En toch niet verteerd

Mijn column in De Waarheidsvriend vandaag.

Op 31 oktober was ik in vrijgemaakt Bergentheim, gemeente Hardenberg, voor een lezing over gelovig omgaan met de Bijbel. Wat mij trof, was het verlangen van de honderden aanwezig naar een omgang met de Bijbel vanuit het hart. Al te lang ging het er al te rationeel aan toe, met ruzies en kerkscheuringen tot gevolg. Hopelijk valt er te leren van de christelijk-gereformeerde nadruk op bevinding en het vermogen om elkaar kerkelijk vast te houden. Er was verlangen naar hartelijke omgang met de levende God.

Ik was niet alleen dankbaar voor de avond, maar ook wel beschaamd. Want christelijke gereformeerden hebben ook behoorlijk wat boter op het hoofd. Ja, we houden het kerkelijk met elkaar uit, vaak op een hartelijke manier, maar soms lijkt het meer op een LAT-relatie. En zeker, vanouds ligt er nadruk op de kennis van het hart, maar de laatste tijd lijkt de vraag ‘wat dunkt u van vrouwelijke ambtsdragers’ of ‘wat dunkt u van evolutie’ wel belangrijker dan de vraag ‘wat dunkt u van de Christus?’

Ik kwam dus thuis met meer dan alleen anderhalve meter droge worst en een bos bloemen: een besef dat ik werd gewaardeerd om iets kostbaars dat de christelijke gereformeerde kerken ook kunnen verliezen. Gelukkig is de kerk van Christus. Het kerkelijk zegel verbeeldt de brandende braamstruik, met de tekst: ‘En toch niet verteerd.’ Dat is Gods trouw. Nu hopen dat we elkaar niet verteren.

Als deze column verschijnt, is de eerste zittingsweek van de christelijke gereformeerde synode onderweg. Allerlei inleidende beschietingen hebben plaatsgevonden en fronten kunnen maar zo verharden. Intussen hoop ik op een variant van het Brummelkampscenario. Anthony Brummelkamp, een van de vaders van de Afscheiding, was soms bij het beklimmen van de preekstoel van plan om de mensen eens flink de waarheid te zeggen. Maar als hij eenmaal boven was en de mensen zag, begon hij altijd maar weer met hen te troosten. Hopelijk zien de broeders elkaar zo in de ogen. Als dat in Bergentheim kon, waarom dan in Nunspeet niet?

Brexit

Mijn stukje in De Wekker van vandaag.

Het lijkt wat vreemd om in een rubriek over de actualiteit van het gereformeerd belijden de Brexit aan de orde te stellen. Actueel is het thema zeker, en als de voortekenen niet bedriegen blijft het dat nog wel even, maar wat heeft de confessie daarmee te maken? 

Er is maar één gebod waarbij de Heidelbergse Catechismus spreekt over de ‘eigen werken van de duivel’, en dat is het negende, over liegen en bedriegen (v.&a. 112). Met de typering van het negende gebod als ‘vals getuigenis geven’ en ‘woorden verdraaien’ is de Heidelberger geweldig actueel. Wij leven immers in een tijd van desinformatie, regelrechte leugens en leiders die met die leugens weg komen. De beloften die in de Leave-campagne werden gemaakt, klonken altijd al absurd: na vertrek uit de Europese Unie zou Groot-Brittanië elke week een compleet ziekenhuis kunnen bouwen van het geld dat overbleef. Het gevolg van loze beloften was dat er nog meer gedraaid moest worden. Politici verdraaiden nu niet alleen de woorden van de ander, maar ook hun eigen vroegere stellingen (‘zó heb ik dat niet gezegd’). 

Waarom zijn dit typisch werken van de duivel? Het woord ‘duivel’ komt van ‘diabolos’, dat is degene die alles door elkaar werpt. En een rommeltje is het inmiddels in Groot-Brittanië; de knoop lijkt haast niet te ontwarren.

Toch werd er ook iets anders zichtbaar. Zoals Trump tot nu toe door de democratische instituties van de Verenigde Staten wordt getemd, zo werd de drieste poging van Boris Johnson om zonder deal de EU te verlaten, gedwarsboomd door het hooggerechtshof en door het parlement (in het bijzonder de voorzitter, John Bercow). Die instituties zijn een neerslag van eeuwen traditie in christelijk Europa, waardoor recht en gerechtigheid worden gediend. Het recht ligt niet eenvoudigweg bij degene die de macht heeft; het recht functioneert als tegenover van de macht. Zo was het al onder Israël, en de christelijke traditie heeft hier steeds naar gezocht. Het negende gebod staat dan ook niet zonder reden in de context van de rechtspraak: het richt zich immers tegen het valse getuigenis. 

Het is wel de vraag of de instituties het duurzaam zullen houden tegen het geweld van leiders in een tijd post-truth (voorbij de waarheid). We krijgen de rekening gepresenteerd van de postmoderne gedachte dat er geen objectieve waarheid is, maar dat ieder zijn eigen waarheid moet vaststellen. Als dat zo is, blijft alleen de brute macht over om jouw waarheid door te zetten. De waarheid zelf is dan gesneuveld. 

In onze tijd zullen gereformeerde christenen zich graag willen inzetten voor recht en gerechtigheid, ook in de instituties die onze samenleving structuur geven. In vroegere eeuwen waren er eminente calvinistische juristen. Vandaag zijn ze ook meer dan welkom.

Nu vindt de Brexit aan de andere kant van het Kanaal plaats. Al zullen de gevolgen ook bij ons wel voelbaar zijn, het is toch een beetje ver van ons bed. Toch is de Brexit een uitvergroting van de problemen van onze cultuur. Misschien ook wel van de kerk. Polarisatie gaat de kerk niet voorbij, en karikaturen zijn dan niet ver weg. Liever nog dan in de staat werkt de duivel in de kerk. Wie de naam van de ander niet hoog houdt, heeft waarheid en recht onvoldoende lief. Dus zijn we verplicht om tot het uiterste te gaan om de ander te begrijpen en recht te doen.

Recht doen betekent: passend antwoorden op de realiteit. Gelukkig is die realiteit niet onze eigen constructie, maar Gods werkelijkheid. God roept de dingen in aanzijn, God oordeelt wat waar is. Die ander, die een tegenstander leek, blijkt mijn naaste te zijn. Eigen denkbeelden moeten worden bijgesteld. De meerderheid drukt de minderheid niet weg, maar zoekt in liefde naar wat het beste is voor iedereen. Wie dat laatste vergelijkt met de Brexit-mentaliteit van alles of niets, ziet hoe diep de crisis is. Niet alleen in het Verenigd Koninkrijk.

Introductie studiedag ‘Lezen en laten lezen’

Op de studiedag naar aanleiding van mijn boek Lezen en laten lezen gaf ik een korte introductie.

Eerst liet ik een fragment horen: ‘Sicut cervus’ van Palestrina.

‘Sicut cervus’ – een filmpje van dit motet van Palestrina lijkt me een passende opening voor deze dag. Het speelt de afgelopen weken door mijn hoofd en hart. Dat heeft een aantal redenen:

  1. Het is een Schriftwoord, en nog wel uit de Psalmen. Zoals een hert verlangt naar de waterbronnen, zo verlangt mijn ziel naar U, o God. Zo zijn de Psalmen bedoeld: om gezongen, gebeden te worden, om verinnerlijkt te worden. En dat verlangen naar God – dat breng ik niet zelf mee, maar het wordt wakker en het wordt gevoed juist door het zingen van de Psalmen.
  2. Wie mijn boek gelezen heeft, weet dat het muzikale voor mij erg belangrijk is. Het komt erop aan dat de waarheid van de Schrift gaat resoneren in de ziel, dat we afgestemd raken op de melodie die in de Schrift klinkt.
  3. Dit filmpje is gemaakt in de Bovenkerk, de 12e eeuwse gothische kruisbasiliek die boven de stad Kampen, mijn woonplaats, uittorent. Eeuwenlang is Gods lof er gezongen, Gods Woord verkondigd. Sinds enkele jaren worden er geen zondagse erediensten meer gehouden… En die pijn voel ik bij elke evensongdie er door het koor gezongen wordt. Wie die kou van de secularisatie niet om het hart slaat, heeft volgens mij nog niet begrepen in wat voor tijd we leven.
  4. Mijn oudste en jongste zoon zingen bij het Kampen Boys Choir dat u in dit filmpje zag. Er moet natuurlijk ook geoefend worden en dus heb ik dit motet nogal eens gehoord. Vandaar dat het me door het hoofd speelt. Zoals zij door herhaling maken dat dit motet door mijn gedachten speelt, zo hoop ik dat ze bij ons thuis en in de kerk de melodie van de Schrift meekrijgen en de toonhoogte van het geloof. Het gaat om een nieuwe generatie: wat krijgt die mee van de omgang met de Schrift? Hopelijk meer dan alleen dat er over de Bijbel veel gediscussieerd wordt. Het gaat om de levende, verborgen omgang met de levende God.

Daarom dus het boek dat de aanleiding vormt voor deze studiedag.

Laat ik allereerst zeggen dat ik dankbaar en verwonderd ben over wat dit boek tot nu toe doet en betekent. Ik heb het in korte tijd geschreven tijdens een mini-studieverlof in Emden. De kerkelijke situatie, waarin veel discussie is over de interpretatie van de Bijbel rondom een paar hete hangijzers, vormde de aanleiding om dit boek even voorrang te geven boven academische verplichtingen. Blij verrast was ik met de eerste recensies in het Friesch Dagblad en in Trouw. Met een paar mensen wilde ik wel een minisymposium houden. Toen benaderde William den Boer mij of er geen studiedag van te maken viel – in de hoop dat het een beetje aan zou slaan. En hier zijn we dan. Ik ben dankbaar dat wat ik meen te moeten zeggen, gelezen en overwogen wordt.

Graag wil ik een paar dingen toelichten bij de aftrap van deze dag, door op een paar vragen in te gaan die ik vaker als reactie op dit boek kreeg en door heel kort te schetsen waar het mij om ging en gaat.

In reactie op vragen

Hete hangijzers

Ten eerste. Ik open het boek met de hete hangijzers van de vragen rondom schepping & evolutie, homoseksualiteit en vrouwelijke ambtsdragers, schrijf letterlijk ‘vandaar dit boek’ en vervolgens los ik die kwesties niet op. Hoe zit dat? Het is een heel bewuste keus geweest om in dit boek die kwesties zo veel mogelijk te laten liggen – anders zou de discussie over het boek zich ogenblikkelijk op die actuele punten (en op die alleen) hebben geconcentreerd. Ik wilde nu juist een spade dieper, naar heel onze omgang met de Bijbel. Daar zit namelijk mijn zorg: we vergeten onze ziel maar zo. Natuurlijk betekent dit niet dat ik die actuele punten onbelangrijk zou vinden of dat ik zou menen dat je met de Schrift in de hand daarover niets kunt zeggen. Wat een vreemde gedachte zou dat zijn. Mijn punt is dat als je direct op hot issues afgaat, je de diepte die ik in dit boek zoek, maar zo gaat missen. Vandaar dat ik me heb ingehouden.

Nu had ik me over evolutie en christelijk geloof (of over de relatie natuurwetenschap en theologie) al eerder uitgesproken, dus die positie komt af en toe wel aan de oppervlakte in het boek. Op dat punt bevat dit boek niets nieuws – en toch ging de recensent van het Reformatorisch Dagblad juist hier op in, om een creationistisch punt te maken. Hoeveel te meer zou dat gebeurd zijn als ik iets over andere thema’s had gezegd?

Dat geeft mij te denken. De vraag ‘wat dunkt u van vrouwelijke ambtsdragers’ of ‘wat dunkt u van evolutie’ lijkt wel meer gewicht te krijgen dan de vraag ‘wat dunkt u van de Christus?’

Gelukkig is er een heel boek over christelijk geloof en evolutie verschenen, waarover op 29 november een studiedag gehouden wordt. Dus vandaag hoeven we het er niet meer over te hebben…

Methode

Ten tweede kreeg ik van sommige collega’s de vraag of ik tegen elke vorm van methode ben. Nee, dat ben ik niet (en ik was zelfs een beetje verbaasd over de vraag). Ik denk alleen dat de waarheid waar het in de Bijbel om gaat niet langs methodische weg te bereiken is. Natuurlijk moeten we exegetische methoden gebruiken, wat mij betreft het hele palet en zonder reserve. Maar omdat Jezus Christus de waarheid in persoon is, de waarheid die vrij maakt en die op ons toe komt, hebben wij geen stappenplan in handen om die waarheid ons eigen te maken. Intussen zal het natuurlijk zonder zindelijke exegese niet gaan. Tot mijn verdediging wijs ik op de manier waarop ik in paragraaf 6.3 1 Petrus 3 heb gelezen. Volgens mij vindt daar exegese plaats, waar je op exegetisch niveau over kunt discussiëren, maar het toelaten van de vragen en weerstanden die je ervaart bij het lezen van zo’n tekst, kan helpen om de betekenis voor vandaag te ervaren.

Goed, over deze twee punten zal het vandaag ongetwijfeld nog verder gaan.

De kern van het boek

Maar laat me nu nog drie punten aanduiden waarin volgens mij de kern van het boek ligt.

Drievoudige bewogenheid

In de eerste plaats: de drievoudige bewogenheid van God zelf. Verschillende recensenten hebben opgemerkt dat de ziel als resonantieruimte voor mij van groot belang is – daarin volg ik Gerard Visser (en ik ben erg benieuwd naar wat hij te zeggen heeft over de manier waarop ik mijn zijn gedachten omga). Wat nog niet zo veel is opgemerkt, is dat de bewogenheid van onze ziel voor mij haar oorsprong vindt in Gods bewogenheid (146). God is niet alleen maar één, zoals in de islam. Ook in de Westerse theologische traditie is de eenheid van God vaak sterk benadrukt: hier passen de Augustijnse traditie en de Aristotelische metafysische traditie goed bij elkaar. God is echter voluit de drie-enige: er spanning tussen de Vader en de Zoon, die in het kruislijden ten hoogste oploopt. Vader en Zoon zijn nooit zonder elkaar, maar ze zijn ook niet de ander. Er gebeurt wat tussen hen. Daarmee is gezegd dat de geschiedenis er voor God toe doet, dat Hij zich laat raken door mensen: als wij Hem afwijzen, én als wij Hem liefhebben. Zoals de Duitse theoloog Isaac August Dorner zei: de wereld is een ‘goed’ voor God. Als ik ergens een stap bij de calvinistische traditie vandaan doe (en sommige recensenten vrezen wel dat ik dat doe), dan niet ten aanzien van de scheppingsleer en al helemaal niet ten aanzien van het gezag van de Schrift – maar wél hier, in de triniteitsleer die voor mij het hart van de Godsleer vormt. Calvijn wordt niet moe, te onderstrepen dat God eigenlijk geen ogen en oren heeft, en eigenlijk geen passiones kent, geen emoties. Logisch, want e-motie is een vorm van motio, van beweging, en beweging veronderstelt een ruimte waarin bewogen wordt, dus wie beweegt, is niet alomtegenwoordig en is niet god. Basale aristotelische metafysica.

Volgens mij biedt de triniteitsleer de mogelijkheid om vol te houden dat God zowel boven de geschiedenis staat als in de geschiedenis ingaat. Dat is de incarnatie. Daardoor is er echte interactie mogelijk. Over God moeten we dan ook niet meer spreken buiten Jezus Christus om, zoals Paulus ons al leert. Dus is God voluit bewogen, niet alleen in de richting van ons mensen, maar ook in zichzelf. God is liefde. Kees van der Kooi heeft in een korte recensie voor de website van de uitgever wat mij betreft de spijker op zijn kop geslagen als hij een zin citeert en die ‘niets minder dan een programma’ noemt: ‘De zuurdesem van de onbewogenheidstraditie moet uitgezuiverd worden uit het Godsbegrip en dus ook uit het bijbellezen’ (152). Dat is het inderdaad.

De komende Christus

Het tweede is de concentratie op de komende Christus. Noordmans zegt, wat mij betreft terecht, dat als de Bijbel een titel zou krijgen, dat ‘Hij komt’ zou moeten zijn. Wij lezen de Bijbel in de tijd, in onze levenstijd, die we als een doorlopend heden ervaren. Van de dood weten we dat hij komt; als existentiële mogelijkheid is hij in elk ogenblik aanwezig. Er is echter hoop, omdat Jezus Christus komt om alle dingen nieuw te maken. De Schrift lezen is dus niet allereerst een tekst tot je nemen, maar je stellen in het krachtenveld van de Geest. Wij hebben de inspiratie van de Schrift vaak te veel betrokken op de oorsprong van de Schrift, de manier waarop de Schrift tot stand is gekomen. Dat aspect is er ook, maar er is meer. De Schrift is door de Geest doorademd, die de Geest van de levende Christus is. Die Geest komt vanuit Gods toekomst op ons toe, om ons daarop te richten en Christus te leren verwachten. Die hoop houdt de christelijke gemeente gaande. Daarbinnen functioneert de omgang met de Schrift als de stem van de levende God. Dus klinkt de Schrift als belofte: een woord waar toekomst achter zit, waar een persoon achter staat. De concentratie op die persoon helpt om de reductie te voorkomen van het rationalisme, dat de werkelijkheid terugbrengt tot rationele modellen.

Bevinding

Het derde hangt met de eerste twee nauw samen. Ik zie mijn boek als herbronning van de bevindelijke traditie. Opvallend genoeg is dat vooral opgepakt door recensenten en journalisten buiten wat traditioneel de bevindelijke stroom wordt genoemd. Ik heb me afgevraagd of de goede verkoop van mijn boek te verklaren valt uit verlangen naar een echt gereformeerde, echte ervaring van het geloof. Intussen is het me niet ontgaan dat juist in kringen van het Reformatorisch Dagblad en daaromtrent mijn boek niet per se met gejuich is ontvangen. Maar waarom niet? Als ik het goed zie, spelen er drie dingen. Allereerst het creationisme dat ik niet belijd. Vervolgens: ik haal wel Bonhoeffer aan, maar te weinig auteurs uit de Nadere Reformatie (zo schrijft Mart-Jan Paul in het RD). Ten derde vermoed ik een koudwatervrees voor ‘hermeneutiek’, soms ingekleurd als ‘de nieuwe hermeneutiek’. Dit stelt me nog niet gerust als het gaat om de bedreiging van het bevindelijke leven, die ik zie. De rationalisering en de secularisering gaan door, ook in reformatorische kring: een streven naar beheersing en het afwenden van gevaren. Terwijl we leven temidden van gevaren alleen de levende God ons kan redden. Van onszelf zijn we in geestelijke zaken immers blinder dan mollen, om toch nog maar een keer Calvijn aan te halen (Inst. 2.2.18). Tegen het rationalisme blijf ik een pleidooi houden voor bevindelijk Bijbellezen, met verwachting van de komende Christus. Van mij mogen de zogenaamde ‘bevindelijken’ intussen wel wat bevindelijker worden. Ik hoop op een mooie studiedag.

Filmpjes per hoofdstuk ‘Lezen en laten lezen’

De uitgever van mijn boek Lezen en laten lezen heeft mij uitgedaagd om per hoofdstuk een samenvatting van maximaal anderhalve minuut te geven. Wie het boek nog niet las, kan er zo een indruk van krijgen. Wie het wel gelezen heeft, kan deze filmpjes als ultrakorte samenvatting kijken. Zie deze link.

Eenheid

Collega Herman Selderhuis hield een lezing over de ‘crisis’ in de CGK, waarin hij pleitte voor het gebruik van de ‘pauzeknop’. Hij waarschuwt voor het nemen van besluiten waardoor de Christelijke Gereformeerde Kerken het point of no return voorbijgaan en een breuk onafwendbaar wordt. Een van de aanleidingen voor zijn hartekreet is het besluit van de samenwerkingsgemeente van Nieuwegein om de ambten voor vrouwen open te stellen en besluitvorming op de generale synode niet af te wachten. Ik neem aan dat hij met de ‘pauzeknop’ op dit soort besluiten doelde. Het gaat om het bewaren van de eenheid, want we willen elkaar niet kwijt. (Overigens is het goed om niet alleen af te gaan op krantenverslagen, maar ook de tekst van Selderhuis zelf te lezen, om misverstand te voorkomen).

Intussen is de discussie ontbrand, of nog verder opgelaaid. Over vrouwelijke ambtsdragers, over culturele verschillen, over het kerkbegrip, over de relatie plaatselijk en landelijk in een gereformeerd kerkverband. Zie de stevige bijdragen van collega’s Peter van Dolderen en Bert Loonstra bijvoorbeeld, beiden in drie afleveringen. Beiden nemen ze fair en beargumenteerd een positie in, tegengesteld aan wat Selderhuis zei.

Polarisatie

Ik zie hier een dynamiek die ik herken van het werk van Bart Brandsma, van de website Polarisatie.nl. Hij stelt dat om polarisatie te verminderen er vooral goede gesprekken in het midden gevoerd moeten worden. Zolang partijen positie kiezen en elkaar bestrijden, neemt de polarisatie toe. Wie in het midden staat, voelt zich haast gedwongen om partij te kiezen vóór het ene uiterste of voor het andere uiterste, waardoor de polarisatie toeneemt. Either you are with us, or you are with the terrorists, zei George W. Bush op 20 september 2001 – wie zo spreekt, polariseert. Polarisatie en polemiek hebben hun eigen dynamiek, en voor je het weet zijn de tegenstellingen aangescherpt. Dat lijkt me geen verstandige route naar de komende generale synode van de CGK.

Natuurlijk ben ik niet tegen stevige theologische discussie. Die moet er zijn, en ik wil daaraan ook graag een bijdrage leveren (het is mijn werk om dit soort discussies te voeren, immers). Maar volgens mij is de eerste stap die gezet moet worden, het werken aan begrip voor wat de ander beweegt. Ik zie namelijk momenteel in de kerk gebeuren wat je in de samenleving al een tijdje langer ziet: mensen leven in hun eigen bubbel en begrijpen de logica van de ander niet eens meer. Dan zijn de karikaturen niet ver weg (in de politiek: ‘fascisten’ of ‘de linkse kerk’) en escaleer je versneld naar een gepolariseerde situatie. Ik ben er diep van overtuigd dat bijvoorbeeld Bert Loonstra en Peter van Dolderen dat helemaal niet willen; ik wil het ook niet. Daar hebben we dus een gemeenschappelijke basis. Het lijkt mij van belang om vanuit die gemeenschappelijke basis te werken.

Begrip voor wat de ander beweegt dus. Daarbij gaat het niet allereerst om standpunten, maar om drijfveren, concerns. Waar gaat het je uiteindelijk om, wat drijft je? Ik wil in dit blog een poging wagen om bij te dragen aan een goede stemming, aan een voedingsbodem van begrip, zodat de positiekeus en besluitvorming op basis daarvan kan groeien en bloeien. Ik verwacht dat sommige mensen dit hopeloos naïef zullen vinden, want de posities zijn toch al ingenomen en mensen gaan heus niet naar elkaar luisteren omdat er iemand in Apeldoorn #doeslief zegt. Ik weiger dat cynische verhaal te geloven, juist in de kerk van Jezus Christus. We zijn immers aan elkaar gegeven.

Samenwerkingsgemeenten

Het lijkt mij belangrijk om de nood die samenwerkingsgemeenten ervaren, serieus te nemen. Het besluit van de CGK-synode om ambtsdragers die tot een ander kerkverband behoren, geen stemrecht te geven op de classis, werd ervaren als een gebrek aan vertrouwen. Temeer omdat de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt er veel royaler in zijn. Een ambtsdrager functioneert immers voluit in een kerkelijke gemeente, onafhankelijk van het kerkverband waartoe de mensen behoren die aan zijn zorgen zijn toevertrouwd. Waarom kan hij dan niet ‘gewoon’ afgevaardigd worden naar de classis? Er zijn kerken die nooit anders zijn geweest dan een samenwerkingsgemeente. Ooit werden ze opgericht met het vooruitzicht van kerkelijke eenheid. Die is er nooit gekomen. Die teleurstelling laat zich voelen.

Als ik me niet vergis, heeft vooral de afwijzing van de plannen om te komen tot een Gereformeerde Theologische Universiteit, een fusie van ‘onze’ opleiding in Apeldoorn met de TU Kampen, mensen teleurgesteld. Misschien nog wel meer dan het besluit rondom homoseksuele relaties. Het beeld kan ontstaan dat de generale synode wordt beheerst door behoudende krachten en dat er omwille van de eenheid van het kerkverband nooit iets kan veranderen. Inmiddels hebben, na de Nederlands Gereformeerde Kerken, ook de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt de ambten opengesteld voor vrouwen, en als je er zelf innerlijk van overtuigd bent dat dat een goede weg is, kan ik me voorstellen dat je niet vrolijk wordt van het vooruitzicht van een discussie op een synode, die je tevoren toch al kunt uittekenen. De synode van 2019 zal een commissie instellen, die in 2022 rapporteert, waarna er herzieningsverzoeken zullen komen die in 2025 zullen worden behandeld. Dat lijkt de snelste route…

Volgens mij zou er al veel gewonnen zijn als samenwerkingsgemeenten de nodige empathie ervaren van collega’s en broeders in andere kerkelijke gemeenten. Daarbij is de context van een gemeente in Nieuwegein ook totaal anders dan die van een van de CGK’s op Urk. Dat maakt verschil. Dat samenwerkingsgemeenten allereerst willen doen wat goed is voor hun plaatselijke gemeente in hun eigen context, lijkt me een helder belang. Bovendien is de situatie echt veranderd ten opzichte van 1998: als de CGK toen vrouwelijke ambtsdragers had toegestaan, was er een groot probleem geweest met de GKv, die daar indertijd faliekant op tegen waren. Inmiddels is de kerkelijke context compleet anders.

Kerkelijk denken

Aan de andere kant lijkt het me van belang om begrip te hebben voor de gedachte dat kerkelijke afspraken niet zomaar kunnen worden opgezegd. Na jarenlange studie hebben de kerken een standpunt ingenomen over de (on)mogelijkheid van vrouwelijke ambtsdragers (in 1998). Dan mag je toch van elkaar verwachten dat je je aan de gemaakte afspraken houdt, en dat je ten minste de kerkelijke weg bewandelt als je iets anders besloten zou willen zien? Niet om de handtekening van ambtsdragers onder het verbindingsformulier te gebruiken als was het een wurgcontract, maar juist met het oog op de goede broederlijke omgang. Het is nog niet zo lang geleden dat de GKv de ambten voor vrouwen openstelden, en de kerken als geheel hebben nog helemaal niet de kans gehad, zich erover uit te spreken. Het is een gezonde vorm van kerkelijk denken om niet alleen te denken in termen van wat je plaatselijk zou willen, maar om ook rekening te houden met anderen. Ook omdat je niet in je eentje alle wijsheid bezit; meer kerken weten meer dan één.

Intussen kan ik me ook voorstellen dat mensen huiverig zijn voor een nieuwe benadering van de Bijbel waarbij onze cultuur de doorslag gaat geven voor wat de Bijbel nog mag zeggen. Dat is natuurlijk een karikatuur, maar het onderliggende belang is de eerbied voor het Woord van God en het belang van gehoorzaamheid aan de levende God. Het is compleet legitiem dat mensen en kerken zich zorgen maken als ze anderen een weg zien inslaan waarvan ze overtuigd zijn dat die niet spoort met de gehoorzaamheid aan de levende God, die ons zijn Woord gegeven heeft. Dat kan niet eenvoudigweg als conservatisme worden afgedaan. Tegelijkertijd mag van wie zich op de Schrift beroept, verwacht worden dat hij ook openstaat voor een nieuw verstaan van de Schrift. Dat is óók een kwestie van Schriftgezag.

We zijn aan elkaar gegeven

Het lijkt mij van belang om voortdurend naar elkaar te blijven luisteren en niet terug te vallen op karikaturen van de ander. Het slechtste wat er kan gebeuren is dat wantrouwen richting een synode enerzijds gepaard gaat met beheersingsdrang uit wantrouwen tegen nieuwe geluiden anderzijds. Dat de een de ander beschuldigt van ongebreideld autonomiedenken en de ander de een van dom conservatisme. Zo wordt het natuurlijk niet uitgesproken, maar ik vrees dat het soms zo wel wordt gedacht.

Het is in dat licht fundamenteel dat we aan elkaar gegeven zijn. We zijn van Christus. Niet alleen willen we elkaar niet kwijt, we kunnen dus ook niet van elkaar af, omdat Christus ons aan elkaar verbindt. De principiële eenheid van de kerk is gebaseerd op de eenheid van Christus. Zo houden we het al vol sinds 1834 en 1892, met alle gebrekkigheid die daarbij hoort. Wie er anders over denkt, is dus geen tegenstander, maar een geliefde broeder in Christus.

Zou het misschien kunnen zijn dat we degene met wie we het meest van mening verschillen, het hardste nodig hebben? Dat verklaarde tegenstanders van vrouwelijke ambtsdragers het nodig hebben om te horen dat in onze tijd mensen het echt niet begrijpen als vrouwen niet voluit mee kunnen doen – en dat dat ook Bijbels is? Dat wie nu direct vrouwelijke ambtsdragers wil aanstellen, moet horen dat de Bijbel en de katholieke christelijke traditie rekenen met een principieel verschil tussen mannen en vrouwen, juist ten aanzien van de ambten? Het is niet gemakkelijk om dit soort gedachten toe te laten, met name niet wanneer we (mede onder invloed van onze ‘bubbel’) een bepaald standpunt vanzelfsprekend zijn gaan vinden, en het andere een beetje achterlijk, of ontrouw aan de Bijbel.

Zo’n openheid vinden werkt verootmoedigend, dat wil zeggen: vernederend. Niet langer is de ander het probleem, maar ik ben het zelf. Wij zijn het zelf. Wij zijn zondaren, die Christus nodig hebben en die elkaar nodig hebben. Enkel op die basis kan er een vruchtbaar gesprek plaatsvinden. Volgens mij is dit wat collega Selderhuis bedoelde. Iedereen ging af op die ‘pauzeknop’, maar in de tekst van lezing staat er direct na wat hij ermee bedoelt: ‘ga met elkaar in gebed en dan in gesprek.’ Dat is geen dooddoener om overheen te lezen, maar dat is de kern van de zaak.

Het gaat wel ergens over

Maar het gaat wél ergens over… Relativeer je niet te veel als je open in gesprek gaat? Staan het Schriftgezag en de gereformeerde belijdenis niet op het spel? Zeker is dat het geval, en juist daarom hebben we elkaar zo hard nodig – omdat iedereen kan dwalen. En belangen kunnen ook onzuiver zijn. Als het ons alleen zou gaan om een streven naar gelijkheid à la de liberale mainstream in ons land, is dat helemaal mis. En het doet er toe hoe we de Schrift lezen. Wat mij betreft is het allereerst nodig om gelovig met de Schrift om te gaan (ik ben zo vrij om te wijzen op mijn nieuwe boek waarin ik een poging doe om dat gelovig omgaan met de Bijbel onder woorden te brengen).

Intussen liggen er spannende vragen genoeg, ten aanzien van de de manier waarop we de Bijbel lezen, de leer aangaande de kerk, de ambtsleer, visie op het kerkverband in een veranderende cultuur. In dit blog ging het me echter in de eerste plaats om de grondhouding: de bereidheid om naar elkaar te luisteren omdat we aan elkaar gegeven zijn.

Sponsortocht TUA voor Frankrijk

Op 6 juli, aan de vooravond van de Tour de France, fietsen studenten, docenten en onderwijsondersteunend personeel van de TUA een sponsortocht om Frans theologisch onderwijs te ondersteunen. Het gaat om 207 kilometer van Zierikzee, via Noordeloos, naar Apeldoorn.
Uw gift (fiscaal aftrekbaar) is meer dan welkom op NL33 INGB 000 5281 561 t.n.v. TUA o.v.v. ‘Oertoer’. Nadere informatie is hier te vinden.
Later deze week bezoek ik de synode van het kerkverband UNEPREF in Frankrijk. Daar zal ik ook over deze actie vertellen. Het zou mooi zijn als de teller dan al ruim boven de 5000 euro zou staan…
DSC_0044.jpg

In de spiegel

Mijn column voor De Waarheidsvriend van 17 mei 2018.
 
De nieuwe BMW-reclame op de radio al gehoord? Een man vertelt enthousiast dat als hij onderweg naar huis altijd langs een spiegelend gebouw rijdt. Als hij dan de linkerbaan pakt, kan hij zichzelf zien rijden, en dat geeft hem een geweldig gevoel. Jezelf zien rijden in een BMW, wie wil dat nu niet? 
Ik ga er maar even van uit dat de marketeers van BMW scherp in de gaten hebben wat het goed doet bij de doelgroep. Die gaat het allang niet meer om een betrouwbare auto die je van A naar B brengt. Het vermogen, de technische snufjes en de accessoires geven ook de doorslag niet. Het gaat om het imago, en dan niet eens de indruk die je op anderen maakt, maar hoe je jezelf ziet in de spiegeling van gebouwen. Zo verkoop je auto’s in de selfiecultuur: met narcisme in zijn zuiverste vorm. 
De stem in de reclame zegt erbij dat hij vast en zeker de enige niet is die het een prachtig gezicht vindt om zichzelf te zien rijden. Waarschijnlijk heeft hij gelijk en zijn wij allemaal bezig om indruk te maken op onszelf. Kijk mij eens gaan. 
De Geest van Pinksteren houdt ons ook een spiegel voor: kijk ons eens gaan. Waar komen we vandaan en waar gaan we naar toe? Wie ben je eigenlijk, als we alle snelle auto’s, bling-bling en bluf er af halen? Op de Pinksterdag zagen de mensen in Jeruzalem dat de keizer geen kleren aanheeft: er blijft niets van ons over, we zijn schuldig. Kijk ons eens gaan, helemaal de verkeerde kant op. Gelukkig blijft het daar niet bij als de Geest gaat waaien: ze bekeerden zich en werden door Jezus Christus gered.
Calvijn zegt ergens dat Jezus Christus de spiegel van onze verkiezing is. Als je naar hem kijkt, zie je jezelf als verkorene, door hem geliefde, ook al zag je dat eerder helemaal niet. Jezelf gered zien worden in deze spiegel, wie wil dat nu niet? Ik wel, en op Pinksteren weet ik wel zeker dat ik de enige niet ben.

SGP, vrouwelijke kandidaten, felicitaties

Afgelopen zaterdag twitterde ik naar aanleiding van dit artikel in Trouw dat ik de SGP dubbelhartig en opportunistisch vond. Ik kreeg bijval, maar er waren ook SGP’ers die vonden dat ik dit niet ‘de SGP’ moest verwijten, maar vooral het hoofdbestuur. Er was immers uit SGP-gelederen ook veel steun voor Paula Schot gekomen en als ik die negeerde, zou dat schadelijk zijn. Daar vond ik wel wat in zitten. Dus heb ik mijn tweet verwijderd en vanochtend onderstaand bericht aan het hoofdbestuur gemaild.
Geachte leden van het hoofdbestuur van de SGP,
Graag deel ik met u mijn zorgen over de koers die het hoofdbestuur kiest, in het licht van wat Bijbels genormeerde politiek naar mijn overtuiging zou moeten zijn.
Er is een semantische en wat scholastiek aandoende discussie ontstaan over de term ‘feliciteren’. Doorgaans drukt een felicitatie hartelijkheid uit, reden waarom het niet ongebruikelijk is om het object van felicitatie ‘hartelijk gefeliciteerd’ toe te voegen. Rondom het lijsttrekkerschap van Paula Schot in Amsterdam is er kennelijk misverstand ontstaan. Het Reformatorisch Dagblad meldde eerst dat mw. Schot door het hoofdbestuur zou zijn gefeliciteerd, maar in een rectificatie werd later gesteld dat het hoofdbestuur haar niet heeft gefeliciteerd, maar dat het de Tweede-Kamerfractie was die deze felicitatie deed uitgaan. In De Banier van februari deed uw voorzitter omstandig uit de doeken dat er geenszins van felicitaties van de kant van het hoofdbestuur sprake is geweest. Of dit niet-feliciteren een hartelijk karakter had, wordt overigens niet vermeld. De zaak werd nog een graadje ingewikkelder toen Trouw reveleerde dat de felicitatie wel had plaatsgevonden, maar een nog wat beperkter karakter had. Het was niet de Tweede-Kamerfractie, maar enkel de fractievoorzitter, en in strikte zin was er geen sprake van een felicitatie, maar slechts van ‘gelukwensen’. Men mag iemand die zulke ingewikkelde felicitaties ontvangt, inderdaad wel geluk wensen om er nog chocola van te kunnen maken. Persoonlijk wens ik mw. Schot dan ook in de eerste plaats sterkte.
In ernst: ik vind het een beschamende en principieel problematische situatie. De SGP heeft in 2013 besloten om vrouwelijke kandidaten toe te laten, maar heeft niet tegelijkertijd het beginselprogramma herzien. Daardoor kan de huidige vreemde situatie ontstaan: van de Hoge Raad mag u vrouwelijke kandidaten niet weigeren; u hebt niet aan uw principes vastgehouden door uzelf te laten verbieden. Dan zou het niet meer dan consequent zijn om ook het beginselprogramma te herzien. Nu handelt de partij immers telkens in strijd met het beginselprogramma, en de partij kon dat voorzien. Dat deze onopgeloste spanning zich nu ontlaadt in een semantische discussie over felicitaties aan een lokale lijsttrekker, is kwalijk. Dat heeft die lijsttrekker niet verdiend; het is een probleem dat u naar mijn mening zou moeten oplossen.
Minstens zo belangrijk als de formele kant is wat mij betreft de inhoudelijke. De gedachte dat vrouwelijke kandidaten ongewenst zijn omdat het regeerambt niet aan vrouwen zou toekomen, is gebaseerd op de gelijkstelling van kerk en staat. Een politieke partij is echter geen kerk en moet dat ook niet willen zijn. De befaamde ‘zwijgteksten’ uit het Nieuwe Testament gaan toch werkelijk over een onderscheiden roeping van mannen en vrouwen ten aanzien van kerkelijke ambten. Het is een categoriefout om dit direct op de maatschappij toe te passen. Op dit punt is werkelijk bezinning nodig en heeft de SGP een stap verder te zetten dan het herhalen van het traditionele standpunt. Dat kan ook, wanneer er bereidheid bestaat om de eigen uitgangspunt nog eens tegen het licht te houden. Die zal er toch zijn, aangezien voor ‘Bijbels genormeerde politiek’ de Schrift doorslaggevend zal zijn, meer dan een door traditie gegroeide praktijk.
Als ik me niet vergis, vinden in toenemende mate jongeren, ook binnen de SGP, de positie van de SGP onbegrijpelijk. Zelf vind ik uw opstelling eerlijk gezegd dubbelhartig: u wilt principieel zijn ten aanzien van het vrouwenstandpunt, maar niet zó principieel dat uw principes u ook zelf pijn doen, bijvoorbeeld door een verbod op de SGP. U staat vrouwelijke kandidaten toe, althans in juristentaal: ‘het geslacht van kandidaten wordt rechtens niet aan kandidaten tegengeworpen’ (een formulering die jongeren mogelijk ook vrolijk zal stemmen). Ik zou zeggen: SGP, zie daarvan dan ook de consequenties onder ogen voor het beginselprogramma. U hebt de blokkade voor vrouwelijke kandidaten weggenomen, heet ze dan ook welkom en knijp niet uw neus dicht als een prominente SGP’er het waagt om een dame nota bene te feliciteren geluk te wensen.
Ten slotte wens ik u geluk met het honderdjarig bestaan van de SGP. Ik zal deze gelukwens heel graag upgraden naar hartelijke felicitaties wanneer de SGP de dubbelhartigheid ten aanzien van vrouwelijke kandidaten laat varen.

Gereformeerde hermeneutiek voorbij de Reformatie?

Dit is mijn bijdrage aan een studiedag naar aanleiding van het boek Gereformeerde hermeneutiek vandaag, op 29 september 2017 in Kampen.
 
Inleiding
Laatst woonde ik de jaaropening bij van een gereformeerde middelbare school. Onderdeel van een van de bijdragen was het tonen van een overzichtje in een powerpointpresentatie — en ik betreur dat ik er geen foto van heb gemaakt. Het gaf in een schema weer wat er centraal stond in bepaalde perioden in de kerkgeschiedenis. De eerste vier eeuwen was dat ‘Jezus Christus’, de 5e tot en met 16e eeuw was dat ‘Het instituut kerk en de paus’, en vanaf de 16e eeuw tot heden was dat ‘De leer van de kerk’. I kid you not. De toepassing — verrassend genoeg — was dat we terug moesten naar Jezus. Als we maar dicht bij Hem blijven, komt het goed!
Voor de discussie vandaag was die gebeurtenis op een aantal manieren interessant. Niet vanwege diepgaande inzichten in de geschiedenis, maar uiteraard wel vanwege het beeld van de geschiedenis dat hiermee werd overgedragen. De Reformatie was een verbetering ten opzichte van de periode ervoor, maar het was uiteindelijk nog niet genoeg, want we moeten terug van de leer naar Jezus Christus zelf. En kennelijk voelde men de erfenis van de Reformatie als een ballast.
Natuurlijk was dit ‘maar’ gewoon een opening van een schooljaar. Wat voor conclusies laten zich daar nu aan verbinden? Toch ben ik zo ondeugend om een parallel te zien met de aandacht voor hermeneutiek aan deze instelling, zeker in vergelijking tot de instelling waaraan ik mag werken: de expliciete stap bij het eigen recente verleden vandaan en de niet bepaald onverdeeld positieve evaluatie van de Reformatie. Tegelijk proef ik ook een oprecht verlangen om het voorbij alle historische ballast over Jezus Christus zelf te hebben. In dat verlangen vinden we elkaar, zonder meer.
Toch merk ik aan de TUA minder de behoefte om bij het eigen verleden vandaan te stappen (dat verleden was ook wat anders geprofileerd) en zie ik juist een verlangen om nog altijd bij kernnoties van de Reformatie voor anker te gaan, omdat je daar een theologie vindt die leeft. De gevaren daarvan zie ik trouwens ook, en ik ben vanochtend niet helemaal naar de TU Kampen afgereisd om me op de borst te kloppen. Het mooie van christelijk gereformeerd zijn is immers dat je altijd zo veel hebt om bescheiden over te zijn.
Bedankt voor de uitnodiging om mee te denken over het belangrijke thema van deze bundel. Ik vind het belangrijk om voorop te stellen dat we samen voor dezelfde uitdagingen staan en dat we elkaar buitengewoon hard nodig hebben in de complexe vragen van de hermeneutiek vandaag. Het verschijnen van deze bundel is een felicitatie waard: er is een best lange aanlooptijd geweest en op enig moment waren er zoveel projecten over hermeneutiek aan de TU Kampen onderweg, dat er een uitgesproken hermeneutische sensitiviteit nodig was om het overzicht over al die projecten te houden.
Wat ik waardeer in deze bundel is dat hedendaagse hermeneutische uitdagingen niet uit de weg worden gegaan, maar met open vizier worden aangevat, zonder te focussen op alleen de casuïstiek. Er wordt echt gepoogd om een omvattende visie te ontwikkelen. De auteurs zijn op de hoogte van de discussies van vandaag en weten beargumenteerde keuzes te maken en dat nog helder op te schrijven ook. En terecht schrijft Roel Kuiper in het woord vooraf dat de bijdrage van Hans Burger dragend is voor het geheel: op een fundamentele (en ja, ook ingewikkelde) manier ontvouwt hij een hermeneutische theorie. In mijn bijdrage zal ik dan ook vooral ingaan op de bijdragen van Hans Burger en Ad de Bruijne, met alle respect overigens voor de andere bijdragen, maar het systematisch-theologisch bloed kruipt weer eens waar het niet gaan kan.
Direct zeg ik: de bijdragen over de verschillende vakgebieden voegen wel degelijk iets toe, want bij alle spreken over hermeneutiek moet het naar de praktijk toe. Zoals Noordmans al zei: we kunnen wel steeds de messen blijven slijpen, maar op enig moment moeten de varkens toch geslacht worden (en ik hoop maar dat ik daarmee niet de veganisten tegen me in het lijf jaag en straks bij thuiskomst mijn deur beklad terugvind; je weet het niet meer, dezer dagen).
Goed, dat was totnogtoe alleen wat formele waardering. Ook inhoudelijk is er veel moois in deze bundel te vinden. Ik noem drie dingen. Allereerst de manier waarop met name Hans Burger het belang van de vorming tot goede bijbellezers benadrukt. Goed leren lezen en verstaan heeft te maken met het werk van de Heilige Geest, en gereformeerde hermeneutiek wordt hier in het kader van de heiliging neergezet. Zoals christenen moeten leren naar al Gods geboden te leven, moeten ze ook leren naar al Gods beloften te lezen — dat is dan mijn vertaling van wat Burger hierover schrijft. Hij reikt enkele ‘bouwstenen voor een theologisch framework’ aan, waarvan de opstanding van Jezus Christus het belangrijkste is: de vernieuwing van ons bestaan in Hem heeft betekenis voor de vernieuwing van ons verstaan. Christenen worden opgenomen in het ‘theodrama’ — dat lijkt zoiets als de heilsgeschiedenis, maar dan ingedeeld in verschillende ‘bedrijven’, als in een toneelvoorstelling, waardoor ruimte ontstaat voor creativiteit van de toneelspelers (een beeld waar ik altijd even van moet slikken in het licht van de nieuwtestamentische term hypokritos). Christenen lezen ook samen de Bijbel, dus is de kerk van belang en er is sprake van ‘transformatie’, levensvernieuwing. Burger beschrijft deze als overgang van een oud en werelds perspectief naar een perspectief coram deo (tegenover God). Dat lijkt me zeer de moeite waard.
Vervolgens werd ik getroffen door wat Ad de Bruijne schrijft: ethisch brood wordt dagelijks ontvangen. Dus hebben wij ons te oefenen in ontvankelijkheid, want wij hebben de ethische waarheid niet op zak. En, vul ik vragenderwijs aan, we hebben dus de succesvolle hermeneutische theorie niet op zak? Ik denk dat dit bedoeld wordt, maar waarom ik het toch in de vragende vorm stel, hangt samen met mijn derde punt van waardering, dat raakt aan een vraag en eerste punt van kritiek.
Ten derde waardeer ik namelijk de inzet bij ‘hermeneutische sensitiviteit’. Voorheen werd er aan deze instelling wel gesproken van ‘hermeneutische competentie’. Dat lijkt me toch wat anders. Een competentie verwerf je, moet je vervolgens wij bijhouden, maar je hebt ‘m dan toch maar voor elkaar. Je kunt zwemmen of je kunt niet zwemmen, fietsen of niet fietsen, je bent hermeneutisch competent of niet. Door oefening wordt het beter, maar je basisniveau heb je te pakken – gefeliciteerd! Het klinkt ook als een niveau dat door sommigen wordt gehaald, door anderen helaas niet. De term ‘hermeneutische sensitiviteit’ lijkt me veel beter en dat lijkt me niet alleen een kwestie van woordkeus. Disclaimer: ik heb meegewerkt in de GTU-werkgroep die een nieuw theologiebegrip en onderwijsconcept moest schrijven, waarin deze hermeneutische sensitiviteit een sleutelrol vervult. Hermeneutische sensitiviteit draait juist niet om iets wat ik beheers, maar om een ontvankelijkheid: geen hermeneutische gereedschapskist om mee aan de slag te gaan, maar een hermeneutische antenne om af te stemmen op de stem die ik moet horen. “Spreek, Heere, uw knecht hoort” — als ik het even kort door de bocht mag zeggen: dat is geen hermeneutische competentie van Samuël, maar wél een hermeneutische sensitiviteit, die prima zonder tekentheorie kan.
Ik ben eigenlijk wel benieuwd of de auteurs van deze bundel het met me eens zijn dat hermeneutische sensitiviteit en hermeneutische competentie verschillende dingen zijn. In sommige bijdragen worden beide begrippen namelijk nog wel door elkaar gebruikt (zo op p. 14v).  Dat lijkt me geen goed idee.
Voor mij ligt hier een belangrijk punt, ook een kritiekpunt op de bundel. In de bijdrage van Hans Burger wordt eerst de hermeneutiek heel theologisch ingestoken, maar naar mijn idee loopt dat wat weg als het tekengebruik aan de orde komt. Leidt de grote nadruk op tekentheorie er toch niet toe dat onze hermeneutische techniek het eigenlijke moet gaan doen? Doordat de hermeneutiek hier zo methodisch wordt vormgegeven, krijg je toch de indruk dat het een methode is die je je eigen moet maken en krijgt in tweede instantie de nadruk op vorming tot goede bijbellezers zelfs een wat methodistische ondertoon. Hoe verhoudt zich dit tot het statement van Barend Kamphuis op p. 146, dat mij uit het hart gegrepen is: ‘dat hermeneutiek een zaak van genade is, en niet allereerst een zaak van vaardigheid.’ (Kamphuis heeft dit van Bonhoeffer, daar komt het vast van). Natuurlijk moet je theologische vaardigheden leren, maar dat zijn maar randvoorwaarden. Het eigenlijke moet je gegeven worden.
Dat ‘gegeven worden’ van theologische taal biedt volgens mij ook een mogelijkheid om de Reformatie veel positiever te waarderen dan in deze bundel gebeurt. Niet dat er expliciet aan Reformatie-bashing wordt gedaan, maar de focus ligt duidelijk meer bij de interpretatieve praktijken van de Vroege Kerk en de viervoudige schriftzin. Ik denk dat daar ook wat te halen valt, al is het nog wel uitdagend om ons die interpreterende praktijken eigen te maken: hoewel de kerkvaders wel degelijk een bepaalde manier hadden om de Bijbel te benaderen, staat die manier voor ons intuïtief al wel snel op afstand.
Wat is er dan bij de Reformatie te halen? Wat mij betreft de overtuiging dat de Bijbel het levende Woord van God is. ‘Woord’ is niet hetzelfde als ‘tekst’. God spreekt zijn eigen Woord, Hij spreekt ons aan en zo wil de Schrift dan ook ontvangen zijn: als communicatie van de Levende. Anders gezegd: het beloftekarakter van de Schrift geeft de theologische hermeneutiek zijn eigenheid. Centraal staan dan niet onze verstaansprocessen, zoals de insteek van de bundel is (vooral in Hans Burgers tekentheorie), maar Gods spreken. Daarmee beginnen we niet bij onze complexe vragen, maar bij de aard van het spreken van God, dat belovend van aard is. Dat lijkt me nu typisch gereformeerd.
Al de waarheden van het evangelie zijn beloften, zoals de Heidelbergse Catechismus al zegt. Vraag 22: Wat is een christen nodig te geloven? Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, en dat leren ons de artikelen van het christelijk geloof in een hoofdsom. Met andere woorden: alle geloofswaarheden zijn beloften: Gods woorden in het heden die anticiperen op de toekomst en die gedragen worden door de betrouwbaarheid van Hem die spreekt. Dan heb ik nog wel genade nodig die me opmerkzaam maakt om te horen wat God zegt, maar ik heb geen complete toolkit met een tekentheorie nodig.
In dit licht valt het accent nog sterker op onze positie als ontvangers van de Schrift: “wat hebt gij dat gij niet hebt ontvangen?” De weerbarstigheid van de Schrift komt zo ook beter uit. Theologisch gesproken vindt ons bijbellezen niet alleen plaats in het kader van de heiliging, waarin we tot betere (of in ieder geval minder slechte) bijbellezers worden gevormd, maar ook in het kader van de rechtvaardiging: Gods oordeel gaat over ons bijbellezen, en dan komt het op aan dat we recht hebben gesproken van God en zijn Woord, recht hebben gelezen in gericht en genade. Dat lezen is genade en vraagt ook om vergeving. Al lezend zijn wij tegelijk zondaar en rechtvaardige, tegelijk degene die alles misverstaat en in zijn eigen straatje wil inpassen én degene die tot zijn verwondering genade ontvangt. Liever zou ik dit geen ‘framework’ noemen, zoals Hans Burger doet; wel ben ik er wel van overtuigd dat dit ten volle bijbellezen is in een soteriologisch perspectief. Daarbij gaat het overigens, voor de duidelijkheid, niet alleen om het eigen heil of iets dergelijks, maar om het hele verstaan van de hele werkelijkheid coram deo, voor Gods aangezicht.
Dit accent op de rechtvaardiging kan volgens mij ook helpen om het kritische karakter van Gods Woord uit te laten komen. Verbum dei, quo venit, venit adversarius, schrijft Luther: waar Gods Woord komt, komt het mij tegen, als tegenstander. Dat kan natuurlijk een dialectiek worden die dol draait, maar het lijkt me hermeneutisch zindelijk om de Schrift niet allereerst met onszelf mee te lezen, op zoek naar bevestiging van onze standpunten, maar juist tegen onszelf in. Dat hebben we steeds opnieuw te leren.
Al met al valt er bij de Reformatie meer te halen dan in deze bundel gebeurt. Ik ben van de theologie van de Reformatie minstens zo onder de indruk als van hedendaagse hermeneutische uitdagingen, en dat wens ik u eigenlijk ook wel toe. En ik leg de vraag maar in het midden waarom u er eigenlijk aan hecht om de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ te noemen als de Reformatie vooral in de achteruitkijkspiegel te zien is.
In dit verband heb ik nog wel een concern, een zorgpunt. In aansluiting bij Abraham Kuyper wil Ad de Bruine ‘in de uitleg en de verwerking van de Schrift vrijmoedig gebruik [maken] van inzichten uit de geschapen werkelijkheid’ (p. 27). Is het niet reëel om te vermoeden dat deze inzichten (welke dan?) niet zozeer vanuit denken vanuit Gods scheppend handelen worden ingedragen, maar op basis van een soort common sense uit de contemporaine cultuur? Ik bewonder in de neocalvinistische traditie de moedige openheid richting de cultuur, maar ik zie ook de bedreiging dat de heersende cultuur de kaders aanreikt waarbinnen de Bijbel nog wat mag bijdragen. Ik ben op dit punt eerlijk gezegd niet gerust. Ik vrees dat ‘de geschapen werkelijkheid’ een chiffre kan worden voor de theologische flavour of the week.
Op verschillende momenten in het boek wordt de Bijbel ook een ‘factor’ genoemd, waarnaast nog andere factoren een rol spelen in het verstaan. Is de Bijbel dát, een factor onder andere factoren, en dan is de theoloog of hermeneut aan zet? Halen we de spanning van het spreken van God er niet af als we deze benadering kiezen? Ook op dit punt ben ik niet gerust.
Nog een punt van kritiek en voor discussie. In de gereformeerde wereld spelen tal van heikele kwesties, niet het minst in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Waarom wordt in dit boek dan de link met die discussies niet gelegd? Is de manier waarop in 2014 met de thematiek vrouw en ambt werd omgegaan, een goede manier in het licht van dit boek? En het rapport van 2017? Zijn beide toelaatbaar, is een van beide OK, of zijn beide laakbaar? Het lijken me voor de hand liggende vragen, maar ze komen in dit boek niet aan de orde. Eerlijk gezegd lijken die vragen me ook relevanter, niet alleen kerkelijk maar theologisch, dan het beschrijven van de functie van hermeneutiek in de verschillende theologische disciplines. Natuurlijk is daar wel van verschillen sprake, maar het is lang niet zo spannend als inhoudelijk op ingewikkelde kwesties ingaan. De messen zijn geslepen, maar wat is nu de goede manier om de varkens te slachten – een heel verkeerde metafoor natuurlijk voor de discussie over vrouw en ambt en andere discussies die raken aan de hermeneutiek. Ik heb in het programma van deze dag gezien dat deze thematieken vandaag wel aan de orde komen. Maar dan blijft mijn vraag: is het nu zo dat dit boek als het ware een hermeneutische theorie biedt die je copy-paste op verschillende onderwerpen kunt plakken en waar dan als vanzelf een oplossing uit komt rollen? Volgens mij werkt hermeneutiek zo niet, zoals zojuist betoogd, en volgens mij heb ik zelfs centrale passages uit dit boek aan mijn kant als ik dat zeg.
De vraag blijft dus: hoe kan het dat er een boek vol geschreven wordt over hermeneutiek waarin de vragen van vrouw en ambt, die in de GKv zo heftig speelden toen aan dit boek werd gewerkt, niet aan de orde komen? Hermeneutiek is toch geen academische exercitie los van kerkelijke vragen?
Richting het einde van mijn bijdrage wil ik graag ook nog wat opmerken over de verschillende bijdragen van vaktheologen over de betekenis van hermeneutiek voor hun vakgebieden. Ik moet zeggen dat ik het vooral boeiend vond om te zien hoe de praktische theologen in een heel andere vakmatige context dan de mijne zoeken naar een gereformeerde hermeneutiek vandaag. Op de uitdrukking ‘door de tekst heen preken’ moet ik nog eens kauwen, maar te denken geeft hij zeker. In ieder geval is duidelijk dat preken meer is dan alleen het uitleggen van de tekst en dat de eigen horizon ook meedoet. Het lijkt me spannend om hier wegen te vinden.
Samenvattend: bij alle moois dat deze bundel biedt over vorming tot bijbellezers en over het ontvangen van de Schrift, mis ik niet alleen de concretisering (dat is tot daar aan toe), maar vooral de inhoudelijke verwerking van theologische grondnoties van de Reformatie: belofte, rechtvaardiging, oordeel en genade.
Misschien is mijn bijdrage wel grotendeels tamelijk voorspelbaar Apeldoorns of christelijk-gereformeerd. Het zij zo en u kunt mij werkelijk geen groter plezier doen dan door mijn bijdrage zo te afficheren. Maar toch. Laten we alstublieft voorbij de sjablonen komen en voorbij het makkelijk plakken van etiketten, kerkelijk en theologisch, over nieuwe hermeneutiek of juist oude koek, en samen zoeken om de Schriften en heel ons leven te verstaan coram deo. Gods belofte bindt ons samen.

Een mens te zijn op aarde

Bijdrage aan studiedag ‘Wat als het waar is? Over schepping en evolutie’
Dit is mijn bijdrage aan de studiedag op 22 september in Nijkerk over het boek En de aarde bracht voort van Gijsbert van den Brink.
1. Inleiding
“Wat is de mens? Twee poten en een pens.” Zo parafraseerde mijn leraar Duits op de middelbare school de beruchte uitspraak van Ludwig Feuerbach “Der Mensch ist, was er ißt” – de mens is wat hij eet. Om daarna uiteraard (het was immers een gereformeerde school) tegenover beide uitspraken de eigenheid en het geheim van de mens te stellen, dat langs naturalistische weg niet te vinden is. Zal dat vanmiddag ook lukken?
Veel van de weerstand die de evolutietheorie oproept, heeft te maken met de visie op de mens die er in ligt ingevouwen. Hebben wij een gemeenschappelijke voorouder met de apen? Waar blijft dan de menselijke waardigheid? En leidt dit denken over de mens uiteindelijk niet tot sociaal darwinisme dat zwakken uitsluit en naar nazistische eugenetica? Al gaan sommige van die vragen mij echt te snel, de terechte intuïtie erachter is dat dé aanstoot van de evolutietheorie voor christenen niet allereerst in de visie op de leeftijd van de aarde ligt, maar in de antropologie – en ook de godsleer.
We zijn Gijsbert van den Brink veel dank verschuldigd voor zijn boek waarin hij het prijskaartje probeert te bepalen: stel dat de evolutietheorie waar is, wat kost dat dan theologisch? Ik vind dat hij dat helder beargumenteerd, orthodox christelijk en fair doet, en gelukkig staat hij open voor tegenargumenten, wat niet per se voor iedere deelnemer aan het gesprek over evolutie geldt.
2. Common descent
Ter zake. De christelijke en vooral de gereformeerde traditie heeft benadrukt dat de mens ‘naar het beeld van God’ geschapen is, in onderscheid van de dieren. Vaak werd dat ‘beeld van God’ verbonden aan een intellectuele en morele status die de mens voor de zondeval zou hebben gehad. Als we echter een gemeenschappelijke voorouder hebben met de apen, blijft daar naar het zich laat aanzien, weinig van over.
Nu zie ik Van den Brink in hoofdstuk 6 van zijn boek het imago dei hoe langer hoe meer strikt theologisch invullen. Dat lijkt me ook terecht (al neemt Van den Brink in het vervolg van het boek die theologische inzet wel wat terug). Het beeld van God zoeken in het feit dat de mens, anders dan de dieren, met rede begiftigd zou zijn, vindt geen grond in de Schrift en weerspiegelt vooral hoe het idee van imago dei werd ingevuld naar het eigen culturele beeld en gelijkenis. Wij mensen moeten ons maar niets verbeelden van een intellectuele of morele verhevenheid. Zoals Goethe snedig opmerkte: “Er nennt’s Vernunft und braucht’s allein / nur tierischer als jedes Tier zu sein.”
Dit geldt niet alleen van verdorven mensen ná de zondeval. Nauwkeurige lezing van de scheppingsgeschiedenis in Genesis laat ons ook een toontje lager zingen. We hebben geen eigen scheppingsdag, maar zijn van dezelfde dag als de dieren. We zijn niet de kroon op de schepping, want dat is de sabbat, de rustdag. En we zijn nota bene uit het stof gemaakt, waartoe we ook eens zullen terugkeren. Wij zijn geen halfgoden: God is in de hemel en wij zijn op de aarde. En toch heeft God de adem in Adams neus geblazen en hem naar zijn beeld gemaakt. Dat wil zeggen dat de mens een bijzondere taak en opdracht krijgt om namens God de schepping te beheren. Het beeld van God ligt dus in een roeping, en het unieke van de mens ligt in de positie die God hem genadig gaf, niet de natuurlijke make-up van die mens. Onze menselijke waardigheid is een geschenk van God en we zijn tot antwoorden geroepen.
Tot zo ver ga ik helemaal met Van den Brink mee. Ik zou het punt zelfs nog wat sterker willen aanzetten: hét beeld van God is – zie de Bijbelteksten hierover – allereerst Jezus Christus, en als we willen zien hoe de mens beeld van God is, kunnen we niet om Christus heen. De mens komt als beeld van God vooral tot zijn recht in het gebed (de onlangs overleden Robert Jenson spreekt terecht van de mens als ‘praying animal’). Deze volstrekt theologische visie op de mens als beeld van God betekent dat de menselijke waardigheid zich niet laat naturaliseren of materialiseren, al lijkt Van den Brink dat verderop in zijn boek wél te doen als hij de historische Adam probeert in te tekenen in de evolutionaire geschiedenis. Op dat punt kom ik zo nog terug.
3. Theologische kritiek
Maar als theoloog wil ik me allereerst bij mijn leest houden. Ik zie twee grote theologische problemen opdoemen bij het intekenen van de mens in het evolutionaire plaatje.
Het eerste heeft te maken met de ontbrekende ‘staat der rechtheid’. De klassieke theologie gaf zo hoog op van de mens als beeld van God om des te scherper de diepte van de val te laten uitkomen. Zo kon de gereformeerde traditie met twee woorden over de mens spreken: goed geschapen, diep gevallen. Van den Brink houdt hieraan zo veel mogelijk vast en ik heb ook grote waardering voor de poging die hij doet. Maar waar voor de gereformeerde theologie de zondeval het moment is van de breuk, de discontinuïteit, is het voor Van den Brink eigenlijk een continuïteit: de mens gaat door met wat hij eerder al deed, namelijk de struggle for life, met alle geweld en dood van dien. De discontinuïteit zit ‘m er in dat de mens op enig moment (tijdens de cultural big bang) meer bewustzijn krijgt en een speciale verantwoordelijkheid krijgt om naar God te luisteren: hij wordt homo divinus; je zou dit ook het ‘beeld Gods-moment’ kunnen noemen. Op dat moment wordt de geschiedenis van geweld en dood daarvoor ook een kwaad dat de mens moet vermijden (en kán vermijden, ‘aangezien het tegen de geest van hun geëvolueerde morele bewustzijn inging’ (241); hier is imago dei opeens méér dan een roeping). Maar ‘kwaad’ is dan wel een heel ‘lege’  categorie geworden: kwaad is wat God kwaad noemt. De mens heeft nog wel egocentrische driften, maar die zijn op zichzelf niet zondig; er aan toegeven is dat wél (254). Je mag het wel zijn, maar je mag het niet doen…
Dat roept de vraag op, al stelt Van den Brink het zelf niet zo, of het moment dat God de mens roept niet direct ook het moment is waarop de mens de kennis van goed en kwaad ontvangt? Is die roeping, dat imago dei-moment, in feite niet tegelijk de eigenlijke zondeval? Hoe dan ook is de zogenaamde ‘goede schepping’ maar een kort intermezzo in de geschiedenis van agressie, dood en lijden. De mens valt terug op zijn natuurlijke neigingen. Daarmee verandert echter het hele plaatje. Op p. 260-261 probeert Van den Brink van deze nood nog wel een deugd te maken door het verlossingswerk van Christus niet zozeer over de zonde te laten gaan als wel over het beëindigen van de geschiedenis van lijden en dood. Ook daar lijkt de zogenaamde ‘goede schepping’ een intermezzo, waarin het eigenlijke kwaad nog in stand bleef. Pas in Christus komt het goede echt de wereld binnen. Dat zijn fundamentele verschuivingen. Wat moeten we aan met Romeinen 5, waarin Paulus de parallel tussen Adam en Christus opzet? Door één mens is de zonde de wereld binnengekomen. Jammer eigenlijk dat er geen nieuwtestamenticus spreekt vandaag.
Dat brengt me bij een tweede theologisch probleem, dat meer methodisch van aard is. Dit lijkt een omweg, maar stel u gerust: we komen bij de kwestie terug. Van den Brink stelt de vraag: what if it is true, wat als de evolutietheorie waar is. Het is het thema van deze dag. Maar wat heet ‘waar’? Vanuit natuurwetenschappelijk perspectief mag iets ‘waar’ heten als het overeenkomt met een stand van zaken in de werkelijkheid, of als een experiment herhaalbaar is. Maar dat natuurwetenschappelijk perspectief op waarheid is niet noodzakelijk de volle waarheid. In onze tijd is het natuurwetenschappelijk discours wel dominant geworden, de maatstaf van wetenschappelijkheid en zelfs van waarheid. Dit perspectief schiet echter, in ieder geval voor wat de mens en de geschiedenis betreft, tekort. Om de waarheid over de mens te zeggen, schiet een benadering van buiten, met natuurwetenschappelijke middelen, tekort. De scheur tussen denken en leven die in ieder geval sinds Descartes door de Westerse filosofie loopt, speelt ons hier parten. Hier zou een hermeneutisch, filosofisch verhaal kunnen volgen in het spoor van de levensfilosofie, Dilthey, Gadamer en anderen. Er is geen feit los van interpretatie, waarheid kan niet bereikt worden langs strikt methodische weg.
Maar ook op dit punt wil ik me theologisch bij mijn leest houden. Jezus Christus is de waarheid. Wat Hij eenmaal als oordeel over mijn leven zal uitspreken, is de waarheid over mijn leven, wat anderen (en ikzelf) ook maar zeggen. Tot die tijd zijn er allerlei concurrerende waarheidsclaims, maar zoals het slot een boek in een nieuw perspectief kan zetten, zo zet de komende Christus heel de werkelijkheid in een nieuw, waar licht. Hij, het beeld van God, is ook de waarheid over de mens: niet van het begin, maar van het einde uit komt de waarheid.
En hier raak ik aan het ‘perspectivisme’ dat Van den Brink bespreekt op bladzijde 120 e.v. van zijn boek. De Bijbel en de wetenschap hebben elk hun perspectief op de werkelijkheid en daarom moeten we ze niet proberen te harmoniseren. Maar, zegt Van den Brink terecht, de Bijbelse inhoud laat zich niet zomaar uit de vorm lospellen, en – belangrijker – beide perspectieven overlappen elkaar op ‘het terrein van de geschiedenis’ (p. 134). Omdat het om échte geschiedenis gaat, zul je beide perspectieven toch naar elkaar toe moeten buigen. Akkoord, op zich, maar: laten we niet doen alsof vanuit beide perspectieven hetzelfde bedoeld wordt met ‘geschiedenis’. Vanuit wetenschappelijk perspectief gaat het om een lineaire opvolging van momenten in de tijd, terwijl de geschiedenis vanuit theologisch perspectief zwaartepunten, een midden kent, dat de geschiedenis en ons kennen ervan bepaalt. Neem bijvoorbeeld de opstanding van Jezus Christus. Is dat een historisch feit? Jazeker, maar het is vooral ook méér dan historisch, zoals Van den Brink met Van der Kooi in de Christelijke dogmatiek terecht stelt: je kunt de opstanding niet langs gebruikelijke historiografische wegen in de vingers krijgen, omdat het een eschatologisch gebeuren is, dat de geschiedenis draagt.
Op deze manier laat zich ook terugkijken naar Adam. Adam staat aan de grens van onze geschiedenis. De geschiedenis die wij kennen, begint eigenlijk met de val. De val is de grens van ons kennen. We weten dat de schepping goed was, maar méér weten we er ook niet van. Omdat er cherubim voor staan met vlammende zwaarden, kunnen wij zelfs denkend niet doordringen tot de goede schepping. Pas in Christus, de tweede Adam, zien we hoe het ‘beeld van God’ bedoeld is. In Christus komt de geschiedenis in een nieuw licht te staan en hebben we ook toegang tot de kennis van Adam. Mijn positie als mens in deze geschiedenis, historisch bepaald, doet helemaal mee. Ik kan mij aan mijn historiciteit niet onttrekken en kan geen bird’s eye point of view kiezen. In dit licht moeten we van een ‘historische zondeval’ ook direct zeggen dat we een categoriefout maken als we doen alsof die zondeval, of de goede schepping, zich met historiografische of wetenschappelijke middelen laat vaststellen.
Vergelijk het met de eschatologie: we spreken over een reële komst van Christus om te oordelen, maar de Bijbelse statements daarover laten zich niet keurig in de geschiedenis trekken, zoals in het chiliasme gebeurt. Het begin is wel anders, omdat het achter ons ligt. Maar voor ons theologisch kennen staan we evenzeer voor een grens. Met een dikke knipoog zou ik Gijsbert van den Brink dan ook een ‘oorsprongschiliast’ willen noemen…
Het probleem van mijn benadering blijft natuurlijk dat we ons zo graag één voorstelling willen maken, zeker als we ons standpunt ook nog eens aan een groter publiek willen duidelijk maken. Maar dat gaat volgens mij dus niet: de twee perspectieven zijn niet door elkaar te vervangen of tot elkaar te herleiden. Natuurwetenschappelijke antropologie en theologische antropologie zullen blijven schuren tot het einde toe. Zoals dat ook geldt van economie, politiek en ethiek. Dubbel denken is wat anders dan een boedelscheiding en het hoeft geen zwaktebod te zijn.
Met alle sympathie (en grote bewondering) die ik voor Van den Brinks boek heb, blijf ik dus aarzelingen houden bij de mate waarin natuurwetenschappelijk en theologisch perspectief bij elkaar worden gebracht. Voor mij betekent dit dat ik aanvaard dat de evolutietheorie volgens de overweldigende meerderheid van christenwetenschappers valide is, en als theoloog zou ik het aanmatigend vinden om daar iets aan te willen veranderen. Gezien het voorgaande heb ik misschien wel minder problemen met de evolutietheorie dan Van den Brink. Wel snap ik heel goed dat evolutie ons voor grote vragen stelt.
Bij het zoeken naar antwoorden daarop lijkt creationisme mij een categoriefout, een vermenging van perspectieven. De waarheid over de mens primair in natuurwetenschappelijke termen definiëren, lijkt mij evenzeer een categoriefout. De vraag naar het Bijbelse waarheidsbegrip moet op tafel komen. Want het is natuurlijk wel zo dat de mens twee poten is en een pens, maar de waarheid over de mens is er nog niet mee gezegd.
Stelling: Staat der rechtheid en zondeval zijn theologisch onopgeefbaar. We zullen het uit moeten houden met een theologisch naast een natuurwetenschappelijk perspectief.