'Christus als Leraar': presentatie bij lezing

Vanmiddag hield ik bij Driestar Educatief een lezing in het kader van het lectoraat Christelijk leraarschap (lector: Bram de Muynck), onder de titel: ‘Christus als Leraar’. Via deze link is de powerpointpresentatie bij de lezing die ik vanmiddag hield, te vinden. Door een aantal mensen krachtig aangemoedigd, zal ik proberen in de komende dagen wat gedachten uit die lezing in blogs te gieten en hier te publiceren.

Hoe deel ik mijn bibliotheek in?

Gisteren na college was er een student die mij om advies vroeg, hoe zijn bibliotheek in te richten: orden je alles enkel op alfabet, of breng je ook categorieën aan? Direct mengden anderen zich in het gesprek. Conclusie: het hangt er vooral van af wat voor boeken je hebt.
Hoe ik mijn bibliotheek heb ingedeeld? Eerst commentaren, geordend op OT / NT, maar wel per serie bij elkaar, en dus niet op bijbelboek. Dat laatste lijkt wel handig, maar is het niet als een commentaarband meerdere bijbelboeken behandelt. Bovendien geeft het een wat onrustig beeld in je boekenkast – hoe goed of slecht je daartegen kunt, zegt ook weer veel over jezelf en is voer voor psychologen.
Maar goed: na de commentaren komen respectievelijk de afdelingen Oude Testament (niet zijnde commentaren), Nieuwe Testament (niet zijnde commentaren), woordenboek (TWAT, ThWNT e.d.), homiletiek (inclusief Postillen), catechismus (want daar moet ook over gepreekt worden).
Dan komt mijn zwaktebod: er blijft nog heel, heel veel over. Twee categorieën moeten het doen: theologie vóór de 20e eeuw en theologie vanaf de 20e eeuw, of misschien is het wel: stichtelijk en kerkhistorisch werk enerzijds en modern systematisch-theologisch werk anderzijds. Die laatste typering past eigenlijk het beste.
Of de geachte student met mijn antwoord tevreden was? Eigenlijk ben ik veel meer benieuwd naar manieren waarop anderen hun boekenkast / bibliotheek indelen. Ik lees graag jullie reacties!

Revival vanuit Heidelberg

Conserveren of restaureren?

Lezing themadag studenten Hogeschool Driestar Educatief, 1 okt. 2013

Inleiding: schets van het probleem

Conserveren of restaureren? Dat is de vraag die de organisatoren als ondertitel aan deze dag hebben meegegeven. Een mooi klinkende titel, die echter direct verraadt dat we het hier over iets ouds hebben, een document met de allure van een museumstuk. Goed, je kunt nog discussiëren over de vraag of je wilt conserveren (het oude in stand houden) of restaureren (het in oude staat terugbrengen omdat er laag na laag overheen is aangebracht). Maar hoe dan ook zijn beide termen op het oude gericht. Dat is ook precies het gevoel dat de Heidelbergse Catechismus bij veel kerkelijke jongeren van nu oproept: het gaat hier om is iets ouds, dat door veelal oudere mensen in stand gehouden wordt en dat kennelijk heel belangrijk gevonden moet worden. Communicatief sta je dan echter al wel twee-nul achter. Voeg hierbij de ervaring die veel mensen hebben met catechismuspreken die zo droog zijn als scheepsbeschuit uit 1563, en de toon kan haast alleen nog maar negatief en/of defensief zijn.

Biedt de term uit de hoofdtitel misschien soelaas? ‘Revival vanuit Heidelberg’! Hoewel het Engels het meteen een stuk interessanter laat klinken (althans voor sommigen), is het maar de vraag of dit helpt. Een revival, een herleving, vanuit de Heidelbergse Catechismus? Die komt dan wel rijkelijk laat, maar beter laat dan nooit. En wat zou zo’n revival kunnen betekenen?  Afgezien van het irreële van een dergelijke wensdroom – het is er ook één van de soort waarvan je je af moet vragen of die wens wel zo goed is. Toch staat ‘revival’ als term me meer aan dan conserveren of restaureren, omdat de eigen tijd meer in beeld komt.

Laten we eerlijk zijn: de Heidelbergse Catechismus is nu eenmaal een oud document, 450 jaar om precies te zijn. De uiterste houdbaarheidsdatum ligt volgens velen al lang achter ons, en de liefhebbers van de catechismus zijn vaak mensen met historische interesse, of theologen, of een combinatie van die beide. Het is de vraag hoeveel animo er over vijftig jaar zal zijn voor de herdenking van 500 jaar Heidelbergse Catechismus. Toegegeven, dit is een wel erg somber begin van een mooie studiedag in een prachtige kerk.

Het is dan ook maar één kant van het verhaal. Nog altijd zijn er mensen die zich getroost weten door wat ze in de Heidelbergse Catechismus hebben gevonden. Ouderen die vroeger op catechisatie de complete catechismus uit hun hoofd moesten leren, en die later de waarde daarvan hebben leren inzien. Niet alleen intellectueel, maar vooral persoonlijk en bevindelijk.

Er zijn ook veel jongeren die catechismusprediking waarderen en zeggen er bijzonder veel van te leren. Maar dan gaat het meestal wel om een bepaalde soort catechismusprediking, die fris, eigentijds en actueel is, waarin – kortom – het niet alleen om oude waarheden gaat, zelfs niet om wat nieuwere waarheden, maar om Hem die zelf de Waarheid is.

Uiteindelijk hebben we met de Heidelbergse Catechismus goud in handen, daar ben ik van overtuigd. Maar dat goud moet wel opgedolven worden.

Doelstelling

In deze lezing wil ik met u en jullie verkennen hoe we zo met de Heidelbergse Catechismus kunnen omgaan dat we de rijkdom ervan (opnieuw) leren ontdekken, zonder dat we ons opsluiten in een nostalgisch verlangen naar het verleden, zonder dat we aan simpele repristinatie doen, zonder dat we vergeten dat we 450 jaar later leven. Het gaat me dus om een levende omgang met de Heidelbergse Catechismus die midden in het leven staat. De grondovertuiging daarachter is dat God de levende is, die ons niet zonder reden in deze tijd plaatst, met de vragen van vandaag. Als we daarop enkel de antwoorden van voorheen weten te herhalen, geloven we kennelijk niet echt, niet in de praktijk van ons leven, dat God nog altijd de levende is. Of we zijn er daadwerkelijk van overtuigd dat Gods werk na de 16e, 17e of 18e eeuw (maar in die discussie treed ik niet) in Europa zozeer is afgezwakt, dat we enkel terug moeten naar wat onze vaderen leerden.

Grondlijnen van een gezonde omgang met de HC

Hoe het niet moet

Van een aantal manieren van omgaan met de Heidelbergse Catechismus wilde ik direct wat afstand nemen. Vooropgesteld: ik doe dat door enkele extremen te schetsen, waar ik bij vandaan wil blijven, terwijl gematigde vormen van die extremen wel degelijk behulpzaam kunnen zijn bij een hedendaags verstaan van de Heidelbergse Catechismus.

De Heidelbergse Catechismus is, om te beginnen, geen wetboek om elkaar de maat mee te nemen en al helemaal geen honkbalknuppel om elkaar eens een lesje te leren. Hij is ook geen totempaal van orthodoxie, waaraan ten minste lippendienst bewezen moet worden wil je in bepaalde kringen serieus genomen worden. Al te snel wordt dat een clichématige formule, waarvan nog maar heel moeilijk vast te stellen is wat die betekent. Denk aan grondslagen van scholen, waarin de Schrift en de Drie Formulieren van Eenheid vermeld staan. Dat is wat mij betreft mooi en goed, maar het betekent op zichzelf nog niet zo veel, omdat de werkelijke identiteit van een school in de lespraktijk wordt gemaakt. Daarbij is de persoon van leraar vele malen belangrijker dan de expliciete verwoording van de grondslag in de statuten.

Ik noem bewust de term ‘grondslag’. De geïmpliceerde metafoor is die van een gebouw, dat op een fundament staat. Dat is een hoogst statisch beeld. Het fundament functioneert door te liggen en door liefst te blijven liggen waar het ligt. Als er enige dynamiek ontstaat, is dat enkel doordat je gaat ‘voortbouwen’ op het fundament dat eerder gelegd is. Onherroepelijk roept dat de vraag op of de opbouw past bij het fundament dat door de vaderen gelegd is. Het discours cirkelt rond trouw aan de traditie, al dan niet.

Als we echter de Heidelbergse Catechismus niet als fundament beschouwen, maar als een bron, ontstaat er een ander plaatje. Dan ligt de Catechismus er niet rustig en bedaard te liggen, maar ontstaat er een dynamiek vanuit het verlangen, een dorst die gelest moet worden. Een bron biedt levenswater die de dorst lest en het verlangen tot vervulling laat komen.

Uiteraard roep ik hiermee direct de vraag op of je de Heidelbergse Catechismus zo onomwonden ‘bron’ kunt noemen. Is dat niet de Bijbel, of veeleer: God Zelf? Die vraag wordt in onze dagen met kracht gesteld. Is de oude belijdenis niet eerder een sta-in-de-weg geworden dan een betrouwbare gids naar de bron? Daar zullen we zo nog wat dieper op in moeten gaan.

Hoe het wél mag: richtlijnen

Hoe moet het dan wel? Graag geef ik drie richtlijnen voor de omgang met de Heidelbergse Catechismus in het bijzonder, maar ook met de gereformeerde belijdenis in het algemeen. Daarna geef ik een aantal concretiseringen aan de hand van wat ik beschouw als highlights in de Heidelbergse Catechismus.

Maar eerst dus de drie richtlijnen. Ik vat ze eerst samen in twee statements, variaties op het thema van deze dag:

  • Niet enkel conserveren, maar vooral actualiseren;
  • Niet restaureren maar herbronnen.

Richtlijn 1: Verdisconteer de historische context

De Heidelbergse Catechismus is nu eenmaal een document dat in een bepaalde context ontstond met een bepaalde bedoeling voor een bepaald publiek. Hoe meer je je er in verdiept, des te meer raak je daarvan onder de indruk. Belangrijker nog: des te meer leer je begrijpen waarom de HC bepaalde dingen zegt zoals hij zegt.

Laat me een voorbeeld noemen. De Heidelbergse Catechismus is een gereformeerde belijdenis in een verder lutherse context. In de godsdienstvrede van Augsburg was bepaald dat de religie van de vorst leidend was voor zijn gebied, samengevat in de leus cuius regio, eius religio: wiens regio, diens religie.

Het probleem voor keurvorst Frederik III van de Pfalz, die naar het gereformeerde standpunt neigde, was echter dat de Augsburger Religionsfrieden maar twee smaken kende, namelijk rooms-katholiek en luthers. Lutheranen waren degenen die de Augsburgse Confessie (Confessio Augustana) van 1530 onderschreven. De gewijzigde (Variata) versie van deze geloofsbelijdenis uit 1540 was wat gematigder en acceptabeler voor gereformeerden. Maar Frederik wilde een eigen gereformeerde belijdenis ontwerpen, en had een ideaal van de reformatie en modernisering van de complete samenleving. Daarom moest er een nieuwe catechismus komen. Het overnemen van een bestaande catechismus, zoals Calvijns Geneefse Catechismus van 1545, behoorde niet tot de mogelijkheden. Bij de Lutheranen zou deze keus ongetwijfeld verkeerd vallen. De bedoeling was dus een catechismus die enerzijds gereformeerd was, maar die anderzijds de afstand tot de Lutheranen niet groter maakte dan strikt noodzakelijk.

Deze nog vrij grove schets van de historische omstandigheden waaronder de Heidelbergse Catechismus ontstond, kan helpen om te verklaren waarom er gemakkelijker en nadrukkelijker van de rooms-katholieken afstand wordt genomen dan van de lutheranen. Over de rooms-katholieken gesproken: de beroemde en vooral beruchte vraag en antwoord 80 stond oorspronkelijk niet in de catechismus, maar werd later toegevoegd als reactie op de veroordelingen van het concilie van Trente. Deze vraag en antwoord doorbreekt de verder uitgebalanceerde parallelle structuur tussen de behandeling van doop en avondmaal.

Dit voorbeeld laat zich met vele vermeerderen. Het is duidelijk: de HC is door de eigen tijd gestempeld, en is daarbij ook heel nadrukkelijk mensenwerk. De opstellers van de HC hebben uiteraard in de behandeling van de Tien Geboden juist die zonden aan de kaak gesteld die in hun tijd aan de orde waren. Bedrieglijke weegschalen gebruiken was in die tijd kennelijk nog niet iets dat door de overheid werd bestraft. De HC is dus heel kennelijk gedateerd.

En dat is goed nieuws. Goede theologie en goed geloofsonderwijs heeft niet een tijdloze set waarheden te presenteren, maar gaat echt in op de eigen tijd. De theologen uit vroeger eeuw tegen wie het meest wordt opgekeken, waren vaak het meest kind van hun tijd.

Wat mij betreft leren we daaruit dat het niet verkeerd is om kind van je tijd te zijn; dat het zelfs nuttig is als je echt wat wilt betekenen in kerk en samenleving. Bovendien kunnen we vaststellen dat het gebruik van de HC in onze tijd niet kan op de manier van copypaste.

Dit besef van historische afstand kan maken dat we vrijer komen te staan in de omgang met de Heidelbergse Catechismus; dat het in ieder geval is uitgesloten dat de Heidelberger tot een soort wetboek zou worden.

Relativeert dit de belijdenis dan niet? Ik zou liever willen zeggen dat het de belijdenis relateert, namelijk aan de eigen tijd. Wie de belijdenis tot een tijdloze grootheid maakt, neemt nu juist het bijzondere ervan weg: in een heel specifieke situatie heeft men door Gods Geest geleid het Evangelie op een heel bepaalde manier beleden. Zo mogen wij datzelfde Evangelie in onze tijd ook belijden.

Uiteraard ontstaan er op deze manier reliëf in de belijdenis: niet alles is van gelijk gewicht. Zondag 37 over de christelijke eed heeft een ander gewicht dan Zondag 1 over de enige troost in leven en in sterven. Dat lijkt me evident. En een historische lezing kan helpen om in het geval van de Zondag over de eed, ons niet blind te staren op het fenomeen van de eed als zodanig, maar om te onderkennen dat de Dopersen weigerden de eed te zweren, omdat ze de aardse overheid niet als zodanig erkenden. Dat biedt vervolgens de mogelijkheid om stil te staan bij onze verhouding tot de overheid. Wij leven in een heel andere context, een liberale democratie en niet een zestiende-eeuws vorstendom. Christelijke noties over de relatie tot de overheid kunnen zo aan bod komen.

Daarmee is de HC echt wel meer dan een soort verzamelbak van preekideeën. De theologische lijnen die er in getrokken worden, zijn voor ons wel degelijk normatief. Maar normatief op een bepaalde manier. Niet op dezelfde manier als de Bijbel normatief is – en dat brengt me bij de tweede richtlijn.

Richtlijn 2: Vermijd een concurrentieverhouding tot de Bron

Waar mensen in onze tijd afknappen op de Heidelbergse Catechismus, heeft dat vaak te maken met de gedachte dat de Heidelbergse Catechismus de Bijbel van zijn plaats verdringt. En waarom zou je zo’n samenvatting van de Bijbel nodig hebben als het origineel veel rijker is?

Om bij dat laatste te beginnen: de HC is absoluut géén samenvatting van de Bijbel. Het zou ook nogal een eenzijdige samenvatting zijn, waarin weinig van de Wijsheidsliteratuur en de oudtestamentische geschiedenissen is meegekomen, en juist heel veel van de brieven van Paulus, en dan vooral die aan de Romeinen en aan de Galaten. Als je de belijdenis al een samenvatting zou willen noemen, dan een samenvatting van het Evangelie, zoals terecht verstaan daar en toen.

De HC vervangt of verkleint de Bijbel dus niet, maar helpt juist om trouw te blijven aan het Evangelie, de kern van wat de Bijbel ons aanreikt. De bedoeling is niet dat de Bijbel dicht gaat, maar dat de Bijbel opengaat. In de oorspronkelijke uitgave van de HC stonden tekstverwijzingen in de marge, nu staan ze in veel uitgaven klein vermeld onder het antwoord. Die tekstverwijzingen zijn niet allereerst bedoeld als bewijsteksten (al zijn ze dat ook wel): teksten die ondersteunen wat de HC zegt. Veeleer zijn die tekstverwijzingen bedoeld om de lezer aan te sporen zijn Bijbel er bij te pakken en te gaan lezen.

Omdat de HC in een heel bepaalde context is ontstaan en geen samenvatting van de Bijbel wil zijn, kun je dus ook vanuit ons perspectief gerust wijzen op lacunes, zonder dat dit direct kritiek op de belijdenis mag heten. Over Israël vind je weinig, over de wijsheid, zoals gezegd, en zo valt er nog wel meer te noemen.

Dat betekent dat de HC ons niet achterover laat leunen, maar ons juist uitdaagt om actief Gods Woord te verstaan in onze eigen tijd. Daarbij kunnen we leren van de belijdenis, hoe je dat nu doet, Gods Woord eigentijds verstaan – maar refereren aan de belijdenis alleen gaat het voor ons niet oplossen. De HC is niet zelf de bron, maar verwijst ons naar de bron van het Woord van God, opdat we er uit zouden drinken.

Richtlijn 3: Zoek naar “de religie van de belijdenis” voor nu

Nog één stap verder. In de gereformeerde traditie is steeds benadrukt dat het gaat om de “religie van de belijdenis” (zo bijv. A.A. van Ruler). Dat betekent dat de belijdenis nimmer een dode letter mag zijn, een kerkelijk reglement of iets dergelijks, maar dat het om de levende geloofswerkelijkheid gaat. Met andere woorden: waar de HC spreekt over de levende troost, is dat geen theorie, maar doorleefde geloofswerkelijkheid, ook nu nog. Hoewel we mogelijk, als we vandaag de dag spontaan zouden moeten formuleren, op punten andere formuleringen gekozen zouden hebben, maken we daar geen punt van. Het is het ene geloof, de ene Geest.

Dit gaat samen op met het drinken uit de bron van het Woord. Hoe meer je je innerlijk verbonden weet met de belijdenis, des te meer zul je uit de bron van het Woord willen drinken. Hoe meer je in het Woord vindt, des te meer zul je overeenstemmen met de waarheid van de belijdenis – je wordt ingeoefend in de enige troost.

Dan hoef je niet bang te zijn voor de confrontatie met de eigen tijd, althans als je echt belijdt: “Ik geloof in de Heilige Geest.” Hij blijft bij Gods Kerk en Gods kinderen en leidt hen in de volle waarheid. Het is geestelijke armoede als we 450 jaar Heidelbergse Catechismus herdenken enkel in historisch perspectief. De HC is niet allereerst voor oude, maar voor jonge mensen bedoeld.

Maar waarom zou je het willen en wat levert het op? De meerwaarde van de HC blijkt vaak te zijn dat je staande in onze eigen tijd soms iets krijgt aangereikt dat kritisch werkt, dat haaks staat op ons levensgevoel, en dat bij nadere beschouwing toch wel heel Bijbels blijkt te zijn.

Samengevat

  • Niet enkel conserveren, maar vooral actualiseren;
  • Niet restaureren maar herbronnen.

Concretiseringen

Wat betekent dit nu allemaal inhoudelijk? Met andere woorden: over conserveren en/of restaureren hebben we het nu gehad, valt er ook nog iets aan te reiken wat een begin zou kunnen zijn van een revival? Graag wijs ik op twee punten, bekende punten, maar waarbij ik in overeenstemming met wat ik zojuist naar voren bracht, probeer het spannende moment in de Heidelberger op te zoeken en dat te confronteren met onze eigen tijd, luisterend naar de Schrift.

De enige troost

Het eerste is, uiteraard, de enige troost – de fameuze openingsvraag van de Heidelberger. Om deze troost goed te kunnen verstaan, is allereerst nodig dat we de afstand markeren tussen dit begrip en ons begrip ‘troost’. Voor ons klinkt troost naar een sfeer van rouw en verdriet; in ieder geval niet naar iets dat je in het gewone, dagelijkse leven nodig hebt. Voor de opstellers van de Heidelbergse Catechismus lag dat anders. ‘Troost’ betekent: je houvast, de grond onder de voeten, de basis van je bestaan – voor God. Het gaat dus om heel mijn bestaan, deze notitie is voluit existentieel, en tegelijkertijd raakt deze aan de kern van het Evangelie, namelijk dat ik alleen door genade voor God kan bestaan. Dat heeft overigens óók (maar niet uitsluitend) te maken met situaties van rouw en verdriet, waarvan men in de zestiende eeuw doorgaans aanzienlijk meer te verstouwen kreeg dan wij tegenwoordig. Ziedaar hoe je dichter bij het verstaan van de Heidelberger komt als je historisch leest.

Als we naar de inhoud van de troost kijken, stuiten we op het eigendomsbegrip. Mijn enige troost is dat ik het eigendom ben van Jezus Christus. Dat klinkt voor moderne oren helemaal niet aantrekkelijk. Ik wil vrij zijn, niet iemands eigendom – dat riekt naar slavernij.

Op dit punt blijkt wat mij betreft de waarde van de Heidelberger voluit. Want bij nader inzien blijkt die eigendomsgedachte een heilzame correctie op onze tegenwoordige intuïties. Paulus noemt zichzelf geregeld een doulos, een slaaf, van Jezus Christus. “Wiens ik ben, Die ik ook dien” (Handelingen 27:27). Zo blijkt hier te functioneren wat ik aanreikte: de Heidelberger neemt niet de plek in van de Bijbel, maar maakt je opmerkzaam op bepaalde accenten in de Bijbel die je anders misschien zou laten liggen. Hier is de Heidelberger geen concurrent van de Bijbel, maar juist een hulp om te verstaan.

Tegelijkertijd zullen wij tegenwoordig sterk willen benadrukken dat het eigendom van Jezus Christus zijn wel degelijk betekent dat je in de vrijheid gesteld bent. En dat in Bijbels licht de gemeenschap met Christus zo breed en diep is dat deze met het beeld van het huwelijk wordt verduidelijkt. We behoren Christus toe, maar dan zoals een bruid haar bruidegom toebehoort.

Ellende, verlossing, dankbaarheid

Het tweede punt: het besef van onze ellende. Ik laat de hele discussie over de driedeling ellende-verlossing-dankbaarheid en de volgordelijkheid daarvan (of niet), maar rusten. Als we nu enkel kijken naar het kennen van je ellende. De reflex in onze tijd is dat je daarmee toch niet meer aan kunt komen, met die zware boodschap van de zonde en van de Wet. Tegenwoordig zitten mensen meer met de vraag naar de zin van het leven dan met de vraag naar de vergeving van hun schuld. In de gereformeerde gezindte wordt hierbij dan de vinger gelegd en benadrukt hoe fundamenteel de ellendekennis wel is.

Als we nu teruggaan naar de Heidelbergse Catechismus zelf, blijkt dat de tegenstelling tussen ‘schuld’ en ‘zin’ niet zo groot te zijn als misschien wel gedacht. Vraag 3 (de favoriet van veel catechisanten vanwege de lengte) luidt: “Waaruit kent gij uw ellende? Uit de wet Gods.” Maar wat eist Gods wet dan van ons? Dat leert Christus in een hoofdsom, samenvatting: Gij zult liefhebben de Heere uw God – en uw naaste als uzelf. Kortom: hier wordt de Wet samengevat als liefde! Niet de oudtestamentische Tien Geboden worden hier genoemd; die komen in het stuk van de dankbaarheid, maar de Nieuwtestamentische samenvatting. Onze ellende is, dat we tekortschieten in liefde! Uiteraard is dat ook schuld, maar het is niet alleen de schuld bij een overtreding van een regel, maar de schuld in een relatie. Onze liefde, ons verlangen, is verkeerd gericht geraakt, niet langer op God maar op onszelf. En daarom zijn we ‘ellendig’ geraakt. Hoeveel dominees hebben al betoogd dat ‘ellende’ met ‘uitlandig’ te maken heeft – ‘vervreemd’ dus? (Of die uitleg helemaal klopt, laat ik maar even rusten). Daar raken de schuld en de vervreemding elkaar. Dat biedt openingen om een klassiek-gereformeerde prediking, die sterke nadruk legt op menselijke schuld, aan te vullen met de aandacht voor de leegte die veel mensen ervaren, om daaraan te appelleren. Ellende komt door gebrek aan liefde tot God en tot de naaste.

Aan dit punt ontbreekt nog een belangrijk aspect: is het ook Bijbels? Denk eens aan de gelijkenis van de verloren zoon, vaak gebruikt om de drieslag van ellende, verlossing en dankbaarheid te illustreren. Hoe leert de verloren zoon nu zijn ellende kennen? Hij is er ellendig aan toe, in een vreemd land, aan lager wal geraakt, als joodse jongen nota bene tussen de varkens en jaloers op de vretende varkens. Dan ben je ver heen. Maar het wordt pas een besef en kennis van zijn ellende als hij zijn leven ziet in het licht van de goedheid van zijn vader. “Hoeveel huurlingen van mijn vader hebben brood in overvloed, en ik verga van honger”. Hij was verdwenen uit de gemeenschap van liefde met zijn vader. Zijn ellendekennis liet een nieuw verlangen geboren worden naar zijn vader. En als ik dan toch iets over de samenhang met verlossing en dankbaarheid mag zeggen: als je zo je ellende ervaart, is de verlossing niet ver en zal de dankbaarheid des te groter zijn.

Afsluiting

Ter afsluiting nog een aansporing. Als studenten aan deze instelling hebben jullie een cruciale functie voor het doorgeven van de Heidelbergse Catechismus. Als het voor jullie dorre stof is, dan vrees ik dat jullie leerlingen de laatste generatie zijn die iets van de Heidelberger meekrijgt. Maar als jullie ontdekken – en steeds opnieuw ontdekken – dat omgang met de Catechismus inspirerend en levend kan zijn, dat de Schriften er bij open gaan in plaats van dicht, dan kan er maar zo wat moois opbloeien. Of dat een revival wordt, weet ik niet. Maar laten we bidden om de doorwerking van dat Evangelie, dat in 1563 zo helder is verwoord. We zien er vaak weinig van onze samenleving, maar bidden betekent toch de overtuiging – en hier citeer ik het laatste antwoord van de Heidelbergse Catechismus – “dat mijn gebed veel zekerder door God verhoord is, dan dat ik in mijn hart voel dat ik dat van Hem begeer.”

Over verzoening bij Van de Beek

Gisteravond sprak ik in het kader van een AKZ+ cursus over ‘Gods oordeel in de theologie van A. van de Beek’. We kwamen te spreken over de verzoening, en hoe die bij Van de Beek functioneert. Willem Stolk twitterde naar aanleiding daarvan een link naar het proefschrift van Guda H.Borger-Koetsier. Daarin staat op p. 256:

Bij wijze van definitie stelt Van de Beek: De verzoening der zonden is dat God en mens samen sterven aan de schuld der wereld. Dat is in Christus geschied. Als we Hem belijden als Heer, erkennen we dat zijn menszijn ons menszijn is, zijn dood onze dood, zijn vloek onze vloek (Jezus Kurios, 157). Dan kan de mens God aanvaarden als Vader, die juist in zijn liefde alle macht over ons heeft. Dan kan de mens ook verzoend worden met zichzelf, met zijn geschiedenis en zelfs met de wereldgeschiedenis omdat het de geschiedenis is van Gods werken.

Ik teken hier bij aan dat ik hier bevestigd zie dat de structuur van de anhypostasie voor Van de Beek fundamenteel is: Jezus’ menszijn is ons menszijn, omdat Hij de mensheid heeft aangenomen.

Is het echt zo erg met de synode van de CGK?

In een opinieartikel in het Nederlands Dagblad bespreekt Bé Steenbergen een aantal kanttekeningen van mr. P.Th. Versteeg bij het functioneren van de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in 1992. Volgens Steenbergen is er sindsdien “met deze punten niets, maar dan ook niets gedaan. Integendeel: de situatie is alleen maar treuriger geworden.”

In de hoop dat ik de copyrights van het artikel niet schend als ik er breed uit citeer (voor je het weet word je van plagiaat beschuldigd), ga ik er toch even vrijmoedig op in.

  1. Onevenredig grote invloed predikanten. Predikanten zijn in de minderheid: er zijn er evenveel als er ouderlingen zijn (namelijk 4×6 = 24), en er zijn ook 4 diakenen afgevaardigd. In andere kerken, waar geen diakenen worden afgevaardigd, vormen predikanten de helft, dus als het om getallen gaat, doen de CGK het vrij goed. Uiteraard zijn predikanten beter in de kerkelijke materie ingevoerd – het is hun werk!
  2. Door het systeem van afvaardigen naar meerdere vergaderingen is het voor ambtsdragers uit grote gemeenten nauwelijks mogelijk afgevaardigd te worden omdat je in grote gemeenten minder vaak aan de beurt zou komen. Dit is eenvoudigweg niet waar. Juist grote gemeenten hebben de gewoonte om steeds dezelfde ouderling af te vaardigen. Zo doet bij ons op de classis Zwolle het, evenals de Urker gemeenten. Juist deze broeders, die vaak op classisvergaderingen komen, worden vaker afgevaardigd. Want ze zijn beter in de materie ingevoerd – zie punt 1.
  3. Ambtsdragers die in het arbeidsproces staan, kunnen zich moeilijk laten afvaardigen. De synode bestaat goeddeels uit gepensioneerden. Dat klinkt als een serieus probleem. Moeilijk op te lossen bovendien, tenzij er radicaal aan de vergadertijden wordt gesleuteld. Enkel avondvergaderingen wordt lastig, omdat afgevaardigden uit het hele land zich er naar toe moeten spoeden. Voor zaterdagen zullen de mensen ook niet echt warm lopen. Maar een nuchtere blik op de getallen (daarbij geholpen door br. Quant) leert mij dat van de 28 niet-predikanten op de synode, er 13 in het arbeidsproces zitten of onvrijwillig werkloos zijn. Dat is toch niet een bijzonder slechte score.
  4. Bij afvaardiging naar generale synode is de bekendheid van de te verkiezen ambtsdrager doorslaggevend. Bekendheid gaat vaak samen met ervaring: iemand is er eerder geweest of komt al jarenlang op de classis. Anderzijds ken ik voorbeelden van mensen die spoedig worden afgevaardigd, omdat men kennelijk bekwaamheid veronderstelt.
  5. Ligging speelt een grotere rol dan bekwaamheid. Er zijn zeker periodes geweest in de geschiedenis van de CGK dat dit een grote rol speelde, maar volgens mij komen we dit hoe langer hoe meer te boven. Het is al te kwetsbaar om namen en rugnummers te noemen, maar wie geen vreemdeling is in het kerkelijk Jeruzalem van de CGK weet dat er niet langs voorspelbare lijnen van ligging is afgevaardigd. We bidden samen op de synode ook dat heilloze blokvorming wordt voorkomen; daarin ging onze oud-preses ons voor in een samenbindende bidstond.
  6. Zou het niet verfrissend zijn als ‘gewone’ ambtsdragers in het moderamen worden opgenomen? Om te beginnen zijn dominees ‘gewone’ ambtsdragers. Moderamenwerk lijkt mij persoonlijk niet iets om te ambiëren: het vraagt veel geduld, wijsheid en tact. Kunnen ouderlingen het niet? Het is niet gebruikelijk, maar er is geen principieel of praktisch bezwaar. Maar de afgevaardigden stemmen hier nu eenmaal over.

Steenbergen voegt er nog twee bezwaren tegen de synodale werkwijze aan toe. Ten eerste: tegen de vergrijzing de jonge ambtsdragers! Laten zij niet gewogen en te licht bevonden worden. Nu ben ik volgens mij met mijn 34 jaar de jongste primus-afgevaardigde, en er zijn meer jongere predikanten. Predikanten ja, geen ouderlingen – maar moeten predikanten vanwege hun ambt dan maar te licht bevonden worden? Bovendien waren er heus ook wel oudere predikanten, die eerder op de synode waren en die uitstekend afgevaardigd hadden kunnen worden. Wat mij betreft zelfs beter dan ik, gezien hun ervaring en wijsheid. Ik zou het jammer vinden als mensen puur op basis van leeftijd (ouder óf jonger) afgevaardigd zouden worden.

Laatste bezwaar: de synodale rapporten zijn niet op de website van de CGK te vinden, zoals het M/V rapport wel op de website van de GKv. Dat heeft iets te maken met kerkelijke cultuur, maar ook met kerkelijke spelregels: in de CGK rapporteren deputaatschappen nu eenmaal aan de synode, dus krijgen synodeleden de rapporten – in de GKv wordt er aan de kerken(raden) gerapporteerd. Voor mij persoonlijk zou er niets op tegen zijn om de niet-vertrouwelijke rapporten online beschikbaar te stellen, al denk ik niet dat het populaire lectuur zal worden. Sterk controversiële stukken zullen waarschijnlijk toch niet online komen, omdat de eigenlijke discussie op de synode gevoerd moet worden, en niet in de pers of op blogs. Rondom het rapport M/V in de GKv doet de beeldvorming al zijn werk, en tegen de tijd dat de synode erover spreekt, is het oud materiaal. Stel je voor dat het rapport ook nog eens niet wordt aangenomen. Naar zo’n werkwijze verlang ik niet.

 

Synode

Mijn column in het RD van 27 augustus.
Later deze week wordt de christelijke gereformeerde synode geopend. Niet bepaald wereldnieuws, of een aandachtstrekker – zelfs niet in de kerken die het betreft. Een paar jaar geleden werd zelfs de suggestie gedaan dat de synode net zo goed op de maan gehouden zou kunnen worden, zo ver staan dit soort kerkelijke vergaderingen van de gewone kerkganger af. De enigen die het werkelijk boeit, lijken wat insiders te zijn en enkele types langs de zijlijn, die roepen dat het toch allemaal kleurloze compromissen worden die bovendien wel wat sneller gesloten kunnen worden. Wat heeft zo’n synode dan voor nut?
Het is geen nieuws dat met name jongeren hun aandacht voor geloof en kerk niet langer exclusief richten op het eigen kerkverband. Logisch in een wereld die een dorp is geworden. Je kunt boeken lezen, preken downloaden vanuit de hele wereld, meeleven met zendelingen in allerlei werelddelen. Zo raak je, bijvoorbeeld, ook nauw betrokken op wat er momenteel aan verschrikkelijks met de Egyptische kerk gebeurt. Dat komt echt dichtbij. Uiteraard relativeert dat veel van onze binnenkerkelijke discussies. Maar misschien is dat wel goed; een manier om samen met alle heiligen te verstaan waarop het aankomt. Niet om alles weg te relativeren, maar een breder perspectief past bij kerk-zijn in deze eeuw.
Kwalijk wordt het wanneer afnemend kerkelijk besef niet te maken heeft met verbreding, maar met versmalling: mijn eigen geloof, mijn eigen kring, mijn eigen gemeente of kring van gemeenten en verder niks. Dan kun je ook van kerk veranderen zoals je een nieuw paar schoenen koopt: “Dit voelt zoveel fijner! Dit past echt bij mij!” De kerk als zelfexpressie – onwaarschijnlijk dat Jezus Christus dat bedoelde met “kruisdragen”.
Een kerkverband, hoe weerbarstig ook, helpt je er aan herinneren dat je niet in je eentje kerk bent. Je krijgt mensen in beeld aan wie je niet had gedacht of die je op het eerste gezicht niet zo liggen. God geeft ons aan elkaar, en dat overstijgt onze individuele voorkeuren en liggingen. Gods genade is veelkleurig; zo ook de kerk.
Dat blijft iets ongemakkelijks, omdat er verschillende kerken en kerkverbanden zijn terwijl we belijden dat de kerk uiteindelijk één is in Jezus Christus. Laten we dat ongemak dan maar als nood voelen en elkaar des te meer zoeken.
Synodewerk vraagt aandacht en tijd. Daarom komt het eigenlijk wel goed uit dat dit mijn laatste column is. Dank aan wie reageerde, positief of kritisch. Ik ga naar de synode en mijn column gaat naar de maan.

Geen bereik

Mijn column in het RD van 13 augustus.
Natuurlijk wilde ik best een sms’je sturen als we op ons vakantieadres waren aangekomen. Alleen bleken we daar, op een Franse heuvel aan de bosrand, geen bereik te hebben. Toch maar even op pad om dat geruststellende berichtje te versturen en om te weten waar ik wél bereik had. Als gemeentepredikant wil je dat soort dingen weten. Ik reed naar het dorpje beneden, zonder resultaat. Op naar de grotere stad, over de provinciale weg. Na twintig minuten en evenzoveel kilometers gaf ik het op. Kennelijk zaten we echt in een buitengebied. Rare jongens, die Fransen.
Het voelde niet goed om niets te weten van wat er mogelijk in de gemeente gebeurd was, en om zelf niets te kunnen laten weten. Het wende wel. Steeds minder checkten we de mobiel, omdat er toch niets was. Totdat een paar dagen later de verhuurder van het huis belde. Of wij ook getroffen waren door de storing in het mobiele netwerk. Ja dus. En kennelijk was ons contact met de buitenwereld weer hersteld.
De rust bleef. We weerstonden de verleiding van internetcafés en het even inschakelen van mobiel internet om de mail of het nieuws te checken. Eigenlijk wel prettig. Na vijf dagen mis je het niet. ’s Avonds ongestoord met een boek op het terras, uitkijkend over het landschap met tien grazende witte koeien.
Eenmaal terug bleek de achterstallige post en mail in een ochtend weg te werken. Natuurlijk zijn de e-mailvolumes lager in vakantiemaanden, maar wat is er eigenlijk weinig bij dat niet een paar dagen kan wachten. Hoeveel tijd zou je kunnen sparen door niet steeds te checken op nieuwe mail of nieuws?
Als we nu eens allemaal ons voornemen meer offline te zijn, op bepaalde dagen of uren. Mocht dat tijd sparen, dan kun je een kwartier of halfuur per dag gebruiken om iets voedzaams te lezen. Geen snelle boekjes die je vlug tot je neemt, maar frisse bronnen die je langzaam kunt lezen. Augustinus, Calvijn, Smytegeld of Bonhoeffer. En dan lezen zoals die Franse koeien aan het grazen waren: rustig, beheerst, vooral niet gehaast. Of liever: zoals die koeien herkauwen. Dat is de term die in de kloostertraditie voor meditatieve lezing gebruikt wordt. Na een jaar blijk je maar zo heel veel waardevols opgelezen te hebben.
Mooi plan natuurlijk, maar is het ook realistisch? Het lastige en tegelijk uitdagende is dat het één het ander versterkt. Langzaam lezen maakt dat je minder snel wordt meegezogen in de snelheid van het leven. Onrustig alles bijhouden slurpt de tijd voor rustig leven op. Wat heet “geen bereik”?

Consumeren

Mijn column in het RD van 30 juli.
In zijn fascinerende nieuwe boek schets filosoof Ad Verbrugge hoe ‘consumeren’ oorspronkelijk ‘verbruiken’ betekende: vaak letterlijk het opeten van voedsel of het verbranden van brandstof. Daaraan zat een negatieve kant van vernietiging, van opmaken. In onze tijd is ‘consumeren’ echter verschoven van het verbruik van een goed naar het aankopen van goederen voor een bepaalde prijs. Consumeren wordt het laten rollen van geld. Dat betekent dat de fysieke beperking is opgeheven: eerder was er een grens aan het consumeren, omdat je niet meer kon eten of omdat je huis echt warm genoeg gestookt was. Maar geld is in beginsel eindeloos. De behoefte om te consumeren wordt niet langer lijfelijk beperkt, maar wordt een oneindig verlangen, ontdaan van de het negatieve gevoel dat consumeren betekent dat er iets op gemaakt wordt. De nieuwere consumptiecultuur is dan ook niet gericht op het bevredigen van behoeften, maar het telkens opwekken van nieuwe behoeften. Er ontstaat een carrousel van consumptie, waarin het oude telkens vervangen moet worden door het nieuwe, op basis van populariteit.
Het fascinerende aan deze kleine begripsgeschiedenis van de consumptie is dat ze laat zien hoe een dergelijke consumptie wel tot een economische én ecologische crisis moet leiden.
Vanuit christelijk perspectief laten deze filosofische gedachten zich verbinden met het Avondmaal, hoe vreemd dat op het eerste gezicht ook lijkt. Het Avondmaal bepaalt ons bij het lichamelijk karakter van ons bestaan, onze fysieke beperktheid, waarin de levende God ons opzoekt. Brood en wijn worden ontvangen als voedsel ten eeuwigen leven. Dat ‘consumeren’ – de betekenis verschuift hier al – is ‘communiceren’ met Christus. Het gaat niet om het opwekken van telkens nieuwe behoeften, maar om het richten van onze verlangens op Christus, en het ontvangen van een voorlopige vervulling door Gods Geest. Er blijft een verlangen over, maar niet rusteloos en onbepaald als in het consumentisme, maar rustig en bepaald door Christus. Het Avondmaal als cultuurkritiek dus; dat zou niet voor het eerst zijn.
Daarbij blijft het jammer dat de spiritualiteit en bevinding van het Avondmaal in reformatorische kring nogal eens worden ingeperkt tot de vraag, wie er aan mag gaan en wie niet. We moeten opnieuw leren, het Avondmaal te verstaan en te beleven, in onze tijd, zoals het voorgeslacht dat in de eigen tijd deed. Dan is het geen vraag meer of het Avondmaal het gewone leven raakt. Het gaat direct over ons, onze verlangens en ons consumeren.

Oproep

Mijn column in het RD van 16 juli.
Dus Els Borst is ook onder de theologen, en premier Rutte wil dat predikanten een oproep doen aan gemeenteleden om hun kinderen te laten vaccineren. Preekideeën van het Binnenhof, met toepassing. Wie had dat gedacht? Komt het volgende verkiezingsprogramma van de VVD met een serie preekschetsen?
Als er al predikanten van plan waren een dergelijke oproep te doen, zullen ze het nu wel uit hun hoofd laten. Wie wil er immers als een marionet van de leidende gremia in ons land gezien worden?
Wat mij betreft is vaccinatie een goede zaak, en mogen predikanten zich gerust afvragen wat hun verantwoordelijkheid in dezen is. En het staat politici, als alle mensen, vrij een moreel appèl op de kerk te doen, zoals de kerk graag in de gelegenheid wil zijn een moreel appèl op politici en desnoods op de staat te doen. Op zich is er dus niet zo veel aan de hand.
Toch werkt deze oproep van Borst en Rutte contra-productief, omdat hij op een dieper niveau appelleert aan een gevoel dat in delen van de gereformeerde gezindte sterk leeft: “ze” begrijpen ons niet en ze willen onze vrijheid om onszelf te zijn, steeds verder inperken. Bovendien zien Borst en Rutte over het hoofd dat niet-inenten lang niet alleen met uitleg van enkele bijbelteksten te maken heeft. Het gaat ook om verzet tegen een maakbare wereld, waarin de mens alles probeert te beheersen, zonder met God rekening te houden. Dat niet-inenten is dus óók een verzet tegen de mainstream liberale principes waar Borst en Rutte voor staan. Hun oproep is eerder markering dan overbrugging van een kloof.
Nog maar kort geleden verzetten juist liberale kamerleden zich tegen de bemoeizucht van de overheid bij een ongezonde levensstijl. Burgers hoeven niet steeds door de overheid betutteld te worden, maar ze kunnen uitstekend zelf risico’s inschatten van hun rook- en eetgedrag. Waar is dat liberale geluid gebleven? Juist afgelopen week verscheen een rapport van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, waarin de overheid wordt gemaand zich minder met de burger te bemoeien en ruimte te geven voor particuliere initiatieven.
Het is een rare situatie. Een liberale premier die zich als gelovige presenteert en preekadviezen geeft tegenover reformatorische mensen die zich met een beroep op liberale waarden tegen de toepassing van deze preek verzetten. In dit concrete geval hoop ik als predikant toch op een overwinning van het liberale gedachtegoed.
Althans, dat is de toepassing die ik uit de preek van Rutte oppik.
 

Ronkende vlaswiek

Mijn column in het RD van 2 juli 2013.
Geen mooiere theorieën dan complottheorieën. De jaarlijkse Bilderbergconferentie, waarin politici en anderen in beslotenheid een geheime agenda behandelen, is altijd brandstof voor theorieën over een geheime wereldregering, aan de man gebracht door types met een permanente frons in het voorhoofd. Wie hun theorie niet gelooft, zit kennelijk ook in het complot. Er is geen argument tegen paranoia.
In christelijke kring vormt website De Rokende Vlaswiek de onbetwiste leider in complottheorieën. De auteur, G.P.P. Burggraaf, richt zijn pijlen naast Obama (geboren in Kenia!) vooral op de reformatorische wereld, SGP’ers en dominees. SGP’ers zijn spotboeven, hun jongerenafdeling heet de SGP-Jugend, reformatorische predikanten zijn volbloed feministen, en de krant die u vasthoudt is niet alleen propagandablaadje van de antichrist, maar overtreft zelfs Goebbels. Dat u het weet!
Logischerwijs wijst de website op het verband tussen  vaccinaties tegen mazelen en het nazisme ofwel de maffia (de auteur is daarin niet kieskeurig). Dominees die niet tegen vaccinatie zijn, zijn sowieso arbeiders van de satan, maar ook predikanten die zwijgen over deze misdaad behoren tot de ‘lugubere verradersclub’, de NSB. Luguber, inderdaad. De auteur mixt net zo makkelijk clichés als hij nuanceringen vermijdt. Nazisme, maffia en farizeïsme gaan hand in hand, als u begrijpt wat ik bedoel.
Zijn er dan geen dominees die niet onder de NSB’ers vallen? Waarschijnlijk niet, want de schrijver kon nergens de waarheid meer vinden en produceert dus zijn eigen preken, die gelukkig voor ons arme stervelingen ook online te vinden zijn: De Rokende Vlaswiek World Mission. Je verzint het niet. Nieuwsgierig zocht ik ze op, maar de audiobestanden werkten bij mij niet. Ook daarachter zal wel een maffiose samenzwering zitten.
Vergeleken bij Burggraafs tirades over de reformatorische wereld passen Wilders’ uitlatingen over moslims zo ongeveer in het poëziealbum van mijn dochter. En dat alles onder de titel van de tere, rokende vlaswiek. Ik vermoed een tikfout. Het is de Ronkende Vlaswiek.
Waarom zoveel aandacht hiervoor? Welnu, ik vond op de site verwijzingen naar vrijwel alle reformatorische predikanten die de afgelopen jaren iets hebben gezegd of geschreven. Stuk voor stuk worden ze afgefakkeld, wat bij de rokende vlaswiek toch niet zo past. Maar mijzelf vond ik in het register niet! Ik had toch ten minste voor verleider, pelagiaan of arminiaan uitgemaakt kunnen worden, de lichtere categorie in Burggraafs universum. Is er met mij iets niet in orde? Of zou het tóch een complot zijn?