Eijk over de veroordelingen van Trente

Stevige uitspraken

Volgens aartsbisschop Wim Eijk zijn de veroordelingen die het concilie van Trente over protestanten uitsprak, nog “onverkort” geldig. Dat zijn nogal stevige uitspraken, waarop eveneens heftig werd gereageerd door Gerrit de Fijter van de Nationale Synode: “het betonrot in de oecumene”. Dat gaat hard tegen hard, maar Eijk is begonnen, nietwaar?

Protestants

Het meest opvallend aan de uitspraken van Eijk vind ik dat hij zo ‘protestants’ met de kerkgeschiedenis omgaat: het staat er, het is niet herroepen, dus is het zo. Zo zijn er veel protestanten, met name in de lezerskring van het Reformatorisch Dagblad, dat het interview met Eijk publiceerde. Niet herroepen betekent: er nog altijd achter staan.
Op college betrek ik graag de oude slogan van de Fortisbank (excuus voor alle associaties die dit weer oproept!) op de rooms-katholieke omgang met het leergezag en de onveranderlijkheid van de leer:

Solid partners, flexible solutions.

Eijk is wel solid, dat moeten we hem nageven, maar flexible? Niet bepaald. Het is voor de rooms-katholieke kerk, voorzover ik weet, niet zo gebruikelijk om uitspraken te herroepen, maar wel om ze in een nieuwe context te herinterpreteren en — waar nodig — af te zwakken. Bovendien lijkt Eijk tal van oecumenische gesprekken en processen gemist te hebben, zoals bijvoorbeeld op dit weblog te lezen valt.

Naïef

Wat ik een beetje vrees, is dat protestanten die toch al van mening waren dat Rome sinds Trente niet veranderd is, zich gestijfd zien in die opvatting. Maar zelfs in de woorden van Eijk is al enige afstand ten opzichte van Trente te bespeuren, zij het minimaal. In het gewraakte interview in het RD zegt hij dat hij geen oordeel wil vellen over personen, maar over leerstukken – ook het commentaar in het RD van gisteren wijst in die richting. Terwijl Trente wel degelijk personen veroordeelde.
Is het werkelijk zo “naïef” (de titel van het commentaar van het RD) om te veronderstellen dat de kerken van Rome en die van de Reformatie elkaar dichter naderen, en niet alleen op allerlei ethische punten? Inderdaad hoeven we er niet op te rekenen dat Rome allerlei kerkelijke uitspraken, waaronder die van Trente, zal herroepen. Toch zijn er al — al ben ik geen kenner — oecumenisch wel perspectieven op het punt van de rechtvaardigingsleer. Met een Duitse collega, kenner van Calvijns avondmaalsleer, kwam ik tot de conclusie dat ook de verschillen in de avondmaalsleer op zichzelf genomen mogelijk overbrugd kunnen worden. Maar ja, het grote struikelblok is en blijft de ambtsleer – die staat ook een toenadering rond het sacrament in de weg.

Heidelbergse Catechismus

Het zal me niet verbazen als in het spoor van de discussie over Eijks uitspraken ook opnieuw de scherpe woorden uit de Heidelbergse Catechismus weer langs komen:

Daarom is de mis in wezen niet anders dan een verloochening van het enige offer en het lijden van Jezus Christus en een vervloekte afgoderij. (HC antw. 80)

In de eerste Duitse uitgave van de HC stonden deze woorden niet. Ze zijn later toegevoegd als reactie op de veroordelingen van het Concilie van Trente. Ook toen was het al zo: zij zijn begonnen met veroordelen…
Over HC 80 schreef ik eerder een bijdrage in Ambtelijk Contact. Ambtelijk contact, mooie titel eigenlijk. Misschien aartsbisschop Eijk een proefabonnement cadeau doen?

Christus als leraar (2)

Uniciteit

Telkens als we Christus benaderen vanuit een algemene voorstelling van wat een leraar is of zou moeten zijn, lopen we het gevaar van moralisme of het naar onze hand zetten van wie Jezus Christus is. De lijnen moeten kennelijk anders lopen, zoals dat ook geldt ten aanzien van het priesterschap en het koningschap van Jezus Christus: Hij is anders Priester en Koning dan wij ons hadden voorgesteld, en ook als gelovigen wel als priester of als koning functioneren, doen ze dat niet zomaar op een zelfde manier als Jezus Christus dat deed. Hij is uniek en Zijn werk is uniek. Wie probeert zijn leraarschap gradueel, stapje voor stapje, te benaderen, maakt al snel een categoriefout, door Jezus Christus als een soort ultieme leraar te zien. Maar als de Heidelbergse Catechismus Hem onze ‘hoogste’ Profeet en Leraar noemt, is dat iets totaal anders dan wanneer Hij de ‘hogere’ genoemd was.
Zullen we dan de hele onderneming maar opgeven? Dat zou jammer zijn, omdat er van Christus’ leraarschap vast veel te leren valt. Het zou zelfs méér dan jammer zijn, op het ontoelaatbare af, als we vanuit allerlei bronnen over leraarschap zouden willen leren, maar van Jezus Christus niet. Bovendien, Hij is toch echt onze werkelijkheid binnengekomen, zou er dan werkelijk—met alle respect voor Zijn uniciteit—niet een benadering te maken zijn van Zijn leraarschap?

Onderwijs dat de mens helemaal vernieuwt

Intuïtief, nog even los van een theologische argumentatie, kun je van Christus als leraar in ieder geval leren dat het bij onderwijs gaat om de hele persoon en zelfs om een vernieuwing van de hele werkelijkheid. Het gaat om meer dan het aanleren van wat vaardigheden, waardoor mensen economisch nuttig werk kunnen gaan doen. Het gaat ook om meer dan alleen een brede kennis van feiten of zelfs van wetenschappen. Die kennis kan je namelijk juist met een leeg gevoel achterlaten. Vergelijk Goethes Faust:

Habe nun, ach! Philosophie,
Juristerei und Medizin,
Und leider auch Theologie
Durchaus studiert, mit heißem Bemühn.
Da steh’ ich nun, ich armer Tor,
Und bin so klug als wie zuvor!

Waar Jezus Christus als leraar verschijnt, gaat het om een complete vernieuwing. De meest opvallende tekst in dit verband is die waarin Jezus expliciet leraar wordt genoemd:

[Nicodemus] zei tegen Hem: Rabbi, wij weten dat U van God gekomen bent als leraar, want niemand kan deze tekenen doen die U doet, als God niet met hem is. (Joh. 3:2).

Een beleefde en royale opening van het gesprek, zou je zeggen. Maar Jezus maakt in zijn antwoord direct duidelijk dat Hij wel leraar is, maar niet een bijzonder soort rabbi of rabbi+.

Jezus antwoordde en zei tegen hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien. (Joh. 3:3).

Dus enerzijds past Jezus Christus niet in enige categorie ‘leraar’, omdat Hij de unieke is, God-met-ons. Maar anderzijds is Hij wel degelijk leraar, van wie we het belangrijkste moeten leren wat er te leren valt. Het gaat om de vernieuwing van alle dingen en dus ook om de vernieuwing van de mens.
Tot zo ver de inleidende beschouwingen. In een volgende post wil ik proberen theologisch nog wat dieper te graven.

Christus als leraar (1)

Inleiding

Dit is de eerste aflevering van wat een series blogs moet worden naar aanleiding van een lezing die ik op 15 januari bij Driestar Educatief hield.

Christus als voorbeeld?

Christus als leraar der mensheid Als we over Christus als leraar spreken, hebben we het al snel over Jezus Christus als voorbeeld, waarnaar we ons vervolgens richten. Het schrikbeeld voor orthodox-christelijke mensen is dat Christus dan al snel niet méér wordt dan enkel een voorbeeld. Bij de voorbereiding van deze lezing, bijvoorbeeld, stuitte ik op de ets hiernaast, met de titel “Christus als leraar van de mensheid”. De maker: Dirck Volckertsz Coornhert. Inderdaad, de verlichte religieus-humanist, held van de vrijzinnigheid, uitgeweken naar Gouda vanwege de liberale prediking aldaar (hij ligt in de St. Jan begraven). Je ziet hier Christus als personificatie van de Rede, die met een overwinnaarsblik ten strijde trekt. Dit kan toch niet de manier zijn waarop een gereformeerd mens over Christus als leraar wil spreken?

Moralisme

Toch lijkt er moeilijk aan te ontkomen, Christus op een dergelijke manier als voorbeeld te zien. Uiteraard spreekt de gereformeerde traditie met antwoord 31 van de Heidelbergse Catechismus over Christus als

onze hoogste Profeet en Leraar, die ons het verborgen raadsbesluit en de wil van God aangaande onze verlossing volkomen geopenbaard heeft.

Maar hoe voorkom je nu dat als je in een pedagogisch kader over Christus als leraar wilt spreken, het toch een strikt moralistisch verhaal wordt? Dat wil ik graag voorkomen, omdat het dan niet over de reële Christus gaat, maar vaak om een model, een ideaalbeeld van wat wij belangrijk en verantwoord vinden. Dan zie je bijvoorbeeld Christus gezagvol optreden en noteer je dat het belangrijk is dat een leraar gezagvol optreedt. Of je ziet Hem voorzichtig en passend bij de persoonlijke situatie van mensen reageren. Dat soort opmerkingen zijn wat mij betreft mooi en goed, maar al te snel zeggen ze vooral heel veel over wat je je in Christus als leraar terug wilt zien. Kortom: je schept je een Christus als leraar naar je eigen beeld. Precies wat ik Coornhert zie doen, komt dan – misschien met een orthodox sausje er overheen – ook Driestar Educatief binnen. Zo dus niet, maar hoe dan wel?

Dubbele boekhouding

Dat raakt aan een ander probleem, dat van een dubbele boekhouding. In een column in het Reformatorisch Dagblad heb ik er ooit de vinger bij gelegd dat op dezelfde bijeenkomst op een reformatorische school tijdens de opening de zondigheid van de kinderen in de donkerste kleuren wordt getekend, terwijl er daarna tamelijk optimistisch over de talenten, vaardigheden en mogelijkheden van onze kinderen gesproken kan worden. Beide manieren van spreken lijken elkaar niet te raken, terwijl er een geweldig spanning tussen ligt. En nu kan een spanning nog gezond zijn, maar het heeft ook wel trekken van een dubbele boekhouding.
Wat in die column naar voren kwam ten aanzien van de antropologie (een beetje retorisch ‘pedagogisch pelagianisme’ genoemd, maar vooruit, het was een column), speelt in het onderhavige verhaal ten aanzien van de christologie. Worden mogelijk wat Christus voor ons heeft gedaan enerzijds en wat Christus ons heeft voorgedaan anderzijds zo verdeeld, dat het in de kerk uitsluitend over het eerste gaat (waarbij dat ‘ons’ nog niet zo gemakkelijk is, en de prediking focust op de toe-eigeningsvragen) en op school vooral over het tweede?
Ik hoop op een geloofwaardige manier beide met elkaar te kunnen verbinden. Of eigenlijk klinkt dat nog te technisch: ik hoop dat duidelijk wordt hoe Jezus Christus als persoon zich niet tot het ene of het andere laat reduceren. Christus als leraar is meer dan voorbeeld alleen, maar Hij is ook voorbeeld.

Waarom ik twitter – en waarom dominees al dan niet zouden moeten twitteren

Vanmiddag krijg ik bezoek van een journalist van het blad Terdege, die met mij wil spreken over het gebruik van moderne media. Hij is onder andere geïnteresseerd in Twitter. Nu heb ik steeds een wat ambivalente houding ten opzichte van Twitter gehad; toch doe ik het nog steeds, en stop ik nog niet (dit gerucht is dus onjuist). Waarom eigenlijk? Wat zijn de pro’s en contra’s voor een predikant op Twitter? Ik noem een aantal dingen die volgens mij specifiek zijn voor Twitter.
Pro
1. Discussieplatform
Via Twitter informeer je je snel over allerlei discussies. Je bepaalt zelf wie je volgt en dus: hoe veel en wat er tot je komt. Je kunt inhaken in een gesprek of besluiten om dat niet te doen. Dat breed uitwaaierende en de mogelijkheid tot participeren maakt het anders dan een opiniepagina van een krant (waar de kwaliteit wel vaak hoger ligt) of een forum (waar je het onderwerp van discussie al opzoekt – bij Twitter word je er mee geconfronteerd, het is nieuwsgieriger. Als je voeling wilt houden met wat er her en der leeft, is het een mooie manier om van alles op te pikken.
2. Klankbord en informatiebron
Als je even snel een vraag wilt uitzetten bij veel mensen, waag er dan een tweet aan. Ik zie de hashtag (uitleg)  #durftevragen geregeld langs komen, en vaak komt er ook een nuttig antwoord. Of iemand nu vraagt naar een pannenkoekrestaurant in een bepaalde regio, of – zoals ik – aan twitterende gemeenteleden vraagt om een vraag voor de vragenrubriek aan te leveren, meestal komen er meerdere nuttige tips. Ter illustratie: mijn tweets over mijn zoektocht naar fondsen om de publicatie van mijn proefschrift te ondersteunen, leverde een tip op die inmiddels in een aanzienlijke toezegging heeft geresulteerd. Volgens mij bereik je deze vormen van crowdsourcing niet met andere media dan Twitter.
3. Uithangbord (voor een weblog bijvoorbeeld)
Als ik een bericht heb geschreven op dit weblog, of het andere waaraan ik meewerk, dan meld ik dat op Twitter. Van verschillende kanten hoor ik dat dit voor veel mensen dé toegangspoort tot mijn weblogs is. Ook gemeenteleden die niet twitteren, pikken dit op.
Concreet: afgelopen zaterdag sprak ik op de christelijke gereformeerde ambtsdragersconferentie. Volgens het RD waren er zo’n 70 bezoekers; ik denk dat dat klopt. De tekst van de lezing op mijn weblog is, sinds ik ‘m plaatste en dat op Twitter meldde, al ruim 100x bekeken. Of het nauwkeurig gelezen is, kan ik niet nagaan, net zo min als ik weet of het zaterdag nauwkeurig gehoord is. Het aardige is dat er direct via Twitter en andere media gereageerd kan worden. Die ene lezing bereikt dus meer mensen – en dat is mooi: het Woord verspreiden.
Natuurlijk geldt deze signaalfunctie niet alleen voor een weblog. Je kunt ook citaten of ‘denkduwtjes’ twitteren; ik doe dat ook wel, maar het zou nog meer kunnen.
4. Sociaal medium
Dit vierde punt is eigenlijk de primaire functie van Twitter: je onderhoudt allerlei contacten. Via Twitter heb ik bijvoorbeeld contact met studenten uit de gemeente die ik anders minder zou spreken, maar ook met jaargenoten die ik al jaren niet gesproken had. Onder andere via het twittercontact kwam het tot de organisatie van een reünie en een studiedag. Ik volg de verrichtingen van collega-predikanten en zendelingen op ten minste vier werelddelen. Natuurlijk zijn de contacten wel totaal anders dan in het gewone leven. Veel mensen zullen dit ‘oppervlakkiger’ vinden. Misschien is het dat ook, maar laten we bedenken dat deze contacten niet in plaats van contacten in het echte leven komen, maar daarop aanvullend zijn.
Contra
1. Trivialiteit en exhibitionisme
Wat heeft het voor zin te melden dat je met de exegese van een preek bezig bent, of om zulke berichten van een ander te lezen? Toen ik verschillende mensen in mijn omgeving, ook gemeenteleden, vroeg naar wat ze van mijn getwitter vonden, kreeg ik veel positieve reacties (eerlijk gezegd: meer dan ik had gedacht). Maar waar het kritisch werd, betrof het dit punt. Niet allereerst ‘kost het niet te veel tijd en heeft hij niet wat beters te doen?’, maar: ik wil eigenlijk helemaal niet weten wat onze dominee van dagdeel tot dagdeel doet. Er zullen allerlei mensen zijn die dat maar wat interessant vinden, werd me gezegd, en juist dat soort gedrag verdient geen aanmoediging. Daar zit wat in. Een aansporing dus om tweets vooral inhoudelijk te houden.
Dan nog blijft het gevaar van exhibitionisme. Toen ik begon met twitteren, voelde ik mezelf schrijven over wat ik deed en dacht. “Heb ik nou echt zo’n interessant leven dat dit het melden waard is? Stel ik mezelf niet in het middelpunt? Strijdt dat niet met mijn roeping?” Volgens mij hoeft dat allemaal niet, maar is het wel zaak om er voortdurend op te letten dat het niet die kant op gaat.
2. Beslag op de tijd
Dit kritiekpunt komt, opvallend genoeg, vooral van de kant van collega-predikanten en minder van de kant van gemeenteleden, is mijn inschatting. ‘Waar haal je de tijd vandaan?’ Nu is dit meer een gevaar dan een regelrecht nadeel van Twitter. Het kost namelijk erg weinig tijd, zolang je maar niet de hele dag Twitter in de gaten zit te houden – wat ik niet doe. Af en toe een berichtje plaatsen (bedenk: van maximaal 140 tekens) is geen grote inspanning. De momenten dat je wat te melden hebt, zijn vaak ‘schakelmomenten’ tussen de ene taak die afgerond is en de volgende taak die wacht. In die zin kan het zelfs nog een bepaalde focus op een taak geven.
Wel is het een gevaar dat je te vaak je met Twitter gaat bezighouden. Dat gevaar is universeel voor het hele internet, en voor e-mail – het geldt ook voor Twitter, waarbij het snelle karakter van het medium het nog lastiger maakt om er bij vandaan te blijven. Dat is een kwestie van discipline en verstandig met de dingen omgaan. Juist op momenten dat je geneigd bent tot uitstelgedrag, wat in het Engels zo mooi procrastination heet, is het zaak om ver bij Twitter vandaan te blijven.
3. Kwetsbaarheid
Als je al te veel schrijft over wat je doet en laat, opinies ten beste geeft, maak je je gemakkelijk kwetsbaar. Voor kritische gemeenteleden, bijvoorbeeld, die je tweets (noodzakelijkerwijs korte berichtjes) op een bepaalde manier interpreteren. Voor wie het dan ook maar leest, want het internet is de meest openbare ruimte die we hebben.
Wat kun je daar aan doen? Je kunt je tweets beveiligen, zodat alleen mensen die je toestemming hebt gegeven om je te volgen, je tweets kunnen lezen. Dat heb ik eens gedaan, waarna ik verschillende reacties kreeg van mensen die zelf niet twitteren, maar wel graag meelezen. Juist voor de uithangbord-functie van Twitter is het wel nuttig als mensen ook kunnen lezen wat je schrijft.
Belangrijker is echter dat je – zoals in alles – jezelf oefent, tuchtigt zelfs, in wat je zegt en wat je schrijft. Als je – zoals veel mensen als ze achter een toetsenbord zitten – geneigd bent er van alles uit te gooien, ga dan niet twitteren. Het gebed om een wacht voor je lippen is juist voor diegenen die worden geroepen om veel te spreken en te schrijven, noodzakelijk.
Verder is het voor mij vanzelfsprekend dat ik heel erg ver blijf van het verstrekken van gevoelige informatie. Nooit schrijf ik bij wie ik op bezoek ga; meer nog: zeer zelden schrijf ik het als ik bezoekwerk ga doen, en dan nog alleen als ik een compleet dagdeel meerdere mensen ga bezoeken. Maar liever helemaal niet.
Conclusie
De pro’s zijn waardevolle punten die specifiek zijn voor Twitter, en die ik niet op een andere manier bereik. De contra’s daarentegen zijn te ondervangen, al vragen ze voortdurend waakzaamheid. Ik twitter dus.
Moeten collega’s dat nu ook gaan doen? Dat zou ik zeker niet willen zeggen. Twitter kán nuttig zijn, maar is verre van noodzakelijk.

Dieren eten

De bekende Amerikaanse schrijver Jonathan Safran Foer heeft een non-fictie boek geschreven over het eten van dieren; het eerste boek dat ik van hem las. Hij betoogt in dit boek waarom hij sinds hij vader werd, besloten heeft om geen dieren meer te eten, dat wil zeggen: vegetariër te worden.
Hoe kom ik er bij om dit boek ter hand te nemen, en er nu zelfs over te schrijven? Mensen die mij kennen, zullen weten dat ik nogal gesteld ben op een goed stuk vlees. Op Twitter werd zelfs gevraagd of die wel voer/Foer voor theologen was en of ik nu vegetariër ben. Een van de redenen waarom ik dit boek heb gelezen, is het feit dat Foer van joodse afkomst is. Ik was benieuwd of dat ook een effect zou hebben op zijn visie op dieren en het eten daarvan.
Argumentatie
Verschillende recensenten hebben opgemerkt dat dit een aangrijpend boek is, en dat het onwaarschijnlijk is dat je na het lezen ervan nog vlees eet. Dat lijkt me een beetje overdreven, al heeft Foer wel een sterk punt. Zeer sterk vond ik bijvoorbeeld zijn opmerking dat iedereen die zich gaat informeren over de manier waarop wij aan ons vlees komen, eigenlijk al wel een horrorverhaal verwacht.
Foer heeft een sympathieke, ingehouden schrijfstijl. Hij geeft lucht aan allerlei relativerende gedachten en mogelijke tegenwerpingen, en daardoor heeft zijn boek niet direct iets drammerigs, hoewel ik wel wat afstompte na de zoveelste beschrijving van dierenleed in de bio-industrie.
Ronduit beklemmend is het beeld dat Foer van het systeem schetst. Wij (of in ieder geval: Amerikanen) zijn steeds meer vlees gaan consumeren, dat relatief steeds goedkoper werd, en dat daardoor steeds meer in de massa geproduceerd moest worden. Dus is de menselijke maat verdwenen, zijn wreedheden aan de orde van dag, en is de milieuschade enorm. Vlees lijkt goedkoop, maar de collateral damage is enorm, is Foers punt. Neem bijvoorbeeld alle graan en maïs die nodig zijn om dieren te voeden; daardoor wordt de prijs van graan en maïs opgedreven, waardoor de armen in de wereld er nog moeilijker aan kunnen komen. Daarnaast is ons vlees hoe langer hoe onnatuurlijker geworden: door de nadruk op productie zijn allerlei natuurlijke kenmerken van dieren weggeselecteerd en andere er voor in de plaats gekomen. Tel daarbij op dat de bio-industrie een broeinest vormt van pathogenen, en er ligt een serieus te nemen argument tegen het eten van dieren.
Foer schetst hoe er ook nog boeren zijn die de menselijke maat willen handhaven en goed voor hun dieren zorgen. Maar Foer vindt hun argumentatie niet goed genoeg. Niet alleen omdat ze zich op de markt nauwelijks kunnen handhaven, maar omdat ze uiteindelijk toch bezig zijn met het pijnigen (brandmerken) en  doden (de gruwelen van het slachthuis) van dieren voor consumptie. Wij kunnen prima zonder, zegt Foer. Gesteld voor de keuze tussen een strikt biologisch dieet of een vegetarische levensstijl, kiest Foer dus voor de laatste. Dierenrechten, meer dan dierenwelzijn.
Feitelijk valt Foer de argumentatie van PETA bij, zoals ook blijkt uit vele van de eindnoten – met dit verschil dat Foer niet voor een veganistisch, maar wel voor een vegetarisch menu kiest. Dat laatste is wat inconsequent, maar wat mij betreft tast het eerste (het leunen op PETA voor argumenten) de geloofwaardigheid van Foers boek wel aan. Deze club dierenactivisten staat nu niet om hun genuanceerd en vredelievend karakter bekend. Maar goed, ik  concentreer me hier op Foers argument.
Veel van de praktische argumenten van Foer val ik bij: het milieu, dierenwelzijn, voedselprijzen, pathogenen: het zijn allemaal argumenten specifiek tegen de bio-industrie. Maar tegen het eten van dieren als zodanig zijn slechts het argument van het doden van een levend wezen, en het argument van dierenrechten lijken mij niet sterk. Ik kom daar hieronder op terug.
Joodse elementen van denken
Het ging mij allereerst om Joodse vormen van denken tegen te komen, of een nieuwe blik op de spijswetten in de Mozaïsche wet, die ik hoe langer hoe fascinerender vind. Maar eigenlijk vond ik het boek op dit punt tamelijk teleurstellend. Geregeld verwacht je dat Foer uit gaat pakken over de Joodse traditie, maar dan blijft het toch wat achterwege. Wat was er dan wel te vinden?
1. Gemeenschap. Eten is een sociaal gebeuren. Foer schrijft met liefde over zijn grootmoeder die de Holocaust overleefde en sindsdien wilde dat iedereen veel zou eten. Hij schrijft over de kalkoen op Thanksgiving, dat typisch Amerikaanse feest dat Europeanen maar zo moeilijk kunnen inleven. Maar volgens hem kunnen er nieuwe tradities groeien, waarbij we geen dieren meer hoeven te slachten. Dat is op zichzelf waar, maar ik had gehoopt wat meer te lezen over de Joodse rituelen die nu eenmaal met het eten van vlees verbonden zijn, zoals Pesach, de offervoorschriften en dergelijke.
2. Dierenwelzijn. Foer bespreekt het koosjer slachten, waarbij er expliciet aandacht voor is dat het leven van een levend wezen wordt beëindigd. Maar merkwaardig genoeg heeft hij geen koosjere slager bezocht. Ik ben benieuwd of dat zijn beeld had kunnen veranderen. Ergens in het boek merkt Foer wel op dat de Bijbel geen afzonderlijke woord voor ‘dier’ kent. Maar dieper gaat de bezinning niet.
3. Bevrijding. Foer vertelt dat bij de laatste Pesach niet meer de gefilte fish het stralend middelpunt was, maar ze vertelden er wel verhalen over.

Aan het verhaal van Exodus – dat magnifieke verhaal over de totaal onverwachte manier waarop de zwakken het winnen van de sterken – werden nieuwe verhalen over de zwakken en de sterken toegevoegd. (208).

Ik vond het een typerende zin. Eigenlijk staat Foer voor een bevrijding van de dieren, de zwakken, zoals in Egypte de Joden, tot dan slaven, werden bevrijd. Ik vind het stuitend dat hier het verschil tussen mens en dier zodanig wordt gerelativeerd, dat de mens eigenlijk niet veel meer is dan een sterk dier. Met andere woorden: juist de relativering van de humaniteit, danwel de humanisering van het dier, moet het pleit beslechten.
Naar mijn gedachte moet niet een relativering van de humaniteit, maar juist een Bijbelse stellingname vanuit de ware humaniteit hier de doorslag geven. Bij het mens-zijn zoals God dat leert, hoort de toestemming om dieren te consumeren, maar dat gebeurt wel met groot respect voor het leven van het dier. Het bloed moet worden opgevangen, want het bloed is het leven, en het leven behoort aan God (Genesis 9). En boeren dienen goed voor hun dieren te zorgen (Ex. 20:10, Deut. 22:6,7).
Op deze basis lijkt me een vegetarische levensstijl een mogelijkheid, maar zeker geen gebod – wat Foer er wel van maakt. Belangrijker is dat we ons richten op dierenwelzijn, en op een verantwoorde consumptie van vlees. Daartoe helpt het volgens mij wel als de overdrijving, die Foer af en toe ook niet schuwt, achterwege blijft.

Nationale synode en credotekst

Graag geef ik de conclusies door van een college over de ‘nationale synode’.
Het laatste college van het vak symboliek (over belijdenissen) was gewijd aan de zogenaamde ‘nationale synode‘ van 2010, en de credotekst die daarbij als uitgangspunt dient. In het Nederlands Dagblad woedt daarover een stevige discussie tussen vrijgemaakte theologen. B. Kamphuis sprak zich uit vóór de credotekst, die hij kenmerkt als een consensustekst, geen compromistekst. J. Douma daarentegen stelde een aantal kritische vragen. Bij de tekst (is het toch niet een relativerende consensus?) en bij het hele project. Intussen heeft A.L.Th. de Bruijne zich tot een voorstander van de nationale synode verklaard, terwijl hij er eerder nog tegen was. Op de dag van het college verscheen nog een afwijzende bijdrage van J. van Bruggen.
Vrijwel alle aanwezigen vonden het in ieder geval een sympathiek idee om te zoeken, hoe beperkt ook, naar eenheid onder protestanten. Een eensluidend signaal aan de samenleving is van eminent belang. Daar begonnen echter ook al onze vragen. Is dit geen eenheid ten koste van waarheid?
Ten eerste: wat wil men nu precies? Is het een ‘synode’ of een ‘platform’? Een synode lijkt een kerkelijk mandaat te veronderstellen, en de manier waarop de credotekst ondertekend is, ook. Toch handelen de ondertekenaars op persoonlijke titel. Een soortgelijke spanning is aanwezig tussen ‘credotekst’ en ‘groeitekst’. De tekst wordt op beide manier aangeduid; de eerste term past beter bij ‘synode’; de tweede meer bij een ‘platform.’ Dit geeft het project een wat hybride karakter, dat breed doorwerkt. Immers, men zegt zich vooral op kerkleden te richten, maar het initiatief ligt bij ‘leiders’ of ‘sleutelfiguren’ – dan dan echter weer op persoonlijke titel functioneren.
Dat dit meer is dan terminologisch muggenziften, blijkt als we vragen naar de aard van de eenheid waarover men spreekt. Er is een bepaalde mate van eenheid gevonden, geconstateerd, en verwoord. Maar wat betekent dit als het los staat van kerkelijke eenheid, of het streven daarnaar?
Als het bij de credotekst in de eerste plaats gaat om een tekst waarover alle protestanten het eens kunnen zijn, dan geldt: zo’n tekst hebben we al. Sterker nog, we hebben er meerdere. Niet alleen het apostolicum (waarop de credotekst kennelijk geënt is), maar ook de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel. Die hebben we bovendien ook nog gemeen met de Rooms-Katholieken, die niet bij dit project betrokken zijn – al zullen ze mogelijk als waarnemer aan de zijlijn participeren. Hoewel de credotekst zeker niet bedoeld is om het apostolicum te ‘verduisteren’ (zoals Van Bruggen stelt), denk ik dat het goed is om zijn punt ter harte te nemen dat er vanuit het apostolicum kritisch noten te kraken zijn.
Met waardering stelden we vast dat de credotekst een aantal toespitsingen van het apostolicum biedt op de huidige tijd, in de aandacht voor het milieu bijvoorbeeld. Anderzijds mist ook een aantal elementen uit het apostolicum; andere aspecten worden gewijzigd. Van Bruggen maakt daar een groot punt van. Niet zonder ironie merkten we tijdens het college op dat als de Rooms-Katholieken aanwezig waren geweest, ongetwijfeld de sacramenten niet buiten beeld waren gebleven. Nu wordt er wel over gaven van de Geest gesproken, maar niet over Doop en Avondmaal. Deze twee zijn waarschijnlijk wél in het apostolicum bedoeld, respectievelijk in ‘vergeving van zonden’ (in de Oude Kerk vaak synoniem voor de Doop) en ‘gemeenschap der heiligen’ (die allereerst de gemeenschap rond de Tafel is). Toch was ons oordeel over de tekst vrij positief, juist omdat bijvoorbeeld de verzoening helder wordt beleden. Het is geen slap aftreksel van het apostolicum, maar juist een toespitsing voor de huidige tijd!
Grote vraag blijft: waar is nu de doelstelling van dit alles en wat doet het? Eenheid betuigen richting de samenleving lijkt een nobel streven, maar de buitenwacht lijkt zich met de grenzen tussen onze kerkelijke denominaties niet zo bezig te houden. Wel weet men dat er verschillende christenen zijn, bijvoorbeeld in verschillende politieke partijen. Maar deze credotekst kan toch moeilijk anders dan voor binnenkerkelijk gebruik bedoeld zijn? In dat licht lijkt het statement van ‘eenheid’ slechts mogelijk door over de punten waar we het écht over oneens zijn, niet te hebben. Dat maakt het minder sterk.
En wat de ondersteuning van christenen in de samenleving betreft: zal dat er van komen door een statement op een nationale synode in Dordrecht? Hoe moeten we ons dat voorstellen?
Al met al: sympathiek initiatief, maar met een onheldere doelstelling. Mooie tekst, maar de vraag is waar ze voor dient; op welke vraag ze een antwoord wil zijn.
Is het nu ‘voor’ of ‘tegen’? Met De Bruijne vonden we dat de ‘eenheid’ niet mag worden tot een soort oecumene van het hart, of een open houding waarbij kritische vragen naar de waarheid niet meer zijn toegestaan. Maar, eveneens met hem, vonden we dat je een dergelijk initiatief, dat reformerend bedoelt te zijn, een kans moet geven. Vóór dus, mits we maar niet de waarheid hoeven in te leveren.

Nationale synode en credotekst

Graag geef ik de conclusies door van een college over de ‘nationale synode’.
Het laatste college van het vak symboliek (over belijdenissen) was gewijd aan de zogenaamde ‘nationale synode‘ van 2010, en de credotekst die daarbij als uitgangspunt dient. In het Nederlands Dagblad woedt daarover een stevige discussie tussen vrijgemaakte theologen. B. Kamphuis sprak zich uit vóór de credotekst, die hij kenmerkt als een consensustekst, geen compromistekst. J. Douma daarentegen stelde een aantal kritische vragen. Bij de tekst (is het toch niet een relativerende consensus?) en bij het hele project. Intussen heeft A.L.Th. de Bruijne zich tot een voorstander van de nationale synode verklaard, terwijl hij er eerder nog tegen was. Op de dag van het college verscheen nog een afwijzende bijdrage van J. van Bruggen.
Vrijwel alle aanwezigen vonden het in ieder geval een sympathiek idee om te zoeken, hoe beperkt ook, naar eenheid onder protestanten. Een eensluidend signaal aan de samenleving is van eminent belang. Daar begonnen echter ook al onze vragen. Is dit geen eenheid ten koste van waarheid?
Ten eerste: wat wil men nu precies? Is het een ‘synode’ of een ‘platform’? Een synode lijkt een kerkelijk mandaat te veronderstellen, en de manier waarop de credotekst ondertekend is, ook. Toch handelen de ondertekenaars op persoonlijke titel. Een soortgelijke spanning is aanwezig tussen ‘credotekst’ en ‘groeitekst’. De tekst wordt op beide manier aangeduid; de eerste term past beter bij ‘synode’; de tweede meer bij een ‘platform.’ Dit geeft het project een wat hybride karakter, dat breed doorwerkt. Immers, men zegt zich vooral op kerkleden te richten, maar het initiatief ligt bij ‘leiders’ of ‘sleutelfiguren’ – dan dan echter weer op persoonlijke titel functioneren.
Dat dit meer is dan terminologisch muggenziften, blijkt als we vragen naar de aard van de eenheid waarover men spreekt. Er is een bepaalde mate van eenheid gevonden, geconstateerd, en verwoord. Maar wat betekent dit als het los staat van kerkelijke eenheid, of het streven daarnaar?
Als het bij de credotekst in de eerste plaats gaat om een tekst waarover alle protestanten het eens kunnen zijn, dan geldt: zo’n tekst hebben we al. Sterker nog, we hebben er meerdere. Niet alleen het apostolicum (waarop de credotekst kennelijk geënt is), maar ook de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel. Die hebben we bovendien ook nog gemeen met de Rooms-Katholieken, die niet bij dit project betrokken zijn – al zullen ze mogelijk als waarnemer aan de zijlijn participeren. Hoewel de credotekst zeker niet bedoeld is om het apostolicum te ‘verduisteren’ (zoals Van Bruggen stelt), denk ik dat het goed is om zijn punt ter harte te nemen dat er vanuit het apostolicum kritisch noten te kraken zijn.
Met waardering stelden we vast dat de credotekst een aantal toespitsingen van het apostolicum biedt op de huidige tijd, in de aandacht voor het milieu bijvoorbeeld. Anderzijds mist ook een aantal elementen uit het apostolicum; andere aspecten worden gewijzigd. Van Bruggen maakt daar een groot punt van. Niet zonder ironie merkten we tijdens het college op dat als de Rooms-Katholieken aanwezig waren geweest, ongetwijfeld de sacramenten niet buiten beeld waren gebleven. Nu wordt er wel over gaven van de Geest gesproken, maar niet over Doop en Avondmaal. Deze twee zijn waarschijnlijk wél in het apostolicum bedoeld, respectievelijk in ‘vergeving van zonden’ (in de Oude Kerk vaak synoniem voor de Doop) en ‘gemeenschap der heiligen’ (die allereerst de gemeenschap rond de Tafel is). Toch was ons oordeel over de tekst vrij positief, juist omdat bijvoorbeeld de verzoening helder wordt beleden. Het is geen slap aftreksel van het apostolicum, maar juist een toespitsing voor de huidige tijd!
Grote vraag blijft: waar is nu de doelstelling van dit alles en wat doet het? Eenheid betuigen richting de samenleving lijkt een nobel streven, maar de buitenwacht lijkt zich met de grenzen tussen onze kerkelijke denominaties niet zo bezig te houden. Wel weet men dat er verschillende christenen zijn, bijvoorbeeld in verschillende politieke partijen. Maar deze credotekst kan toch moeilijk anders dan voor binnenkerkelijk gebruik bedoeld zijn? In dat licht lijkt het statement van ‘eenheid’ slechts mogelijk door over de punten waar we het écht over oneens zijn, niet te hebben. Dat maakt het minder sterk.
En wat de ondersteuning van christenen in de samenleving betreft: zal dat er van komen door een statement op een nationale synode in Dordrecht? Hoe moeten we ons dat voorstellen?
Al met al: sympathiek initiatief, maar met een onheldere doelstelling. Mooie tekst, maar de vraag is waar ze voor dient; op welke vraag ze een antwoord wil zijn.
Is het nu ‘voor’ of ‘tegen’? Met De Bruijne vonden we dat de ‘eenheid’ niet mag worden tot een soort oecumene van het hart, of een open houding waarbij kritische vragen naar de waarheid niet meer zijn toegestaan. Maar, eveneens met hem, vonden we dat je een dergelijk initiatief, dat reformerend bedoelt te zijn, een kans moet geven. Vóór dus, mits we maar niet de waarheid hoeven in te leveren.

Wat zongen Paulus en Silas?

Via Refoweb kreeg ik de volgende vraag:
Aan ds. A. Huijgen. Laatst hoorde ik een preek van u waarin u zei dat Paulus en Silas in de gevangenis psalmen zongen. Ik heb altijd begrepen dat de psalmen pas in de zestiende eeuw zijn berijmd. Nu is mijn vraag: Wat voor liederen zongen Paulus en Silas in de gevangenis? En, wat voor geestelijke liederen zongen ze in de bijbelse tijd?


Beste vraagsteller,
Dank voor je vraag. Secuur geluisterd naar de preek, en dat is fijn!
Het klopt dat de berijmde psalmen zoals wij ze kennen, pas in de tijd van de Reformatie zijn gevormd. Wat zongen Paulus en Silas? Het Grieks van Hand. 16:25 zegt dat ze ‘hymnen’, dat is: lofzangen, zongen. In Mattheüs 26:30 is dat een aanduiding voor de Psalmen uit de Paasliturgie. In de Griekse vertaling van het Oude Testament, de zogenaamde Septuaginta, worden de ‘Psalmen van David’ (2 Kron. 7:6) ook met deze term aangeduid. In het Nieuwe Testament vinden we deze term verder nog in Ef. 5:19,  Kol. 3:16.
Als we al deze gegevens op een rij zetten, kunnen we nog niet met zekerheid zeggen wat Paulus en Silas precies zongen, maar het is zeer waarschijnlijk dat de Psalmen bedoeld zijn. Niet berijmd zoals die van ons, maar op een andere manier gezongen. De Psalmen werden gezongen, zo veel is duidelijk, maar hoe precies? Dat weet ik ook niet.

 

Wat voor geestelijke liederen werden er in de Nieuwtestamentische tijd gezongen? Er zijn bepaalde gedeelten in het Nieuwe Testament die wel beschouwd worden als een soort ‘hymnen’, denk bijvoorbeeld aan Filippenzen 2:6-11 en 1 Timotheüs 3:16. In Efeze 5:19 (en Kol. 3:16) lezen we: “Sprekende onder elkander met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende den Heere in uw hart.” De vraag voor de uitleg van dat vers is: zijn ‘psalmen, lofzangen en geestelijke liederen’ drie geheel verschillende categorieën (met andere woorden: is een ‘lofzang’ géén ‘psalm’), óf zijn het drie benamingen voor de Oudtestamentische Psalmen? Dat laatste zou goed kunnen, omdat de Septuaginta (Griekse vertaling van het Nieuwe Testament) deze termen daadwerkelijk gebruikt voor verschillende Psalmen.
Met vriendelijke groet,
A. Huijgen vdm
PS: ik vermoed dat het om deze preek gaat.