Bevinding en vakmanschap

Enkele gedachten bij de tweede druk van Lezen en laten lezen

De herdruk van mijn boek Lezen en laten lezen: Gelovig omgaan met de Bijbel is onderweg, en dat lijkt me een natuurlijk moment om eens te reflecteren op enkele reacties die ik op mijn boek kreeg. Ik kreeg en las er veel, met verschillende inhoud. Niet op alles kan ik hier ingaan. Bovendien komt er op 30 oktober nog een complete studiedag over mijn boek, en het zou niet verstandig zijn om nu in een blog mijn kruit al te verschieten. Toch wil ik wel een paar kanttekeningen plaatsen en verduidelijkingen aanbrengen.

Vakmanschap en competentie

Enkele mensen vroegen mij, of ik niet krachtiger had moeten pleiten voor vakmanschap en competentie in het Bijbellezen. Nu benadruk ik sterk de geestelijke houding en hermeneutische sensitiviteit, maar het lezen van de Bijbel heeft toch profijt van exegetisch vakmanschap (kennis van taal, cultuur, besef van historische afstand), van ervaring, van competentie?

Mijn boek legt op dit punt inderdaad niet expliciet de nadruk, vooral omdat ik het zo vanzelfsprekend vind. In mijn eigen exegese van 1 Petrus 3 hoop ik blijk gegeven te hebben van een voldoende mate van exegetische competentie – en als dat niet zo is, onderstreept dat des te meer het belang van exegetisch vakmanschap. Bovendien is het ‘lezen vanuit het leven’ dat ik benadruk, zoveel meer en ook echt anders dan alleen ‘intuïtief’ bijbellezen.

Dus ja, ik ben voor vakmanschap, in elk opzicht. Maar ten opzichte van de Bijbel lijkt het me wél nodig dat we beseffen dat we het met ons vakmanschap niet gaan redden, en dat we het geheim van Gods Woord enkel langs technische weg niet op het spoor komen. Ik wil daar geen valse tegenstelling maken, maar het punt (wat in het Duits zo mooi de Stossrichtung heet) van mijn boek was een ander.

De Schrift en hete hangijzers

Sommigen vroegen mij, waarom ik ‘hete hangijzers’ in orthodox-protestans Nederland (evolutie, homoseksualiteit, vrouwelijke ambtsdragers) niet expliciet behandel in dit boek, terwijl ik ze wel noem als aanleiding voor mijn boek. Vind ik soms dat de Bijbel over deze thema’s niets te zeggen heeft? Daarover twee dingen.

Allereerst heb ik er bewust voor gekozen om me in dit boek niet over genoemde drie thema’s uit te spreken. Mijn positie omtrent creationisme / evolutionisme komt wel in enige mate naar voren, maar goed: daarover had ik me eerder al eens uitgesproken en er is een mooi boek onderweg waarin ik daarover ook een bijdrage geleverd heb. Maar ik besefte wel dat als ik me had uitgesproken over de ‘hete hangijzers’, de hele discussie rond mijn boek daarop zou focussen. En dat wil ik nu juist voorkomen: we moeten het hebben over hoe we gelovig met de Bijbel omgaan. De boodschap van de Bijbel gaat zoveel verder dan alleen die aangelegen punten.

Vervolgens: natuurlijk heeft de Bijbel wel degelijk gezagvol iets te zeggen wat deze thema’s betreft. In mijn boek benadruk ik wel dat de manier waarop deze vragen nu spelen, voor de Bijbelschrijvers niet bekend was. Vrouwenemancipatie en de algemene acceptatie van homoseksuele (en andere) levensstijlen als authentieke expressie van het individu waren in de periode vóór de Verlichting respectievelijk de Romantiek letterlijk on-denkbaar: de intellectuele opties waren niet voorhanden. Daarmee zeg ik niet dat de Bijbel voor deze kwesties irrelevant is; integendeel! We zullen alleen wel nauwkeurig en sensitief moeten luisteren en afwegen om deze thema’s op een goede manier Bijbels te benaderen. Ik heb me dan ook buitengewoon verbaasd over de stelling van een hersteld-hervormd recensent dat ik bepaalde levensgebieden zou onttrekken aan Gods gezag. Dezelfde recensent schreef zelfs dat de Schrift voor mij geen criterium voor de kennis van God zou zijn. Dat alles heeft de recensent niet uit mijn boek, maar waar het dan wel vandaan komt? Ter illustratie geef ik weer wat ik schrijf over het sola scriptura: “Het laatste gezag, de ultieme norm voor leer en leven, is de Schrift als het Woord van God zelf.” (P. 163).

Bevinding, historiciteit, ‘fouten’

Mijn boek is een pleidooi voor bevindelijk bijbellezen, zoals onder andere de recensent van Trouw terecht opmerkte. Des te opmerkelijker zijn de reacties uit de hoek van degenen die wel worden aangeduid als ‘bevindelijk-gereformeerd’. In het Reformatorisch Dagblad, maar vooral in het Kerkblad van de Hersteld Hervormde Kerk kozen de recensenten de verdediging van de historiciteit en foutloosheid van de Bijbel, en werd het creationisme verdedigd. Wat mij betreft is dit een indicatie dat de zorg die de aanleiding vormde voor mijn boek, terecht is. Ook traditionele ‘bevindelijken’ gaat het bij de Bijbel heel snel meer om allerlei (historische) waarheden dan om de ene Waarheid, Jezus Christus. Nota bene: in deze traditie werd altijd benadrukt dat het vooral gaat om het persoonlijk delen in het heil; daarbij deed de historiciteit er minder toe. Zie de neiging om de woestijnreis of van het boek Ruth vooral geestelijk uit te leggen. Soms ging dat te ver, zoals in het gezegde: “Al was Christus duizend maal in Bethlehem geboren en niet in mijn hart, dan was ik nog verloren.” Maar nu moet de historiciteit kennelijk (wat mij betreft: op een typisch moderne manier) verdedigd worden.

Voor alle helderheid: ik beweer niet dat wat de Bijbel zegt, allemaal niet historisch zou zijn in de hedendaagse betekenis van het woord ‘historisch’. Mijn punt is dat ons moderne idee van ‘historiciteit’ niet in alle opzichten goed past bij wat de Bijbel wil zeggen – en dat het gezag van de Schrift in die gevallen vereist dat onze frames moeten wijken. Laten we wat minder vertrouwen hebben in onze eigen concepten, en wat meer in de Bijbel en in God.

Niet alles in de Bijbel is van gelijk gewicht en met bepaalde kwesties kunnen we gerust ontspannen omgaan. In mijn boek beroep ik me daarvoor op Calvijn. Ter illustratie ga ik op dat beroep op Calvijn nog wat nader in.

Calvijns ontspanning

De hersteld-hervormde recensent schrijft:

Het voorbeeld dat Huijgen gebruikt namelijk dat Calvijn stelt dat in Mat. 27:9 de naam Jeremia een fout is, is juist geen bewijs voor wat hij beweert. Calvijn gebruikt hier namelijk het woord ‘increpat’ (ingeslopen). Kennelijk denkt hij aan een overschrijvingsfout. Ik ga nu niet in op de vraag of deze suggestie van Calvijn juist is. Echter, duidelijk is dat ook Calvijn de houding heeft dat de Schrift geen echte tegenstrijdigheden bevat.

Waar de recensent het woord ‘increpat’ gelezen heeft, weet ik niet, maar zeker niet in de passage van Calvijn die ik citeerde. Ik geef mijn vertaling van die passage (p. 158 van mijn boek); wie wil, kan de Latijnse tekst nazien in de voetnoot:

Hoe de naam van Jeremia hier terecht gekomen is? Ik moet bekennen dat ik het niet weet, en ik ga er ook geen moeite voor doen om dat uit te vinden. Het is wel zeker dat de naam Jeremia hier door een fout (errore) is opgeschreven, in plaats van Zacharia. 1

Dat Calvijn zou duiden op een overschrijffout, zoals de recensent wil, staat er gewoon niet. Het gaat Calvijn er ook niet om. Het boeit Calvijn eenvoudigweg niet hoe er een “fout” (zijn term) in Mat. 27:9 terecht gekomen is. Nota bene: dit zegt Calvijn, een zeer nauwkeurig exegeet die bij allerlei kwesties juist wél het naadje van de kous wil weten. Mogelijk hebben moderne exegeten argumenten waarom dit geen fout zou zijn, maar dat is hier niet het punt. Waar het om gaat: Calvijn kon ontspannen met dit soort vragen omgaan, omdat er voor hem niet zo veel op het spel stond. Hij wist van reliëf in de Schrift: niet alles is even belangrijk. Calvijn was namelijk geen moderne fundamentalist.

Tegen het rationalisme blijf ik een pleidooi voeren voor bevindelijk bijbellezen, met een focus op de Komende, Jezus Christus. Dat past namelijk bij de Bijbel zelf – en de reformatoren Luther en Calvijn gaan ons er nog in voor ook. Van mij mochten de ‘bevindelijken’ nog wel wat bevindelijker met de Bijbel omgaan.

— Edit: inmiddels heeft de recensent toegegeven dat hij een verkeerd Latijns woord weergaf in het Calvijncitaat. Op de inhoud van wat ik schreef gaat hij niet in.


  1. Calvijn, Comm. Mat. 27:9, CO 45:749, “Tunc impletum est etc. Quomodo Ieremiae nomen obrepserit, me nescire fateor, nec anxie laboro: certe Ieremiae nomen errore positum esse pro Zacharia (13, 7), res ipsa ostendit: quia nihil tale apud Ieremiam legitur, vel etiam quod accedat.” ↩︎

Geef een reactie