereren, des te duidelijker wordt het dat het je door de vingers glipt. En dat er altijd dingen mis zullen gaan. Er is meer aan de hand. Anders ging de ex-bestuurder van Amarantis toch niet procederen, omdat het onderzoeksrapport zijn reputatie beschadigd zou hebben? En Diederik Stapel sprak een soort schuldbelijdenis van dertig seconden uit, waarvan de helft was gereserveerd om reclame te maken voor zijn boek. Weer gaat het óók om geld en aandacht.  Over het schuldbesef van de schoppende voetballers hoeven we ons geen illusies te maken.
Er is al zoveel geprobeerd en het helpt niet. Dat zou maar zo kunnen komen omdat het foute gedrag zo dicht aan ligt tegen het grote verhaal van onze samenleving: het gaat om zelfontplooiing, waarbij je probeert zo veel mogelijk geld of aandacht te vergaren. Binnen zo’n cultuur gedijen de Stapels en Amarantisbestuurders van deze wereld. Grenzen gelden voor anderen. Is het dan vreemd dat iemand met de functie “grensrechter” het moet ontgelden? Dat is geen incident meer, maar een symbolische uitdrukking van hoe onze samenleving ervoor staat.
Raken we nu de bodem? Is de vertwijfeling die je naar aanleiding van de dood van de grensrechter hoort, het begin van een kentering? Niet zolang onze leiders het vooral blijven zoeken in regelgeving en straffen. Wat zou kunnen verbinden en verwijzen naar iets wat ons eigenbelang te boven gaat, moet zelfs hoe langer hoe meer achter de voordeur worden teruggedrongen. Terwijl onze samenleving echt een nieuw verhaal nodig heeft over wie wij zijn en wat er in het leven werkelijk toe doet. Iets wat dieper steekt dan enkel normen en waarden. Zo’n verhaal moet in deze Adventstijd toch te vinden zijn?

Studeren

Mijn column in het RD van 27 november.
Afgelopen weken stond de krant bol van de opstekende storm. De seculiere meerderheid in dit land toont steeds minder geduld met minderheden, met name religieuze minderheden. Misschien is het nog wel zorgelijker dat veel mensen in de zogenaamde zuil zelf zich geen zorgen maken. Er zit echter heel wat in de pijplijn: leerlingenvervoer wordt versoberd of afgeschaft, identiteitsgebonden instellingen verkeren in zwaar weer en hoe lang blijft de vrijheid van onderwijs nog overeind?
Een begrijpelijke reactie zou kunnen zijn dat we al lobbyend proberen zo veel mogelijk te vertragen. Dat is ook absoluut nodig. Maar belangrijker nog lijkt me dat we proberen te doorgronden wat er nu echt gaande is, wat er werkelijk waardevol is en welke kant het op moet. Laten we dus niet in paniek de vragen van de korte termijn adresseren, maar ons wijden aan de grote vragen die lange toewijding vereisen. Het gaat om herbronning met het oog op het heden. Want als de boom op het stormachtige plaatje dat in de krant stond, omvalt, komt dat waarschijnlijk omdat de wortels niet meer bij de vitale bronnen kwamen.
Die herbronning begint bij het besef dat onze eigen tijd om eigentijdse antwoorden vraagt. Met gemeenplaatsen en dierbaarheden gaan we het niet redden. Als de studie zich enkel richt op kerkhistorische nostalgie en levensbeschrijvingen is de nieuwe generatie er ook niet mee geholpen. God roept ons in deze tijd om Hem te geloven en te gehoorzamen. Niet alsof wij de eersten zijn, daarom moeten we terug naar de bronnen. Maar ook niet alsof wij de laatsten zijn, en daarom is er toe-eigening nodig om door te kunnen geven.
Studeren dus. Studenten staan steeds meer onder druk om zo snel mogelijk een studie af te ronden waarmee ze hun hoge studiekosten terug kunnen gaan verdienen. Laten ze echter tijd inruimen voor wat blijvend waardevol is en zich oefenen in toe-eigenen en doorgeven.
Voor predikanten geldt het niet minder. Om de hoorder in deze tijd te bereiken, moeten we zijn en onze eigen leefwereld kennen. Preken zouden maar zo beter en scherper kunnen worden als de nieuwste Nederlandse literatuur gelezen wordt, of recente theologische studies.
Dat betekent niet dat wij met ons studeren het nu wel eens gaan redden. Dat zou wel heel zwaar werk worden, hoogmoedig ook. Maar de luiken voor de ramen doen en ons enkel naar binnen keren is nog veel hoogmoediger en zwaarder.

Verweesde generaties in de kerk

Mijn bijdrage aan een symposium naar aanleiding van de presentatie van het boek van R. Toes, Verweesde generaties.

Bijdrage boekpresentatie Richard Toes

Dames en heren,
Richard Toes heeft een scherp boek geschreven. Scherp in de analyse, en scherp in de verwoording. Hier is een man met een missie. Soms is zijn cri de coeur misschien een beetje over the top, maar dat geeft het boek ook wel weer iets smeuïgs.
Dit boek heet Verweesde generaties, en dat is méér dan een kleine knipoog naar het boek van Pim Fortuyn over de verweesde samenleving. Toes wijst op de oorzaken en achtergronden van het verval van gezag. Die oorzaken vindt hij in de hedendaagse cultuur van authenticiteit, afkomstig uit de Romantiek, in combinatie met de huidige nadruk op autonomie, afkomstig uit de Verlichting. Althans, zo vat ik zijn schets maar even samen. Verlichting en Romantiek zijn beide in de grond anti-autoritair.
Tegenover dit geweld stelt Toes zijn onomwonden roep om terugkeer naar het gezag. Hij doet dit op een onafgeronde manier, zoals hij zelf ook benadrukt, die uitnodigt tot verdere bezinning. Als u mij vergunt: hij kent zichzelf nu ook weer niet zo’n gezag toe dat hij met enkele pennenstreken de boel oplost. Het is al een verdienste als de vragen helder worden gemaakt.
Maar de grote vraag blijft wat we precies onder gezag verstaan en hoe dit zijn beslag moet krijgen? Met andere woorden: waarin verschilt het christelijk geloof van een beschavingsoffensief? Fatsoen moet je doen, is dat het?
Toes wijst het verval van het gezag op verschillende gebieden aan: gezin, school, maar ook kerk. Op het laatste gebied ga ik in deze bijdrage in. Ik probeer wat Toes aanreikt, te verwerken en er op verder te denken.

Herkenning

Veel van wat Toes schrijft, roept herkenning op.

  1. De aandacht voor de individuele beleving maakt dat Bijbel en belijdenis worden gedevalueerd; al ben ik bang dat mensen zich nooit graag hebben laten gezeggen door Bijbel of belijdenis, en dat ook hoogst orthodoxe mensen zo hun minder favoriete teksten hebben;
  2. De toegenomen informatiestroom kan licht gezagsondermijnend werken. Dat kan is van mij: Toes stelt het meer. Mensen kijken niet alleen in andere kerkverbanden, maar ook in andere landen. Zo’n preek van Tim Keller, daar kan onze dominee toch niet tegenop?
  3. Wat dieper afstekend: identificatiefiguren ontbreken hoe langer hoe meer. Toes wijt dit onder andere aan het kopiëren van het jongeren in kleding en twittergedrag. Hier luistert het nauw, want je kunt het niet omdraaien: trek een pak aan en gooi je mobiel uit het raam en je bent een geweldige identificatiefiguur. Als dat zo was, zouden de meeste predikanten in refokring alleen al om kleding en twittergedrag ideale identificatiefiguren zijn!
  4. De diepste laag, zegt Toes met A. van de Beek: het authentieke geloof ontbreekt! We hebben geen boodschap meer. We zijn op vakantie geweest, er was niets aan, en toch zeggen we bij thuiskomst: ik zal je een paar dia’s laten zien. (Dat was voor de komst van de iPad, zoals u begrijpt). Wat resteert, is de bloei van het getto, de subcultuur die persisteert. Voor zo lang het duurt.

Bij deze diepste laag wilde ik proberen verder te denken, op het gevaar af dat ik met Toes’ gedachten soms wat op de loop ga (ook hier gaan de theologen voorop!). Wat is nu het echte christelijke geloof, en dan bedoel ik niet alleen de geloofsinhoud, maar ook de geloofsdaad – die liggen namelijk veel dichter bij elkaar dan vaak wordt gedacht.

Ontbrekende Vader: Gods Vaderschap

Toes spreekt van verweesde generaties. Een wees heeft geen vader en moeder meer, en juist bij die gedachte wilde ik insteken.
Allereerst de ontbrekende Vader, met een hoofdletter. God de Vader, naar wie – zegt Paulus in Efeze 3 – alle vaderschap genoemd wordt. Is dát uiteindelijk niet het fundamentele probleem: dat we ons voor wat vaderschap is, en gezag, niet oriënteren op God zelf?
Er is uitbundig aandacht voor het vaderschap van God, met name in evangelische kring. Daar betekent Gods vaderschap vooral geborgenheid, nabijheid, je mag er zijn. Dat is zeker een kant van Gods vaderschap, en een die we in reformatorische kring misschien wel verwaarloosd hebben. Maar het is wel eenzijdig, omdat een Vader volgens het NT ook zijn kinderen kastijdt, als Hij ze tenminste werkelijk liefheeft.
Aan de andere kant is in reformatorische kring het vaderschap van God een verwaarloosd thema. God als Vader aanspreken in het gebed: kan dat zo maar, of ben je dan al snel te licht bevonden? Christus leert het, in de Reformatie was het een geweldig belangrijk thema, maar wij lijken ons meer blind te staren op wie Gods kinderen zijn dan dat we oog hebben voor de Vader. Natuurlijk is dit een snelle generalisatie, dat besef ik. Maar even for the sake of the argument.
Wat kunnen we hiermee nu voor het thema ‘gezag’? Een hernieuwde focus op het vaderschap van God kan ons leren niet onze ideeën over hoe vaderschap werkt (hoe soft of juist hoe autoritair) op God te plakken, maar andersom te leren hoe vaderschap bedoeld is.
Als ik daar iets gereformeerds over mag zeggen, dan denk ik aan de wet van God. Wie ‘wet’ zegt, denkt aan gezag – denkt misschien ook wel aan kadaverdiscipline. 15 miljoen mensen op dat hele kleine stukje aarde, die schrijf je niet de wetten voor, die laat je in hun waarde, zo citeert Toes een bekende song.
Maar de wet is niet bedoeld om mensen dwars te zitten. Ook niet alleen om te laten zien hoe slecht we zijn (dat ook) – maar Calvijn zegt dat de belangrijkste functie van de wet is om ons te leren in dankbaarheid te leven. Gehoorzaam dus, maar in het besef dat de wet van God een weg is, een Weisung, wegwijzend onderweg. De wet is niet los van het evangelie! Waar het gezag in dit licht een nieuwe klank krijgt, worden mensen niet onderdrukt (het gevoel van waaruit in een vorige generatie tegen het gezag werd geprotesteerd), maar worden mensen ook niet eindeloos vrijgelaten (zodat ze gaan lijden aan de leegte). De wet geeft vulling aan het leven en toekomst.

Ontbrekende moeder: de kerk

Een tweede punt waarop ik wilde voortborduren op wat Richard Toes zegt, betreft de ontbrekende moeder. De verweesde generatie mist niet alleen een vaderfiguur, maar ook een moeder. De kerk. De kerkvader Cyprianus heeft gezegd dat wie de kerk niet als moeder heeft, God niet als vader kan hebben. Dit accent is vooral in rooms-katholieke kring opgepikt, waar men graag over de moederkerk spreekt.
Het gezag, wil het werkelijk gezag zijn, zal ook een moederlijke toespitsing moeten krijgen. Daar gaat het over de zorg van de kerk, de kerk als gemeenschap, in opdracht van God. Het gaat om prediking, catechese en pastoraat, die elkaar in onderlinge samenhang raken. En het gaat over de kerk als gemeenschap, die in het sacrament van het avondmaal uitdrukking krijgt.
Toes wijst op het functieverlies van de predikant als publieke figuur, vanwege de toegenomen sociale zekerheid en de geestelijke gezondheidszorg. De PKN noemt als eerste taken de bediening van het Woord, pastoraat en toerusting. Toes noemt het als illustratie van functieverlies van de predikant. Ik weet niet of ik dat helemaal goed begrijp, maar volgens mij ligt juist in deze core business de sleutel tot een vernieuwing van het gezag.
Toes ziet niet zo veel in coaching, die vaak al te pamperend van aard is. Akkoord, al zijn er ook confronterende coaches. Maar daarbij kunnen we wél zeggen: eigenlijk is al die coaching een seculiere versie van wat in de kerk pastoraat heet. Zielszorg. Het problematische aan coaching zoals Toes die beschrijft, is dat deze niet de ziel adresseert. Er kan ook geen gezagsrelatie bestaan tussen coach en gecoachte. Het gaat om de echte zielszorg, die – ook in verband met de prediking – ook echt confronterend durft te zijn. Gezagvol, want komend met het Woord.
Toes pleit voor het gezag van het Woord, en wel terecht, maar hoe maken we dat dan concreet? Terecht wijst hij er op dat christelijke normen en waarden nodig zijn, en dat het secularisme Nederland zijn ziel ontneemt. Maar hoe krijgt dat Woord daadwerkelijk gezagsvol gestalte? Ook een civil religion biedt die gestalte toch niet. Mijn gedachte: er moet opnieuw gezagvol gepreekt worden, catechisatie gegeven, pastoraat bedreven.
Het probleem is dat veel kerkelijk gezag zo makkelijk postmodern te deconstrueren is: jij stelt je zo autoritair op, omdat je behoefte hebt aan macht, erkenning of iets dergelijks. En vaak is dat ook nog zo. Hoe kan er dan toch van gezag sprake zijn? Als je merkt dat die predikant of ouderling zich zelf ook laat gezeggen door het Woord. Als het niet een trucje is om zelf belangrijk te zijn, maar als de leraar zelf leerling is, als de herder zelf schaap van de Goede Herder is.
Met andere woorden: het gaat om een herontdekking van de rechtvaardiging van de goddeloze. Mijn gezag stelt helemaal niks voor, er is werkelijk geen reden waarom de mensen naar mij zouden luisteren. Maar Gods genade stelt me op mijn voeten, maakt dat ik de stem van de Meester mag vertolken.
De toepassing van Toes’ preek voor mij is dus: gezagsvol spreken vraagt dat de predikant één is met het Woord dat hij brengt. Is het eigenlijk wel zo verkeerd als jongeren er een antenne voor hebben als mensen zich zelf niet laten gezeggen door datgene waarvan ze zeggen dat het waardevol is? Het is niet gemakkelijk in deze tijd, omdat je je gezag lijkt te moeten verdienen. Dat zou niet zo moeten zijn, maar nu het zo is, vraagt het veel van de predikant als identificatiefiguur? Met andere woorden: dat authentieke geloof dat langzaam lijkt weg te sijpelen en dat de gezagscrisis volgens Toes mede heeft veroorzaakt – datzelfde authentieke geloof is nodig om de gezagscrisis te boven te komen!
Hoe zijn predikanten identificatiefiguur? Door niet – zoals wij zo vaak doen – over de hoofden heen te preken en waarheden over de mensen uit te storten, maar door oog te hebben voor weerstanden die het Woord oproept, de mensen nabij te komen in hun vragen, moeiten en ook angsten. Juist waar het Woord echt nabij komt (en dat is wat anders dan pamperen) blijkt dat Woord ook gezag te oefenen over mijn leven.
Dan hoef ik niet gewild mij aan te passen aan de kledingstijl van de jeugd, maar mijn identiteit hangt ook niet aan mijn pak. Mogelijk kun je zelfs wel twitteren, als je het maar authentiek christelijk doet.
Dit vraagt wel een ander type predikant. Niet de klassieke predikant die veronderstelt dat hij wel gezag heeft – dat gaat (nogmaals: helaas) niet werken. Ook niet de prediking die zich gewoon Jan laat noemen en die gewild populair doet. Maar de predikant als gezondene met het gezagvolle Woord – en die dus ook heel goed oppast met wat hij wel en niet zegt. En die dus ook weet wanneer hij moet ophouden. Ik dank u wel.