The Christian Life Towards 2020: The End of Times?

Gisteren, vandaag en morgen wordt de European Conference for Christian Education in the Netherlands gehouden in Apeldoorn. Ik hield er gisteren een lezing. Helaas heb ik geen tijd gehad voor een spellingscheck. Bepaalde passages heb ik niet (of anders) voorgelezen dan ze hier op papier staan. Dus is de publicatie hier opgedragen aan de welwillende lezer: pdf
Yesterday, I gave a presentation at the European Conference for Christian Education in the Netherlands. You can find the pdf here. Excuse me for many typo’s and other minor errors. The major errors, however, remain entirely my responsibility.

Column (De Wekker)

 

Nasrani

Je wordt ’s ochtends wakker en ziet dat je huis gemarkeerd is. Een Arabische ’N’ is aangebracht, voor Nasrani, christen. Hoe zal dat voelen? Je bent vogelvrij. Formeel krijg je de keus tussen je bekeren tot de islam, belasting betalen of vertrekken. Maar die belasting is torenhoog en gaat gepaard met intimidatie, bedreiging en aanranding. Vertrekken dus, met achterlating van al je bezittingen. Dat is het kruis dat Iraakse christenen te dragen hebben.
De afgelopen week zag je het Nasrani-teken ook in Nederland verschijnen. Vooral op de sociale media, maar er zijn ook organisaties die stickers en T-shirts verspreiden. Ze zijn niet aan te slepen. Het geeft een goed gevoel van solidariteit, van verbondenheid met de christenen daar. Eindelijk eens iets wat we kunnen doen, want we voelen ons zo machteloos tegenover het lijden dat onze broeders en zusters treft. En wat bedoeld was om christenen te brandmerken, wordt een soort geuzenteken. Een sympathiek teken van verbondenheid.

En toch

Ook ik heb de afgelopen weken op het punt gestaan het nasraniteken over mijn profielfoto aan te brengen. En toch heb ik het nog niet gedaan. Ik aarzel. Niet alleen omdat het een beetje goedkoop kan voelen, omdat het Nasrani-teken ons verder niets kost. Ook niet alleen omdat het vreemd voelt een teken dat bedoeld is om af te schrikken, positief te omarmen. Mijn aarzeling heeft meer te maken met de aard van de verbondenheid. Katholiciteit gaat nog dieper dan solidariteit.
Zo leerde ik het eerder op catechisatie, in de tijd dat christenen visjes op hun auto’s begonnen te plakken. Wij catechisanten vroegen onze predikant waarom hij er geen had. Ons idee was dat hij zeker lekker hard wilde kunnen rijden zonder het visje in diskrediet te brengen. Maar nee, het ging er om dat een christen enkel aan het teken van de doop te herkennen is. Dat is het ‘merk- en veldteken’ van Christus.
Vergezocht misschien. En laten we alstublieft elkaar niet de maat nemen over het plaatsen van een Arabische ’N’ of niet. Maar christelijke verbondenheid is allereerst een geestelijke zaak. Welk teken er ook op je huis gezet wordt, het onzichtbare teken van Christus is waar het om gaat.
Intussen bidden we: Kyrie eleison; Heere, ontferm u.

COGG

Vandaag hield de COGG een bijeenkomst over hermeneutiek. Terugkijkend heb ik de volgende observaties.

  1. Het COGG heeft met dit thema in de roos geschoten. Er was een heel goede belangstelling. Persoonlijk vond ik het heel mooi dat er flink wat theologiestudenten waren. De aanwezigheid van afgevaardigden van het bestuur van CSFR beschouw ik als een groot compliment aan COGG!

  2. We zijn in gesprek geraakt rond een aangelegen thema. Niemand heeft ontkend dat hermeneutische vragen er toe doen. Niemand kan zich aan de discussie onttrekken door een simpel machtswoord. Dat lijkt me winst, omdat we alleen samen met alle heiligen een weg kunnen vinden.

  3. Spannend wordt het wel. Collega Burger en ik waren beide nogal kritisch op de eenzijdige focus op het missionaire argument in het GKv-rapport dat morgen ter synode wordt besproken. Maar hoe zijn de culturele aspecten dan te waarderen? Mij lijkt het van belang dat we van begin tot eind gelovig blijven spreken en dat we niet proberen ons aan onze culturele context te ontheffen, maar proberen gehoorzaam te zijn.

Overigens is mijn bijdrage via deze link te lezen. Comments zijn meer dan welkom.

Christus als Leraar (7)

De leerling

Wie is de leerling?

Een mens met een ziel

Gerard Visser schrijft in zijn prachtige boekje Niets cadeau dat wij lijden aan zielsvergetenheid. Daar kon hij wel eens gelijk in hebben.
*Niets cadeau*
Velen verstaan de mens enkel in materialistische termen. De filosoof Daniel Dannett noemde laatst in een interview in Trouw de mens een “vochtige robot”. Dat reduceert de mens. Wie Gerard Visser het gedicht van Szymborska “Niets cadeau” ziet analyseren, begint iets te beseffen van wat we dreigen te verliezen.
Christelijk gezegd: dwars tegen de dood in, waarvan we weten dat die ons wacht, bouwen wij het leven op. De christelijke hoop reikt verder dan de dood. Wij vallen niet samen met ons materiële bestaan, wij vallen gelukkig ook niet geheel samen met onszelf, wij existeren door te hopen, en door lief te hebben. Gerard Visser plaatst als motto in zijn boek:

Die Seele ist nicht, wo sie ist, sondern wo sie liebt. (Schelling)

Natuurlijk is het zaak dit niet tot een algemene antropologie te laten worden, maar van begin tot eind christelijk te bepalen. Zie wat Christus doet als Hij de Samaritaanse vrouw ontmoet: Hij maakt haar leven open. Hij geeft haar weer wat te hopen, iets om voor te leven—Hij geeft haar Zichzelf! Dat laatste is het Evangelie.
Als leraar kun je moeilijk verwachten dat je dagelijks zulke gesprekken hebt als Jezus had bij de Jakobsbron. En als je ze hebt, zul je des te meer beseffen dat je heel anders bent dan Jezus Christus Zelf. Maar laten we in ieder geval er van doordrongen zijn dat de diepste nood van leerlingen te maken heeft met hun ziel. Of het hun behoefte is, is een andere vraag. Mogelijk zit die behoefte er ergens diep weggestopt, door God er in gelegd, om uiteindelijk wakker geroepen te worden.

Een mens onderweg

Wij mensen zijn mensen onderweg. Het Evangelie verandert daar alleen in die zin iets aan, dat je nog méér een reizend en trekkend mens wordt. Abraham moest op pad gaan zonder te weten waar hij zou komen. Het Evangelie van Markus is wel genoemd: het evangelie onderweg. In de brief aan de Hebreeën wordt de weg van het nieuwtestamentische godsvolk vergeleken met dat van het Oude Testament. In de christelijke traditie speelt pelgrimage een grote rol.
Tegenwoordig ontmoeten we veel cynisme: waar doen we het eigenlijk voor en waar is het goed voor? Als de horizon is uitgewist en we enkel voor het hier en nu leven, blijft ook enkel dat cynisme over. Een christelijke leraar weet van een doel, kent de hoop en het verlangen naar Gods toekomst, voor deze wereld, voor de nieuwe gemeenschap en voor zichzelf. De leerling heeft een gids nodig die niet alleen wijst, maar ook voorgaat en meegaat.

Lesinhoud

Nog een paar dingen over de lesinhoud. Is dat Christus Zelf? Dat is wel een heel hoge taakstelling voor christelijk onderwijs, die voorbij lijkt te gaan aan de prozaïsche dagelijkse praktijk. En toch: het gaat uiteindelijk wel om de kennis van de Drie-enige God. De wereld is niet leeg van God. Er is niet enkel materie zonder bezieling. God heeft Zijn schepping niet losgelaten, zoals blijkt uit de zending van Zijn Zoon in deze wereld. En door Zijn Geest blijft Hij bij de Zijnen.
Christelijk onderwijs is onderwijs met een ziel, met bezieling bij de leerkracht, gericht op de ziel van de leerling.

Christus als Leraar (6)

De persoon van de christelijke leraar

Dat we eerder in deze serie Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus hebben opgepakt, kan ons hier helpen. De relatie tussen Christus als Leraar en christelijk leraarschap is niet:

  • Dat wij Christus moeten zijn voor de ander. You’re the only Jesus? Gelukkig niet! Dat redden wij helemaal niet en kunnen wij ook nooit redden. Als we denken dat we het kunnen, halen we Jezus naar beneden;
  • Dat wij als Christus moeten zijn voor de ander — althans, het hangt er van af hoe je dat uitlegt. Ook hier ligt overspanning op de loer, maar bovenal is de verbinding tussen Christus’ leraar-zijn en mijn leraarschap te direct.

HC Zondag 12 schetst het verband tussen Christus en de christen als een pneumatisch verband: we delen in de zalving van Christus, delen in Zijn Geest – en daarom zijn wij ook profeet, priester en koning. Leven vanuit Christus, daar gaat het dus om.
Specifiek voor het onderwijs denk ik aan een herwaardering van voorleven. Laten leerlingen aan de leraar zien wat het betekent om christen te zijn, met alle gebreken van dien.
Waar dat echt is, zal het ook gepaard gaan met aanpassing aan de huidige omstandigheden waarin leerlingen verkeren. Actueel dus. En met humor, want zoals Dietrich Bonhoeffer zei, laatste ernst is nooit zonder een dosis humor.
Drawing
In een laatste aflevering zullen we de volgende keer ingaan op de leerling en (kort) op de lesinhoud.

Christus als Leraar (5)

Met deze bijdrage pak ik – later dan gepland – de draad weer op van de weergave van mijn lezing over ‘Christus als Leraar’.

Typering van het onderwijs van Christus

Over het onderwijs van Christus is veel geschreven. Ik licht er hier een paar aspecten uit.

Koninkrijk

Wat Jezus Christus verkondigt, is het Evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Wat we in een eerdere bijdrage zag, blijkt hier van toepassing: Zijn onderwijs laat zich niet van Zijn persoon abstraheren. De kerkvader Origenes heeft al gezegd: Hij is autobasileia; Hij is Zélf het Koninkrijk dat Hij verkondigt. Dat Koninkrijk is het Koninkrijk der hemelen, ofwel: het Koninkrijk van God (‘hemelen’ werd als eerbiedsaanduiding van God gebruikt in die tijd). Alles wordt nieuw, want Gods heerschappij breekt baan in deze wereld. God zal recht doen.

Gevolmachtigd

Jezus spreekt met (vol)macht, in het Grieks: exousia. Aan het eind van de Bergrede lezen we:

Toen Jezus deze woorden had geëindigd, gebeurde het dat de menigte versteld stond van zijn onderricht, want Hij onderwees hen als gezag (exousia) hebbende en niet zoals de schriftgeleerden (Mat. 7:28v).

Dat gezag heeft Hij niet van Zichzelf, maar dat heeft Hij van God gekregen. Vergelijk de discussie met de priesters en ouderlingen, die vragen: “Met welke bevoegdheid (exousia) doet U deze dingen? En wie heeft U deze bevoegdheid gegeven?” (Mat. 21:23). Uiteindelijk krijgen ze daarop hooguit een indirect antwoord. Na de opstanding echter wordt het duidelijk, als Jezus zegt: “Mij is gegeven alle macht (exousia) in hemel en op aarde.” (Mat. 28:18). Als Opgestane heeft Hij alles in Zijn handen. Dat alleen al maakt dat het onderwijs van de Heere Jezus Christus en ons onderwijs niet zomaar met elkaar vergeleken kunnen worden.

Aanpassing

Een ander kenmerk van Jezus’ onderwijs is de aanpassing aan de mensen met wie Hij te maken heeft. Deze aanpassing of accommodatie blijkt uit het feit dat God mensentaal gebruikt, maar ook heel toegespitst in de manier waarop de Heere Jezus in de gelijkenissen beelden uit het dagelijks leven gebruikt. Jezus spreekt de taal van de eenvoudige menselijke waarneming, zoals de Bijbel dat overigens ook meestal doet. Het heeft een diepe zin dat God ons mensen opzoekt, in ons vlees en in onze taal. Christus’ onderwijs is onderdeel van een beweging van God naar mensen toe, van het komen van God in deze wereld en tot zondaren.

De Heilige Geest

Christus is niet de enige Leraar; de Heilige Geest is dat ook. In het evangelie naar Johannes lezen we dat Jezus spreekt over Zijn heengaan en over het komen van de Heilige Geest, de Geest der waarheid die in de hele waarheid leidt (Joh. 16:13). Calvijn heeft de Heilige Geest de “inwendige leermeester” genoemd. De Geest maakt dat het onderwijs ook binnenkomt, aankomt, verwerkt wordt. Die verwerking heet bekering. Gelukkig geeft de Heilige Geest persoonlijke aandacht aan zwakke leerlingen.

Christus als Leraar (4)

Het heeft een beetje lang geduurd, maar hier is het vervolg in de serie over Christus als leraar. We wenden ons nu naar Bonhoeffer.

Bonhoeffer

In de vorige aflevering formuleerde ik als bezwaar bij Levinas’ denken dat de leraar zelf messiaanse trekken krijgt. De transcenderende relatie met de ander is nog niet per se een christelijke relatie. Dat ligt anders in Bonhoeffers Christologiecollege.

Wie-Frage en Wer-Frage

Bonhoeffer beschrijft het fundamenteel verschillende karakter van de Wie-Frage (hoe-vraag) enerzijds en de Wer-Frage (wie-vraag) anderzijds. Wie de vraag stelt ‘hoe’ Jezus Christus is, probeert hem in te passen in een voorliggende orde. Dan zijn wij het die oordelen en indelen. Dat werkt echter met Jezus Christus niet. De Wie-Frage komt niet verder dan een immanente benadering, waarbij we aan onze eigen autoriteit vastgeklonken zijn. Dát wij kunnen oordelen, is immers vooronderstelling van het hele gebeuren. Maar wat nu als deze laatste vooronderstelling in twijfel getrokken wordt.
De Wer-Frage daarentegen betekent dat we worden vrijgemaakt van onze eigen autoriteit. Jezus Christus laat zich niet inpassen in een voorgegeven orde, want Hij is zelf de Waarheid. Waar Hij zich openbaart als de waarheid, kunnen we niet anders dan zeggen: ‘Wie bent U?’ Daarmee vraagt degene die deze vraag stelt naar zijn eigen zijn en de grens daarvan. Die vraag naar existentie is daarmee ook de vraag naar transcendentie.
Jezus Christus laat zich als Persoon kennen. Zijn persoon-zijn is een geheim. Hoe dichterbij je een persoon komt, des te groter het geheim wordt – dat enkel via de Wer-Frage eerbiedig benaderd kan worden. De ontmoeting met Jezus Christus loopt er op uit dat wij iemand die onze existentie zo van een vraag voorziet, willen doden. Maar de opgestane blijkt degene die door het oordeel en het sterven heen een nieuwe toekomst open doet.
Hier vinden we dus een bepaling van personaliteit en transcendentie die in de verte wel wat op Levinas lijkt, maar die van begin tot eind christocentrisch is. Wat persoon-zijn is, wat existeren is en wie ik ben, leer ik pas in de ontmoeting met Jezus Christus.

Christus’ persoon en onderwijs

Profetisch ambt

Wat nut ons dit? Dat we nooit Christus’ onderwijs van zijn persoon kunnen losmaken. Zijn onderwijs is Hij zelf en andersom. Daarom kan Christus als Leraar ook nooit alleen een moreel voorbeeld of kompas zijn. Hij is niet een leraar in het algemeen, of een leraar in bepaalde burgerlijke waarheden, maar een leraar in het licht van het Koninkrijk. We hebben het hier dus over Christus’ profetisch ambt.

De profeet is een leraar, maar van een heel bijzonder soort. Hij leert met het oog op de voleinding der dingen. […] Een behandeling van Jezus’ onderwijs met verwijzing naar zijn profetisch ambt zal ons vrijwaren voor moraliseren. (Noordmans, Herschepping)

HC Zondag 12

Christelijk leraarschap zal op een zekere eschatologische spanning staan. Dat zien we ook als we terugkeren naar Zondag 12, waarin we bij de eerste aflevering van deze serie begonnen. Christus wordt er onze “hoogste Profeet en Leraar” genoemd, “Die ons het verborgen raadsbesluit en de wil van God aangaande onze verlossing volkomen heeft geopenbaard”. De christen deelt in die zalving door Christus’ naam te belijden voor de mensen.
Laat me die term ‘zalving’ onderstrepen: we doen Christus niet na, maar we delen in zijn Geest. Het gaat er om dat ik die Geest in mij laat werken.
Hoe dit in de praktijk uitwerkt? Daar zal een volgend blog aan gewijd moeten worden, dat hopelijk niet zo lang op zich laat wachten als dit blog.

Nog eens: Sola Scriptura

De bedoeling van mijn vorige bijdrage over sola scriptura is bereikt: het gesprek is hervat. Gisteren reageerde Maarten Klaassen in het Reformatorisch Dagblad met een artikel getiteld “Getuigenis van de Geest doet Bijbel aanvaarden”. Die titel spreekt mij natuurlijk bijzonder aan, zoals lezers van de vorige bijdrage al hadden vermoed.

Reactie

Graag reageer ik nog weer op Klaassen. Niet meer via de krant: mijn artikel was achteraf toch wel wat technisch-theologisch, beter geschikt voor een blog dan voor de krant. En het gaat me niet om een soort polemiek of iets dergelijks. Daarom markeer ik eerst maar eens de punten waarop broeder Klaassen en ik het eens zijn.

Eens!

Klaassen artikel wordt als volgt samengevat:

Aanvaarding van de Schrift is niet gebaseerd op het feit dat we elke uitspraak kunnen verklaren of de juistheid ervan kunnen aantonen, maar omdat de Geest in onze harten getuigt dat het Gods eigen Woord is.

Daar stem ik – afgezien van de taalkundig minder juiste constructie “niet gebaseerd op het feit, maar omdat” – van harte mee in! Naar mijn gedachte onderstreept Klaassen in dit artikel het belang dat hij aan het werk van de Heilige Geest hecht, meer dan in de vorige artikelen van zijn hand. Het sola scriptura laat zich niet losmaken van sola fide, schrijft Klaassen. Eens! Dit is waar het mij om ging: Woord en Geest zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zoals Calvijn ook schrijft. Klaassen noemt daar de kerk als derde bij; dat lijkt me wat ongelijksoortig, maar daar zit niet het eigenlijke punt in de discussie.

Levert de Schrift ware kennis?

Klaassen krijgt het gevoel dat ik hem in een hoek plaats waar hij niet wil zijn:

[D]ie van een propositionalistische benadering van de Schrift, een benadering waarbij de Bijbel vooral gezien wordt als een verzameling ware uitspraken.

Nu zou ik niet graag posities indelen waar ze niet thuishoren. Toch kun je soms een bepaalde consequentie niet wensen, die toch uit je positie lijkt voort te vloeien. Probeer ‘m dan maar eens te ontwijken. Je intentie (“dat wil ik niet”) vrijwaart je nog niet van de consequentie (toch komt het er wel op neer). Ik vraag mij af of Klaassen de kentheoretische functie van de Schrift kan benadrukken zoals hij doet, en tegelijkertijd kan ontwijken dat hij terecht in het kamp van funderingsdenkers wordt geplaatst. Overigens lijkt Klaassen dat verderop in zijn artikel zelf te doen. Op dit punt is het mij niet helemaal helder wat Klaassen wel of niet voor zijn rekening wenst te nemen. Waarom zou het citaat hierboven niet bij zijn positie passen? Nogmaals, ik wil niemand in een hoek duwen waar hij niet hoort (de terminologie staat me al tegen), maar we mogen toch wel ernstig doorvragen naar de consequenties van elkaars posities.
Wat wil Klaassen wel? In zijn eigen woorden is de derde “functie” van de Schrift:

En ten slotte levert de Schrift ons bouwstenen voor kennis van de werkelijkheid.

Ik zou een oneigenlijke tegenstelling maken tussen heilszekerheid en ware kennis. Maar hier begint mijn vraag (of misschien wel: bezwaar): waarom die behoefte om zekerheid van het heil en zekerheid van ware kennis te onderscheiden? In de Reformatie vind je die behoefte nog niet: heilszekerheid is de zekerheid waar het om gaat. Dat heil is niet een geïsoleerd stukje werkelijkheid, maar raakt de héle werkelijkheid. Delen in het heil is delen in het eschatologische Koninkrijk van God. Uiteraard is die heilszekerheid ook ware kennis, maar wel kennis die van begin tot eind gestempeld is door het heil. Geen eigen provincie in kennisland.
Klaassen neemt het op voor “een milde vorm van funderingsdenken”. Dat begrijp ik niet helemaal, want waarin bestaat het “milde” van deze milde vorm? Is het kenmerk van funderingsdenken niet dat het naar een fundering zoekt van ware kennis in een vaststaand punt? Ik geef direct toe dat ik het artikel dat Klaassen noemt, niet kende (natuurlijk ga ik het lezen), maar enkel het aanhalen ervan overtuigt mij nog niet. Laat me alvast vragen: waarom zou je eigenlijk behoefte hebben aan funderingsdenken? Komt die behoefte niet voort uit een problematiek die we ons door de Verlichting hebben laten opdringen, die oneigenlijk is want niet passend bij de Schriften zelf? En wat is er precies sola scriptura aan om bepaalde “beliefs” als niet “properly basic” te verklaren?

Wat gebeurt er in het beroep op de Bijbel?

Galaten 1:8

Klaassen illustreert het sola scriptura als niet enkel reformatorisch principe, maar als bijbels principe (de historische discussie daarover laat ik maar even rusten) met een beroep op Galaten 1:8

Maar zelfs als wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie zouden verkondigen, anders dan wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.

Gaat het Paulus hier nu om ware kennis? Ik zou zeggen van wel, maar die ware kennis is de heilszekerheid, niet een afzonderlijke functie daarnaast. En Paulus beroept zich niet op een tekst of een boek, maar op het Evangelie, inhoudelijk dus. Mijn zorg bij manieren van theologiseren waarin funderingsdenken opnieuw functioneert, is dat de discussie over de Schrift heel formeel wordt en weinig inhoudelijk. In vroegere dogmatieken was de behandeling van de Schrift in de principia aan het begin geregeld ook best formeel. Dan kun je dus een keurig bouwwerk opzetten op basis van de Schrift, zo lijkt het, terwijl je nog zwijgt over het hart van de Schriften: het Evangelie! Ik bedoel dat niet als een inhoudelijke reductie van Schrift tot Evangelie, maar juist als een inhoudelijke vulling, een overtuiging dat de Geest door de profeten gesproken heeft. Hier aarzel ik toch weer of Klaassen en ik het op het gebied van de pneumatologie eens zijn, of toch niet? Waarom is die kentheoretische functie van de Schrift zo hard nodig als afzonderlijke functie? Zou die ons mogelijk niet kunnen vervreemden van het Evangelie van de rechtvaardiging van de goddeloze?

Johannes 17:17

Klaassen haalt ook Johannes 17:17 aan: “Uw Woord is de waarheid”. Die tekst betekent zijns inziens “dat de Schrift ware kennis biedt”. Hier lijkt te gebeuren wat ik graag zou willen vermijden en waarvoor Klaassens positie en werkwijze me kwetsbaar lijken: dat een waarheidsbegrip aan de Schrift wordt opgedrongen dat we niet van de Schriften zelf hebben geleerd, maar dat uit filosofische discussies afkomstig is over “beliefs” die al dan niet “properly basic” zijn. Bovendien: is dat ‘woord’ daar hetzelfde als de canonieke boeken van de Schrift?
De waarheid waar Jezus over spreekt, is niet zomaar ware kennis als kennis van een aantal proposities (als Klaassen dat niet bedoelt, wil ik hem dat zeker niet aanwrijven, maar wat bedoelt hij dan wel?). Het is kennis van Hem die de Waarheid is (Joh. 14:6). Waar je de waarheid gaat verstaan, heb je niet wat kennis opgedaan, maar maakt de waarheid je vrij (Joh. 8:32). Nota bene: in het vers dat Klaassen aanhaalt, staat vlak voor het stukje dat hij citeert: “Heilig ze in uw waarheid”. Die waarheid is Gods waarheid en het kennen ervan gaat in de weg van de heiliging door Christus’ Geest. Uiteindelijk is Klaassens bepaling van waarheid mij te weinig existentieel en – het hoge woord moet er maar uit – te weinig bevindelijk.

Ten slotte

Enkele conclusies en samenvattingen:

  1. Met dankbaarheid noteer ik dat Klaassen en ik elkaar naderen ten aanzien van de leer van de Heilige Geest, maar ik mis dat hij een pneumatologisch verstaan van de Schriften volhoudt. Naast het pneumatologisch verstaan (zelfstandig?) lijkt toch een ander Schriftverstaan te komen, waarbij de Geest niet in die mate nodig is.
  2. De vraag blijft, wat voor “ware kennis” de Schrift oplevert die niet van begin tot eind heil, genade, Evangelie is. In die zin stel ik ook dat de Schrift ‘ware kennis’ biedt, maar voor mij hoeft die ‘kennis’ niet eerst filosofisch en kentheoretisch gezekerd te worden. De Schrift mag vertrouwd worden omdat we God vertrouwen, zou ik zeggen.
  3. Wat waarheid is en wat kennis is, dienen we ook van levende God zelf, in en door de Schriften zelf, te leren. Daarom vraag ik mij af of Klaassens benadering wel ver genoeg gaat ten aanzien van de verdorvenheid van ons verstand en de gevolgen van de zonde. Om ware kennis en wijsheid te leren, heb ik blijvend en op alle gebieden de Geest nodig.

Christus als Leraar (3)

Deze bijdrage pakt de draad weer op van de eerste en tweede post naar aanleiding van mijn lezing over ‘Christus als Leraar’ bij Driestar Educatief. Na de inleidende schets van het probleem is het tijd om te luisteren naar wat anderen over Christus als Leraar hebben gezegd.
Voor wat hier volgt, heb ik dankbaar gebruikt gemaakt van de inaugurele oratie (pdf) van Renée van Riessen. Zie ook haar boek-essay De ziel opnieuw*. Over innerlijkheid, inspiratie & onderwijs* (Uitg. Sjibbolet), dat een voorzetting vormt van de gedachtevorming in haar inaugurele. Niet zonder reden op één in de filosofische boekentopvijf van Trouw.

Kierkegaard

Socrates

In haar oratie schetst Van Riessen hoe Søren Kierkegaard Socrates en Christus beide als leraren opvoert. Socrates was zo’n bijzondere leraar, vanwege de ironie – volgens Kierkegaard ‘onmisbaar afbijtmiddel’. De ironie helpt ons om bij zelfkennis uit te komen: men maakt zich immers los van wat zich als kennis aandient, distantieert zich ervan om zich er toe te kunnen verhouden.
Dit past bij Socrates’ maieutische methode: hij beschouwt zichzelf als een vroedvrouw (Socrates’ moeder was vroedvrouw) die enkel maar assisteert bij de geboorte van ware kennis, maar die niet zelf de geboorte kan bewerkstelligen. De kennis is al in de persoon aanwezig, maar hij is afgestompt, waardoor de waarheid niet te voorschijn komt. Daarbij verleent de filosoof dan nuttige diensten. Daarbij ontdekt Kierkegaard bij Socrates een type waarheid dat existentieel en persoonlijk is:

Socrates’ combinatie van ironie en scepsis wordt nu de basis voor het inzicht dat de waarheid er niet zomaar is, maar dat ze, om werkelijk waarheid te kunnen zijn, een verhouding tot mij als existerende persoon nodig heeft (Van Riessen 2012: 7).

Socrates’ onderwijs leert je, kortom, mens te zijn.

Christus

Kierkegaard schetst hoe Christus als leraar verder gaat dan Socrates. “De leraar van het evangelie blijkt een leraar te zijn in het niet-meer menselijke” (Van Riessen 2012: 8). De vereisten van de Bergrede gaan immers het menselijke ver te boven. Bovendien: als we naar Christus als leraar kijken, zo noteert Kierkegaard, merken we dat kennis niet te maken heeft met het naar voren halen wat in de mens in beginsel al wel aanwezig is (zo Plato en Socrates). Integendeel, de ware leraar Christus is ook schepper: “hij schept in de geesteloze, troosteloze mens iets nieuws, namelijk de ontvangstruimte die nodig is om waarheid te kunnen vernemen” (Van Riessen 2012: 8). Ik hoor hier een verre echo van Luther: Amor Dei creat, non invenit, suum diligibile (Gods liefde treft het voorwerp van liefde niet aan, maar schept het, these uit de Heidelberger Disputatie 1518).

Levinas

Op dit punt aangekomen in de oratie, brengt Van Riessen het denken van de filosoof Emmanuel Levinas. Levinas stelt dat God en filosofie zich niet tot elkaar herleiden, maar dat ze evenmin los van elkaar staan. Levinas beschrijft het woord ‘God’ in de filosofie als een “explosief dat het in zichzelf gekeerde denken naar buiten drijft” (Van Riessen 2012: 10). Toch hoort dit explosief erbij, anders wordt de filosofie irrationeel. Het is rationeel om transcendentie mee te bedenken.
Wat betekent dit voor het onderwijs? Hier refereert Van Riessen aan Levinas’ beroemde gedachten over de ander. De vreemde stem van de vrije ander geeft richting aan de dialoog. De transcenderende relatie met de ander (die zich radicaal buiten mijzelf, het subject bevindt) verdiept nu juist het verstaan en verdiept ook de existentie van de mens. Daarmee krijgt het leraarschap bij Levinas, volgens Van Riessen, “messiaanse trekken” (p. 11).
Voor mij is het denken van Levinas op dit punt zowel inspirerend als niet geheel bevredigend. Zijn accent op transcendentie die nodig is om de innerlijkheid te dienen (die dus niet binnen de perken van de auotnomie blijft) spreekt me bijzonder aan. Tegelijkertijd blijft de gedachtegang nog een tikkeltje formeel: deze gedachten kunnen ontwikkeld worden zonder dat duidelijk wordt wat de inhoud van dit onderwijs is of zou moeten zijn. Mijn belangrijkste aarzeling heeft er mee te maken dat het leraarschap zelf messiaanse trekken krijgt. Daar lijkt Christus als Persoon, als concrete Ander, inwisselbaar met willekeurig welke ander. En waar Christus als de Ander voor mij functioneert, is nog niet duidelijk waarin Hij anders zou zijn dan elke ander.
In een volgend blog wend ik me naar Bonhoeffer om voor deze problematiek een oplossing te zoeken.

Sola Scriptura? Hervatting van een gesprek

Discussie Klaassen – Wisse

Het Reformatorisch Dagblad was de afgelopen dagen het toneel van een discussie over het sola scriptura tussen Maarten Klaassen en Maarten Wisse. Op die discussie haak ik hier graag in. Voor wie zich wil inlezen: Klaassen, Wisse en weer Klaassen. Om het ingewikkeld te maken: op de achtergrond speelt een eerdere discussie in het Nederlands Dagblad rond soortgelijke vragen, toegespitst op de kwestie “Vrouw en ambt”. Wisse stelde: “Zoek nieuwe omgang met de Bijbel”, Klaassen zei: “Hoor de stem van de overkant” en Wisse zette de discussie voort op zijn weblog.
In dit blog beperk ik me tot de discussie in het RD.

Onheldere discussie

Ik vind de discussie tamelijk onverkwikkelijk. Niet alleen omdat Klaassen nogal fors uitpakt en Wisses opvatting “bedreigend” en “niet onschuldig” noemt, als zou de enige grond waarop je kunt staan (de rechtvaardiging van de goddeloze), je ontzinken. Dat zijn forse claims en Wisse toonde zich dan ook – begrijpelijk – geraakt. Maar vooral is de discussie onverkwikkelijk omdat ze onhelder is. Als het sola scriptura nu zo belangrijk en helder is als Klaassen betoogt, waarom wordt dan maar niet helder wat hij bedoelt? Gaat het om sola scriptura als principe of als methode (dat maakt nogal verschil, zou ik zeggen)? Gaat het om het Schriftberoep in de theologie, gaat het om kenleer of redding, om een historisch begrip uit de Reformatie (of zelfs daarachter) of om een theologische richtlijn? Of is het dat allemaal tegelijk?
Daartegenover blijft Wisse benadrukken dat mensen de Schrift verschillend gebruiken en dat een beroep op de Schrift als laatste autoriteit nogal eens gebruikt wordt om het eigen standpunt absolute kracht te geven. Wisse vreest een machtsgreep onder vrome voorwendselen. Hij schreef daarover een uitgebreider artikel “Contra Sola Scriptura”, dat ik mocht inzien. Maar is het zo dat oog hebben voor de diversiteit van Schriftgebruik per se elke vorm van sola scriptura uitsluit? Welke vormen wel en welke vormen niet?
En hier praten de heren dan langs elkaar heen. Klaassen spant zich in zijn tweede artikel niet in om te laten zien dat een beroep op het sola scriptura niets met een machtsgreep te maken heeft en Wisse toont niet aan dat grotere nadruk op wat er bij de lezer gebeurt, niet resulteert in de stelling dat alles wat we over Boven zeggen, maar van beneden komt. Beiden komen elkaars bezwaren dus niet tegemoet. Daar zou nog eens een goed gesprek over gevoerd kunnen worden, denk ik zo.
Laat me voorzichtig pogen een paar draadjes in de discussie op te pakken, die mogelijk de zaak een stapje verder kunnen brengen. Want onenigheid is prima, maar laten we dan wel helder krijgen waarover we het oneens zijn.

Machtsgreep?

Is het nu denkbeeldig dat sola scriptura wordt gebruikt voor een machtsgreep? Nee, zegt ook Klaassen, en hij stemt met Wisse in dat we transparant en oprecht de Schrift moeten hanteren, want vanuit de “negatieve mensbeschouwing die de gereformeerde traditie eigen is” moeten we wantrouwend zijn over de mens.
Of die mensbeschouwing van de gereformeerde traditie echt zo negatief is, daarover moeten we het nog maar eens hebben. Maar het opvallende is dat Klaassen meent dat hij hiermee voldoende op het punt is ingegaan! Als het je voornemen is om oprecht met de Schriften om te gaan, voorkomt dat kennelijk dat je de mist in gaat. Hier neemt Klaassen de arglistigheid van ons hart niet serieus genoeg: er gaat veel meer mis dan wij ons bewust zijn! Hier heeft Wisse een punt: ook met de beste bedoelingen ben je niet gevrijwaard voor misverstanden, al was het alleen al omdat onze beste bedoelingen zo best niet zijn.
Nadat Klaassen dit heeft vastgesteld, gaat hij verder over de status van de Schrift en het Schriftgezag. Maar waarom wordt hier de Heilige Geest nu niet ter sprake gebracht? En dan niet als pro-memoriepost, maar voluit, zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis doet.
Zoals het er nu staat, lijkt Klaassen toch in funderingsdenken te verzanden: het denken heeft een laatste, vaste grond nodig, die onwrikbaar moet staan – en die grond is de Schrift. Wat is daar mis mee? Je komt al snel – en ook Klaassen ontkomt daar niet aan – in een heel formele Schriftbeschouwing, waarbij de functie van de Schrift enkel epistemologisch wordt: de Schrift levert ons kennis, betrouwbare kennis. Dat is een manier van denken die allerlei nadelen heeft: van dit funderingsdenken krijg je gebouwen waarin alles met alles samenhangt en waar de minste afwijking resulteert in het omvallen van het gebouw. Als je niet gelooft dat elk getal in de Bijbel natuurwetenschappelijk correct is, ga je ook de opstanding nog ontkennen – dat soort redeneringen.
Belangrijker nog: dit soort denken is anders dan onze gereformeerde belijdenis ons aanreikt. Die spreekt van het Woord, maar ook van de Geest. De Geest die door de profeten en apostelen gesproken heeft, is ook de Geest die onze harten getuigt dat deze Schriften van God zijn. Daar gaat het niet om betrouwbare kennis over willekeurig welk onderwerp, maar gaat het om de zekerheid van het heil. Daarom ging het ook in de Reformatie, bijvoorbeeld in de strijd tussen Luther en Erasmus: “De Heilige Geest is geen scepticus”, zegt Luther: Hij neemt je niet bij de neus, maar leidt je in al de waarheid.
Heeft Klaassen er eigenlijk vertrouwen in dat als we samen de Schriften gaan lezen, dat de Geest ons in de waarheid leidt? Of moet dat tevoren op allerlei manieren gezekerd worden? Een abstracte zekerheid, los van de concrete omgang met de Schriften, wordt ons echter niet gegeven. We zouden er ook gemakkelijk het tweede gebod mee gaan overtreden, of zelfs het eerste. Juist in de omgang met de Schriften, al lezend en gezamenlijk zoekend, vinden we waarop het aankomt. Sola scriptura betekent dan vooral dat we ons voortdurend onder kritiek stellen van de Schriften, in het besef van het gevaar van ons misverstaan. We hebben kortom de Heilige Geest nodig. Sola scriptura is geen slot op de deur, maar een manier van leven, waarbij we de zekerheid niet op zak hebben, maar verwachten.
Wat ik hier beweer, komt eigenlijk neer op de positie van klassieke, gereformeerde theologie: de Schrift moet niet alleen aan de ingang van de dogmatiek worden behandeld, maar óók bij de middelen van Gods genade. En het eerste kan niet los gedacht worden van het tweede, hoewel dat in de Gereformeerde Orthodoxie wel voortdurend dreigde (daarom zie ik meer breuklijnen in de traditie dan Klaassen, denk ik).
Een ander punt dat hier tegenaan ligt: geloof in God en geloof in het boek. Klaassen zegt dat het een niet zonder het ander gaat. Nu is er geen geloof in de levende God zonder de aanvaarding van de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament, maar dat wordt nooit geloof in het boek. We geloven wat de Bijbel zegt, maar we geloven niet in de Bijbel zoals we in God geloven, toch? Klaassen verwijst naar de Oude Kerk, maar in de oudkerkelijke confessies vinden we de belijdenis van de Schrift slechts op die manier dat we geloven in de Heilige Geest, “die gesproken heeft door de profeten” (Nicea).
Uiteindelijk dreigt Klaassens positie dichter te liggen bij Angelsaksisch fundamentalisme dan bij de reformatorische leer van de Schrift. Hij denkt daarbij niet te hoog van de Schrift, maar eigenlijk nog een beetje te laag: het is geen kentheoretisch fundament zonder meer, maar God doorademt deze Schriften waardoor ze levend zijn en krachtig. De autopistie van de Schrift laat zich niet in een kentheoretische formule verpakken. Sola scriptura is de erkenning dat deze Schriften echt van God zijn en ze niet zomaar van ons worden. Het gevaar van machtsmisbruik is volop aanwezig.

Relativisme?

Maar nu de andere kant. Heeft Klaassen niet net zo goed een punt als hij Wisse vraagt of het loslaten van het principe van sola scriptura niet tot allerlei onheil leiden moet? In mijn woorden: leidt Wisses positie niet tot relativisme of zelfs tot een ontkenning van openbaring, als de lezer met zijn of haar belangen zo’n grote plek inneemt? Wisse bespreekt in zijn grotere artikel verschillende pogingen om sola scriptura een plaats te geven en hij wijst ze allemaal af. Scherp schetst hij de benarde positie van gereformeerde dogmatiek die met het Schriftprincipe eigenlijk werkt aan haar eigen afschaffing, omdat je toch alleen maar terug moet naar de uiteindelijke bron, de Bijbel. Niet minder scherp wijst hij er op dat er geen ontkomen aan is dat theologische belangen maken dat bepaalde teksten naar voren worden gehaald en andere als het ware in de schaduw te rusten worden gelegd, worden geneutraliseerd.
Wat is Wisses alternatief? Kort gezegd: don’t think, look! Luister niet naar alle mooie of minder mooie verhalen die je over de Schriftleer worden verteld, maar kijk nu eens naar het feitelijke Schriftgebruik, analyseer het en zie welke theologische principes werkzaam zijn. En dan blijkt dat gereformeerden het eigenlijk best goed doen door het Schriftberoep te laten reguleren door een verkeer tussen wet en evangelie. In de huidige tijd kan de gereformeerde “politieagent” niet langer gezag claimen, maar hij kan wel de gereformeerde route aanwijzen. Wisse vindt dat juist goed, omdat volgens hem de Reformatie niet zo succesvol was door een zorgvuldige omgang met de Schrift, maar juist omdat ze een gemakkelijk te te praktiseren spiritualiteit opleverde. Geen sola scriptura dus, maar sola theologia.
Hoe diep deze gedachtegang voor Wisse gaat, blijkt voor wie zijn boek Zo zou je kunnen geloven leest: ook daar vinden we voortdurend de angst voor machtsgrepen en -structuren in de kerk, en gaat het er aan toe op de manier van de uitnodiging rondom verschillende manieren van kerk-zijn. Wisses boek laat praktisch-spiritueel zien wat hij theologisch denkt, en andersom.
Toch is het de vraag of het allemaal niet te vrijblijvend en uiteindelijk relativistisch wordt. Waarom is ‘gezag’ eigenlijk zo erg en macht zo gevaarlijk? Er is toch geen ontkomen aan gezag en macht? Die gaat al snel een kant op die niet bij het Evangelie past, akkoord – maar is dat per definitie zo? Anders gezegd: is er een alternatief voor anarchie?
Wat ik rond Wisses Schriftvisie mis, is de overtuiging dat de Levende op een bijzondere manier door de Schriften spreekt. Dat is een gezag met een heel eigen aard; een gezag dat – zo geef ik Wisse direct toe – zich niet zomaar in menselijke machtsstructuren laat overzetten. Maar toch: in de Schriften horen we de stem van God die spreekt (Calvijn). Hoe zou die stem geen gezag hebben?
Dat maakt goede hermeneutiek en exegese niet overbodig, wat mij betreft, maar het is juist de reden waarom hermeneutiek en exegese zo belangrijk zijn: omdat die Schriften van levensbelang zijn. Daarmee zijn we van een strikt kentheoretisch vertoog in de sfeer van de soteriologie gekomen.
Laat het zo zijn dat allerlei belangen van lezers hun interpretatie van de Schriften kleuren, maar die Schriften zijn niet enkel een weerloze tekst op zichzelf. De Geest heeft gesproken door de profeten, en dat vinden we in de Schriften terug. De Schrift is maar niet een wassen neus die zich door willekeurige lezers allerlei kanten op laat buigen.
Maar ja, zal Wisse mogelijk zeggen: mooi gezegd, maar je doet precies wat ik zeg: je geeft een theologisch verhaal hoe het moet, zonder het beroep op maar één enkele tekst. Hoezo sola scriptura?
Toch is me dat te relativistisch. De Schriften getuigen van het Koninkrijk van God dat komt, van de opstanding van Jezus Christus. Als dat getuigenis waar is, heeft het ook gezag. Dat relativeert alle machtsstructuren in deze wereld, want Jezus Christus regeert. Dát geloof betekent ook dat ik het getuigenis van de Schriften wil aanvaarden. Vooruit, sola scriptura als slogan is daarbij wat kort door de bocht; je moet het goed uitleggen. Maar dat is met sola fide ook het geval, en zelfs in enige mate met sola gratia.

Openingen

Welke openingen liggen er voor het sola scriptura? Drie gedachten:

  1. Sola Scriptura is geen eindpunt van discussie, maar het begin. Geen theologische methode die altijd werkt, maar een principe. We zijn met elkaar in gesprek juist omdat de Schrift gezag heeft. Maar op ons eentje gaan we snel het bos in, en bij een ander zie je dat sneller dan bij jezelf. Zoals de Reformatoren het Schriftberoep niet gebruikten om zich zo ver mogelijk van de kerkvaders te verwijderen, maar juist om dicht bij hun theologie te komen of te blijven, zo staat nog altijd het beroep op de Schrift niet puur en alleen op zichzelf;
  2. Sola Scriptura betekent dat niemand op eigen gezag het laatste woord kan spreken – dat is het waarheidsmoment in de positie van Wisse. Telkens opnieuw zullen er mensen opstaan die ergens anders over denken. Dan kan er geen ready made antwoord worden afgeleverd, maar is alleen in de weg van gehoorzaam luisteren een weg te vinden. Maar dan zijn we ook niet enkel aan elkaar overgeleverd; dan gebeurt er ook wat, juist omdat de Schriften van God zijn.
  3. Aan het hanteren van de Schrift als kentheoretische fundering zitten allerlei nadelen, die anderen welsprekender naar voren hebben gebracht dan ik kan doen. Het belangrijkste bezwaar lijkt mij dat het Schriftprincipe te snel formeel wordt. De Schriften getuigen van Christus. “Neem Christus uit de Schriften weg, en wat zul je er nog meer in vinden?” (Luther). De Bijbel als Woord van God laat zich niet lospellen van Hem die het Woord is.

PS: collega Koert van Bekkum vroeg me om te verwijzen naar deze publicatie waarin bijbelwetenschappers zich met soortgelijke vragen bezig houden. Ik heb het boekje nog niet gezien, maar het ziet er interessant uit!