De eenheid van de kerk

Mijn stukje in de rubriek ‘Actueel belijden’ in De Wekker van 31 januari.

Als er iets om actueel belijden vraagt, dan wel de belijdenis over de kerk, en dan vooral de eenheid ervan. Er is immers nogal wat te doen rondom de kerk, en er zijn grote zorgen over ‘onze’ christelijke gereformeerde kerken: blijven we wel één? Soms zijn die zorgen zo groot, dat je er verdrietig of zelfs cynisch van zou worden. Klinkt de oeroude belijdenis dat de kerk één is, heilig en katholiek, dan niet heel hol? In plaats van eenheid zien we verdeeldheid. In plaats van heiligheid zien we zonde. En in plaats van katholiciteit zien we soms een benauwdheid, waardoor we onze manier van kerk-zijn tot de enig ware verheffen. Hoe meer je van de kerk ziet, des te meer klemt de vraag: hoe zullen we ooit met hartelijke overtuiging meekomen in de hoge tonen die de belijdenis al vanaf de vroege kerk aanslaat?

De Heidelbergse Catechismus wijst ons hier de weg. Als in Zondag 21 wordt gevraagd: ‘Wat gelooft u over de heilige, katholieke kerk?’ verwachten we als antwoord misschien een definitie van wat een kerk is. Of misschien een verdediging, dat het met de kerk nog wel meevalt. Maar de HC zet beslissend anders in: ‘Dat de Zoon van God zich een gemeente vergadert’. Over de kerk kun je alleen gelovig spreken als je begint bij de Koning van de kerk. De kerk is van Christus. Dat is ze altijd (‘van het begin van de wereld tot aan het einde’). Dat is ze overal en uit alle volken (‘uit het hele menselijke geslacht’). En daarom is de kerk ook ‘katholiek’, dat wil zeggen: algemeen, niet aan één volk, cultuur of groep gebonden.

Zo komen we ook de echte eenheid van de kerk op het spoor. Die ligt niet allereerst in onze organisatiestructuur, in een gevoel van verbondenheid of juist in een set afspraken. Christus vergadert ‘in de eenheid van het ware geloof’. Christenen zijn dus één in dat geloof, dat bestaat in kennen en vertrouwen (Zondag 7). Omdat Christus ons vergadert, behoren we Hem toe – en dat is onze enige troost, ons enige houvast. De kerk is dus de plek waar Christus met zondaren wil samenwonen, een ‘kathedraal van de liefde’ (A.A. van Ruler). De kerk is dus heilig van Christus uit: onheilige zondaren worden om Christus’ wil vrijgesproken.

De manier waarop Christus Zijn kerk verzamelt, is ‘door zijn Geest en Woord’ (HC Z. 21). De kerk is tempel van de Heilige Geest, en geboren uit het Woord van God.  De woorden van God zijn aan de kerk toevertrouwd, en de Schrift is haar schat. Die Schrift is geen koud boek, maar het levende Woord van de levende God. Daarom staat de prediking ook centraal in de kerk.

Ik kan me voorstellen dat iemand die de kranten leest over onze generale synode, of iemand die zelf is afgevaardigd, denkt: ‘Alles mooi en goed, maar met deze stichtelijke gedachten kunnen we toch niet uit de impasse geraken die ons kerkelijk leven verlamt?’ Ik zou willen tegenwerpen: wie anders kan ons uit de impasse halen dan Christus alleen? Als we geloven dat de eenheid met broeders en zusters niet allereerst berust op onze keuze, maar op Christus’ keuze, kijken we toch anders tegen de broeder aan. Hij behoort ook tot de ‘gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren’ (HC Z. 21). En Christus houdt zijn kerk in stand. Daarom kunnen we zomaar niet van elkaar en van besluiten die bij een open Bijbel genomen zijn, af. Zo mogen we elkaar in de ogen zien: als door Christus aan elkaar gegeven. En misschien moeten we ons eens wat meer verwonderen over het ongelooflijke voorrecht dat ik van deze kerk ‘een levend lid ben en eeuwig zal blijven.’

 

 

De eenheid van de kerk

Mijn stukje in de rubriek ‘Actueel belijden’ in De Wekker van 31 januari.

Als er iets om actueel belijden vraagt, dan wel de belijdenis over de kerk, en dan vooral de eenheid ervan. Er is immers nogal wat te doen rondom de kerk, en er zijn grote zorgen over ‘onze’ christelijke gereformeerde kerken: blijven we wel één? Soms zijn die zorgen zo groot, dat je er verdrietig of zelfs cynisch van zou worden. Klinkt de oeroude belijdenis dat de kerk één is, heilig en katholiek, dan niet heel hol? In plaats van eenheid zien we verdeeldheid. In plaats van heiligheid zien we zonde. En in plaats van katholiciteit zien we soms een benauwdheid, waardoor we onze manier van kerk-zijn tot de enig ware verheffen. Hoe meer je van de kerk ziet, des te meer klemt de vraag: hoe zullen we ooit met hartelijke overtuiging meekomen in de hoge tonen die de belijdenis al vanaf de vroege kerk aanslaat?

De Heidelbergse Catechismus wijst ons hier de weg. Als in Zondag 21 wordt gevraagd: ‘Wat gelooft u over de heilige, katholieke kerk?’ verwachten we als antwoord misschien een definitie van wat een kerk is. Of misschien een verdediging, dat het met de kerk nog wel meevalt. Maar de HC zet beslissend anders in: ‘Dat de Zoon van God zich een gemeente vergadert’. Over de kerk kun je alleen gelovig spreken als je begint bij de Koning van de kerk. De kerk is van Christus. Dat is ze altijd (‘van het begin van de wereld tot aan het einde’). Dat is ze overal en uit alle volken (‘uit het hele menselijke geslacht’). En daarom is de kerk ook ‘katholiek’, dat wil zeggen: algemeen, niet aan één volk, cultuur of groep gebonden.

Zo komen we ook de echte eenheid van de kerk op het spoor. Die ligt niet allereerst in onze organisatiestructuur, in een gevoel van verbondenheid of juist in een set afspraken. Christus vergadert ‘in de eenheid van het ware geloof’. Christenen zijn dus één in dat geloof, dat bestaat in kennen en vertrouwen (Zondag 7). Omdat Christus ons vergadert, behoren we Hem toe – en dat is onze enige troost, ons enige houvast. De kerk is dus de plek waar Christus met zondaren wil samenwonen, een ‘kathedraal van de liefde’ (A.A. van Ruler). De kerk is dus heilig van Christus uit: onheilige zondaren worden om Christus’ wil vrijgesproken.

De manier waarop Christus Zijn kerk verzamelt, is ‘door zijn Geest en Woord’ (HC Z. 21). De kerk is tempel van de Heilige Geest, en geboren uit het Woord van God.  De woorden van God zijn aan de kerk toevertrouwd, en de Schrift is haar schat. Die Schrift is geen koud boek, maar het levende Woord van de levende God. Daarom staat de prediking ook centraal in de kerk.

Ik kan me voorstellen dat iemand die de kranten leest over onze generale synode, of iemand die zelf is afgevaardigd, denkt: ‘Alles mooi en goed, maar met deze stichtelijke gedachten kunnen we toch niet uit de impasse geraken die ons kerkelijk leven verlamt?’ Ik zou willen tegenwerpen: wie anders kan ons uit de impasse halen dan Christus alleen? Als we geloven dat de eenheid met broeders en zusters niet allereerst berust op onze keuze, maar op Christus’ keuze, kijken we toch anders tegen de broeder aan. Hij behoort ook tot de ‘gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren’ (HC Z. 21). En Christus houdt zijn kerk in stand. Daarom kunnen we zomaar niet van elkaar en van besluiten die bij een open Bijbel genomen zijn, af. Zo mogen we elkaar in de ogen zien: als door Christus aan elkaar gegeven. En misschien moeten we ons eens wat meer verwonderen over het ongelooflijke voorrecht dat ik van deze kerk ‘een levend lid ben en eeuwig zal blijven.’

 

 

En toch niet verteerd

Mijn column in De Waarheidsvriend vandaag.

Op 31 oktober was ik in vrijgemaakt Bergentheim, gemeente Hardenberg, voor een lezing over gelovig omgaan met de Bijbel. Wat mij trof, was het verlangen van de honderden aanwezig naar een omgang met de Bijbel vanuit het hart. Al te lang ging het er al te rationeel aan toe, met ruzies en kerkscheuringen tot gevolg. Hopelijk valt er te leren van de christelijk-gereformeerde nadruk op bevinding en het vermogen om elkaar kerkelijk vast te houden. Er was verlangen naar hartelijke omgang met de levende God.

Ik was niet alleen dankbaar voor de avond, maar ook wel beschaamd. Want christelijke gereformeerden hebben ook behoorlijk wat boter op het hoofd. Ja, we houden het kerkelijk met elkaar uit, vaak op een hartelijke manier, maar soms lijkt het meer op een LAT-relatie. En zeker, vanouds ligt er nadruk op de kennis van het hart, maar de laatste tijd lijkt de vraag ‘wat dunkt u van vrouwelijke ambtsdragers’ of ‘wat dunkt u van evolutie’ wel belangrijker dan de vraag ‘wat dunkt u van de Christus?’

Ik kwam dus thuis met meer dan alleen anderhalve meter droge worst en een bos bloemen: een besef dat ik werd gewaardeerd om iets kostbaars dat de christelijke gereformeerde kerken ook kunnen verliezen. Gelukkig is de kerk van Christus. Het kerkelijk zegel verbeeldt de brandende braamstruik, met de tekst: ‘En toch niet verteerd.’ Dat is Gods trouw. Nu hopen dat we elkaar niet verteren.

Als deze column verschijnt, is de eerste zittingsweek van de christelijke gereformeerde synode onderweg. Allerlei inleidende beschietingen hebben plaatsgevonden en fronten kunnen maar zo verharden. Intussen hoop ik op een variant van het Brummelkampscenario. Anthony Brummelkamp, een van de vaders van de Afscheiding, was soms bij het beklimmen van de preekstoel van plan om de mensen eens flink de waarheid te zeggen. Maar als hij eenmaal boven was en de mensen zag, begon hij altijd maar weer met hen te troosten. Hopelijk zien de broeders elkaar zo in de ogen. Als dat in Bergentheim kon, waarom dan in Nunspeet niet?

Brexit

Mijn stukje in De Wekker van vandaag.

Het lijkt wat vreemd om in een rubriek over de actualiteit van het gereformeerd belijden de Brexit aan de orde te stellen. Actueel is het thema zeker, en als de voortekenen niet bedriegen blijft het dat nog wel even, maar wat heeft de confessie daarmee te maken? 

Er is maar één gebod waarbij de Heidelbergse Catechismus spreekt over de ‘eigen werken van de duivel’, en dat is het negende, over liegen en bedriegen (v.&a. 112). Met de typering van het negende gebod als ‘vals getuigenis geven’ en ‘woorden verdraaien’ is de Heidelberger geweldig actueel. Wij leven immers in een tijd van desinformatie, regelrechte leugens en leiders die met die leugens weg komen. De beloften die in de Leave-campagne werden gemaakt, klonken altijd al absurd: na vertrek uit de Europese Unie zou Groot-Brittanië elke week een compleet ziekenhuis kunnen bouwen van het geld dat overbleef. Het gevolg van loze beloften was dat er nog meer gedraaid moest worden. Politici verdraaiden nu niet alleen de woorden van de ander, maar ook hun eigen vroegere stellingen (‘zó heb ik dat niet gezegd’). 

Waarom zijn dit typisch werken van de duivel? Het woord ‘duivel’ komt van ‘diabolos’, dat is degene die alles door elkaar werpt. En een rommeltje is het inmiddels in Groot-Brittanië; de knoop lijkt haast niet te ontwarren.

Toch werd er ook iets anders zichtbaar. Zoals Trump tot nu toe door de democratische instituties van de Verenigde Staten wordt getemd, zo werd de drieste poging van Boris Johnson om zonder deal de EU te verlaten, gedwarsboomd door het hooggerechtshof en door het parlement (in het bijzonder de voorzitter, John Bercow). Die instituties zijn een neerslag van eeuwen traditie in christelijk Europa, waardoor recht en gerechtigheid worden gediend. Het recht ligt niet eenvoudigweg bij degene die de macht heeft; het recht functioneert als tegenover van de macht. Zo was het al onder Israël, en de christelijke traditie heeft hier steeds naar gezocht. Het negende gebod staat dan ook niet zonder reden in de context van de rechtspraak: het richt zich immers tegen het valse getuigenis. 

Het is wel de vraag of de instituties het duurzaam zullen houden tegen het geweld van leiders in een tijd post-truth (voorbij de waarheid). We krijgen de rekening gepresenteerd van de postmoderne gedachte dat er geen objectieve waarheid is, maar dat ieder zijn eigen waarheid moet vaststellen. Als dat zo is, blijft alleen de brute macht over om jouw waarheid door te zetten. De waarheid zelf is dan gesneuveld. 

In onze tijd zullen gereformeerde christenen zich graag willen inzetten voor recht en gerechtigheid, ook in de instituties die onze samenleving structuur geven. In vroegere eeuwen waren er eminente calvinistische juristen. Vandaag zijn ze ook meer dan welkom.

Nu vindt de Brexit aan de andere kant van het Kanaal plaats. Al zullen de gevolgen ook bij ons wel voelbaar zijn, het is toch een beetje ver van ons bed. Toch is de Brexit een uitvergroting van de problemen van onze cultuur. Misschien ook wel van de kerk. Polarisatie gaat de kerk niet voorbij, en karikaturen zijn dan niet ver weg. Liever nog dan in de staat werkt de duivel in de kerk. Wie de naam van de ander niet hoog houdt, heeft waarheid en recht onvoldoende lief. Dus zijn we verplicht om tot het uiterste te gaan om de ander te begrijpen en recht te doen.

Recht doen betekent: passend antwoorden op de realiteit. Gelukkig is die realiteit niet onze eigen constructie, maar Gods werkelijkheid. God roept de dingen in aanzijn, God oordeelt wat waar is. Die ander, die een tegenstander leek, blijkt mijn naaste te zijn. Eigen denkbeelden moeten worden bijgesteld. De meerderheid drukt de minderheid niet weg, maar zoekt in liefde naar wat het beste is voor iedereen. Wie dat laatste vergelijkt met de Brexit-mentaliteit van alles of niets, ziet hoe diep de crisis is. Niet alleen in het Verenigd Koninkrijk.

Introductie studiedag ‘Lezen en laten lezen’

Op de studiedag naar aanleiding van mijn boek Lezen en laten lezen gaf ik een korte introductie.

Eerst liet ik een fragment horen: ‘Sicut cervus’ van Palestrina.

‘Sicut cervus’ – een filmpje van dit motet van Palestrina lijkt me een passende opening voor deze dag. Het speelt de afgelopen weken door mijn hoofd en hart. Dat heeft een aantal redenen:

  1. Het is een Schriftwoord, en nog wel uit de Psalmen. Zoals een hert verlangt naar de waterbronnen, zo verlangt mijn ziel naar U, o God. Zo zijn de Psalmen bedoeld: om gezongen, gebeden te worden, om verinnerlijkt te worden. En dat verlangen naar God – dat breng ik niet zelf mee, maar het wordt wakker en het wordt gevoed juist door het zingen van de Psalmen.
  2. Wie mijn boek gelezen heeft, weet dat het muzikale voor mij erg belangrijk is. Het komt erop aan dat de waarheid van de Schrift gaat resoneren in de ziel, dat we afgestemd raken op de melodie die in de Schrift klinkt.
  3. Dit filmpje is gemaakt in de Bovenkerk, de 12e eeuwse gothische kruisbasiliek die boven de stad Kampen, mijn woonplaats, uittorent. Eeuwenlang is Gods lof er gezongen, Gods Woord verkondigd. Sinds enkele jaren worden er geen zondagse erediensten meer gehouden… En die pijn voel ik bij elke evensongdie er door het koor gezongen wordt. Wie die kou van de secularisatie niet om het hart slaat, heeft volgens mij nog niet begrepen in wat voor tijd we leven.
  4. Mijn oudste en jongste zoon zingen bij het Kampen Boys Choir dat u in dit filmpje zag. Er moet natuurlijk ook geoefend worden en dus heb ik dit motet nogal eens gehoord. Vandaar dat het me door het hoofd speelt. Zoals zij door herhaling maken dat dit motet door mijn gedachten speelt, zo hoop ik dat ze bij ons thuis en in de kerk de melodie van de Schrift meekrijgen en de toonhoogte van het geloof. Het gaat om een nieuwe generatie: wat krijgt die mee van de omgang met de Schrift? Hopelijk meer dan alleen dat er over de Bijbel veel gediscussieerd wordt. Het gaat om de levende, verborgen omgang met de levende God.

Daarom dus het boek dat de aanleiding vormt voor deze studiedag.

Laat ik allereerst zeggen dat ik dankbaar en verwonderd ben over wat dit boek tot nu toe doet en betekent. Ik heb het in korte tijd geschreven tijdens een mini-studieverlof in Emden. De kerkelijke situatie, waarin veel discussie is over de interpretatie van de Bijbel rondom een paar hete hangijzers, vormde de aanleiding om dit boek even voorrang te geven boven academische verplichtingen. Blij verrast was ik met de eerste recensies in het Friesch Dagblad en in Trouw. Met een paar mensen wilde ik wel een minisymposium houden. Toen benaderde William den Boer mij of er geen studiedag van te maken viel – in de hoop dat het een beetje aan zou slaan. En hier zijn we dan. Ik ben dankbaar dat wat ik meen te moeten zeggen, gelezen en overwogen wordt.

Graag wil ik een paar dingen toelichten bij de aftrap van deze dag, door op een paar vragen in te gaan die ik vaker als reactie op dit boek kreeg en door heel kort te schetsen waar het mij om ging en gaat.

In reactie op vragen

Hete hangijzers

Ten eerste. Ik open het boek met de hete hangijzers van de vragen rondom schepping & evolutie, homoseksualiteit en vrouwelijke ambtsdragers, schrijf letterlijk ‘vandaar dit boek’ en vervolgens los ik die kwesties niet op. Hoe zit dat? Het is een heel bewuste keus geweest om in dit boek die kwesties zo veel mogelijk te laten liggen – anders zou de discussie over het boek zich ogenblikkelijk op die actuele punten (en op die alleen) hebben geconcentreerd. Ik wilde nu juist een spade dieper, naar heel onze omgang met de Bijbel. Daar zit namelijk mijn zorg: we vergeten onze ziel maar zo. Natuurlijk betekent dit niet dat ik die actuele punten onbelangrijk zou vinden of dat ik zou menen dat je met de Schrift in de hand daarover niets kunt zeggen. Wat een vreemde gedachte zou dat zijn. Mijn punt is dat als je direct op hot issues afgaat, je de diepte die ik in dit boek zoek, maar zo gaat missen. Vandaar dat ik me heb ingehouden.

Nu had ik me over evolutie en christelijk geloof (of over de relatie natuurwetenschap en theologie) al eerder uitgesproken, dus die positie komt af en toe wel aan de oppervlakte in het boek. Op dat punt bevat dit boek niets nieuws – en toch ging de recensent van het Reformatorisch Dagblad juist hier op in, om een creationistisch punt te maken. Hoeveel te meer zou dat gebeurd zijn als ik iets over andere thema’s had gezegd?

Dat geeft mij te denken. De vraag ‘wat dunkt u van vrouwelijke ambtsdragers’ of ‘wat dunkt u van evolutie’ lijkt wel meer gewicht te krijgen dan de vraag ‘wat dunkt u van de Christus?’

Gelukkig is er een heel boek over christelijk geloof en evolutie verschenen, waarover op 29 november een studiedag gehouden wordt. Dus vandaag hoeven we het er niet meer over te hebben…

Methode

Ten tweede kreeg ik van sommige collega’s de vraag of ik tegen elke vorm van methode ben. Nee, dat ben ik niet (en ik was zelfs een beetje verbaasd over de vraag). Ik denk alleen dat de waarheid waar het in de Bijbel om gaat niet langs methodische weg te bereiken is. Natuurlijk moeten we exegetische methoden gebruiken, wat mij betreft het hele palet en zonder reserve. Maar omdat Jezus Christus de waarheid in persoon is, de waarheid die vrij maakt en die op ons toe komt, hebben wij geen stappenplan in handen om die waarheid ons eigen te maken. Intussen zal het natuurlijk zonder zindelijke exegese niet gaan. Tot mijn verdediging wijs ik op de manier waarop ik in paragraaf 6.3 1 Petrus 3 heb gelezen. Volgens mij vindt daar exegese plaats, waar je op exegetisch niveau over kunt discussiëren, maar het toelaten van de vragen en weerstanden die je ervaart bij het lezen van zo’n tekst, kan helpen om de betekenis voor vandaag te ervaren.

Goed, over deze twee punten zal het vandaag ongetwijfeld nog verder gaan.

De kern van het boek

Maar laat me nu nog drie punten aanduiden waarin volgens mij de kern van het boek ligt.

Drievoudige bewogenheid

In de eerste plaats: de drievoudige bewogenheid van God zelf. Verschillende recensenten hebben opgemerkt dat de ziel als resonantieruimte voor mij van groot belang is – daarin volg ik Gerard Visser (en ik ben erg benieuwd naar wat hij te zeggen heeft over de manier waarop ik mijn zijn gedachten omga). Wat nog niet zo veel is opgemerkt, is dat de bewogenheid van onze ziel voor mij haar oorsprong vindt in Gods bewogenheid (146). God is niet alleen maar één, zoals in de islam. Ook in de Westerse theologische traditie is de eenheid van God vaak sterk benadrukt: hier passen de Augustijnse traditie en de Aristotelische metafysische traditie goed bij elkaar. God is echter voluit de drie-enige: er spanning tussen de Vader en de Zoon, die in het kruislijden ten hoogste oploopt. Vader en Zoon zijn nooit zonder elkaar, maar ze zijn ook niet de ander. Er gebeurt wat tussen hen. Daarmee is gezegd dat de geschiedenis er voor God toe doet, dat Hij zich laat raken door mensen: als wij Hem afwijzen, én als wij Hem liefhebben. Zoals de Duitse theoloog Isaac August Dorner zei: de wereld is een ‘goed’ voor God. Als ik ergens een stap bij de calvinistische traditie vandaan doe (en sommige recensenten vrezen wel dat ik dat doe), dan niet ten aanzien van de scheppingsleer en al helemaal niet ten aanzien van het gezag van de Schrift – maar wél hier, in de triniteitsleer die voor mij het hart van de Godsleer vormt. Calvijn wordt niet moe, te onderstrepen dat God eigenlijk geen ogen en oren heeft, en eigenlijk geen passiones kent, geen emoties. Logisch, want e-motie is een vorm van motio, van beweging, en beweging veronderstelt een ruimte waarin bewogen wordt, dus wie beweegt, is niet alomtegenwoordig en is niet god. Basale aristotelische metafysica.

Volgens mij biedt de triniteitsleer de mogelijkheid om vol te houden dat God zowel boven de geschiedenis staat als in de geschiedenis ingaat. Dat is de incarnatie. Daardoor is er echte interactie mogelijk. Over God moeten we dan ook niet meer spreken buiten Jezus Christus om, zoals Paulus ons al leert. Dus is God voluit bewogen, niet alleen in de richting van ons mensen, maar ook in zichzelf. God is liefde. Kees van der Kooi heeft in een korte recensie voor de website van de uitgever wat mij betreft de spijker op zijn kop geslagen als hij een zin citeert en die ‘niets minder dan een programma’ noemt: ‘De zuurdesem van de onbewogenheidstraditie moet uitgezuiverd worden uit het Godsbegrip en dus ook uit het bijbellezen’ (152). Dat is het inderdaad.

De komende Christus

Het tweede is de concentratie op de komende Christus. Noordmans zegt, wat mij betreft terecht, dat als de Bijbel een titel zou krijgen, dat ‘Hij komt’ zou moeten zijn. Wij lezen de Bijbel in de tijd, in onze levenstijd, die we als een doorlopend heden ervaren. Van de dood weten we dat hij komt; als existentiële mogelijkheid is hij in elk ogenblik aanwezig. Er is echter hoop, omdat Jezus Christus komt om alle dingen nieuw te maken. De Schrift lezen is dus niet allereerst een tekst tot je nemen, maar je stellen in het krachtenveld van de Geest. Wij hebben de inspiratie van de Schrift vaak te veel betrokken op de oorsprong van de Schrift, de manier waarop de Schrift tot stand is gekomen. Dat aspect is er ook, maar er is meer. De Schrift is door de Geest doorademd, die de Geest van de levende Christus is. Die Geest komt vanuit Gods toekomst op ons toe, om ons daarop te richten en Christus te leren verwachten. Die hoop houdt de christelijke gemeente gaande. Daarbinnen functioneert de omgang met de Schrift als de stem van de levende God. Dus klinkt de Schrift als belofte: een woord waar toekomst achter zit, waar een persoon achter staat. De concentratie op die persoon helpt om de reductie te voorkomen van het rationalisme, dat de werkelijkheid terugbrengt tot rationele modellen.

Bevinding

Het derde hangt met de eerste twee nauw samen. Ik zie mijn boek als herbronning van de bevindelijke traditie. Opvallend genoeg is dat vooral opgepakt door recensenten en journalisten buiten wat traditioneel de bevindelijke stroom wordt genoemd. Ik heb me afgevraagd of de goede verkoop van mijn boek te verklaren valt uit verlangen naar een echt gereformeerde, echte ervaring van het geloof. Intussen is het me niet ontgaan dat juist in kringen van het Reformatorisch Dagblad en daaromtrent mijn boek niet per se met gejuich is ontvangen. Maar waarom niet? Als ik het goed zie, spelen er drie dingen. Allereerst het creationisme dat ik niet belijd. Vervolgens: ik haal wel Bonhoeffer aan, maar te weinig auteurs uit de Nadere Reformatie (zo schrijft Mart-Jan Paul in het RD). Ten derde vermoed ik een koudwatervrees voor ‘hermeneutiek’, soms ingekleurd als ‘de nieuwe hermeneutiek’. Dit stelt me nog niet gerust als het gaat om de bedreiging van het bevindelijke leven, die ik zie. De rationalisering en de secularisering gaan door, ook in reformatorische kring: een streven naar beheersing en het afwenden van gevaren. Terwijl we leven temidden van gevaren alleen de levende God ons kan redden. Van onszelf zijn we in geestelijke zaken immers blinder dan mollen, om toch nog maar een keer Calvijn aan te halen (Inst. 2.2.18). Tegen het rationalisme blijf ik een pleidooi houden voor bevindelijk Bijbellezen, met verwachting van de komende Christus. Van mij mogen de zogenaamde ‘bevindelijken’ intussen wel wat bevindelijker worden. Ik hoop op een mooie studiedag.

Studieschuld

Mijn column in De Waarheidsvriend van 17 oktober 2019.

Onlangs was in het nieuws dat de gezamenlijke schuld die studenten opbouwen, weer is opgelopen. Nu is de rente laag en zullen veel studenten later de lening redelijk eenvoudig terug kunnen betalen, maar principieel zit er iets mis. Het ministerie van Onderwijs beschouwt studeren vooral als een ‘investering in jezelf’. Dus worden studies gestimuleerd die een goed perspectief bieden op de arbeidsmarkt. Zo domineert de markt en dat leidt, als altijd tot verschraling. We hebben juist mensen nodig die de dominantie van de markt ter discussie kunnen stellen. Die een idee hebben van het goede leven, zodat begin en eind van het leven niet alleen een kwestie zijn van techniek plus zelfbeschikkingsrecht. De klimaatverandering vraagt niet alleen om technische oplossingen, maar ook om een gesprek over welk menselijk leven ons voor ogen staat. Dat gaat niet lukken als studenten geen tijd en geen geld hebben, en studies vooral praktisch gericht zijn. De grote, trage vragen vereisen tijd en aandacht – en dus ook geld. Helaas zit alles wat niet praktisch, meetbaar en winstgevend is in de verdrukking.

Wat voor samenleving zijn we aan het worden, nu de zorg steeds meer gaat kosten en op onderwijs steeds meer wordt bezuinigd? Natuurlijk zijn de investeringen voor ouderen nodig, maar voor jongeren niet minder. Zij vormen de toekomst. Hoe ziet de samenleving er straks uit als de slimste jongetjes en meisjes van de klas allemaal technische studies gaan doen omdat de BV Nederland daarom vraagt?

Gelukkig kunnen gezonde tegenbewegingen klein beginnen. Eigenlijk oefenen we er al mee als we naar de kerk gaan: een inefficiënte bezigheid waarvan het praktisch nut moeilijk is aan te tonen. We krijgen er hopelijk zicht op een nieuwe werkelijkheid, die wij niet maken, maar die zich wel laat delen; in woorden, rituelen, daden. Dat hebben we hard nodig. Anders weten we straks van bijna alles hoe het werkt, maar van bijna niets wat de zin ervan is. Zo bouwen we een enorm tekort op. Dát is onze gezamenlijke studieschuld.

Dominion

Mijn column in De Waarheidsvriend (van 19 september) is deze keer een boekbespreking.

Tijdens mijn promotiestudie volgde ik een cursus bij Diarmaid MacCulloch, de Britse historicus die een geschiedenis van de Reformatie in één band geschreven had. Ik vroeg hem wat, na zo’n enorm werk, zijn volgende boek zou worden. Droogjes vertelde hij dat hij nu een geschiedenis van héél het christendom zou gaan schrijven.

Sommige Britse historici durven een brede maar trefzekere schets te geven van duizenden jaren. Peter Frankopan deed het met zijn boek over de zijderoutes. En nu is er “Dominion” van Tom Holland. Het gaat over de blijvende impact van een doorgaande revolutie: die van het christelijk geloof. Hij laat zien dat grondtrekken van het christelijk geloof het Westen blijvend hebben bepaald. Dat mensen in beginsel gelijkwaardig zijn (omdat ze naar Gods beeld geschapen zijn), dat het leven van zwakken beschermwaardig is, dat er waardigheid en eer kan liggen in het lijden – dat was allemaal ondenkbaar voor de klassieke Romein. Het zijn exclusief christelijke ideeën. Mensenrechten zijn ondenkbaar zonder deze overtuigingen, en daarom slaan ze zo moeilijk aan buiten christelijke contexten. De moderne wetenschap werd mogelijk omdat de wereld als Gods schepping zich nuchter laat onderzoeken.

Holland gaat niet voorbij aan schaduwzijden. Ook wanneer er kwaad werd gedaan in de naam van God, zoals op slavenplantages, hoorde het bij de dynamiek van het christelijk geloof dat er tegenkrachten kwamen, die pleitten voor de afschaffing van slavernij. Holland betoogt zelfs dat huidige beweging van homorechten ondenkbaar is zonder de christelijke nadruk op gelijkheid. Daartegenover stelt Holland het Derde Rijk, waarin gepoogd werd de zwakken uit te roeien om alleen Übermenschen over te houden.

Holland geeft materiaal in handen om seculieren te laten zien hoe hun denken door het christendom gestempeld is, en de vraag te stellen hoe ze denken het Westen te laten overleven zonder enige vorm van christelijk geloof. Voor christenen die geneigd zijn tot somberen over onze seculiere tijd, geeft Holland te denken: er kon wel eens meer christelijke dynamiek aan het werk zijn dan we dachten. Tegelijk geldt: zonder Christus de gekruisigde is het hart weg, uit het christelijk geloof, én uit het Westen.

Filmpjes per hoofdstuk ‘Lezen en laten lezen’

De uitgever van mijn boek Lezen en laten lezen heeft mij uitgedaagd om per hoofdstuk een samenvatting van maximaal anderhalve minuut te geven. Wie het boek nog niet las, kan er zo een indruk van krijgen. Wie het wel gelezen heeft, kan deze filmpjes als ultrakorte samenvatting kijken. Zie deze link.

Bevinding en vakmanschap

Enkele gedachten bij de tweede druk van Lezen en laten lezen

De herdruk van mijn boek Lezen en laten lezen: Gelovig omgaan met de Bijbel is onderweg, en dat lijkt me een natuurlijk moment om eens te reflecteren op enkele reacties die ik op mijn boek kreeg. Ik kreeg en las er veel, met verschillende inhoud. Niet op alles kan ik hier ingaan. Bovendien komt er op 30 oktober nog een complete studiedag over mijn boek, en het zou niet verstandig zijn om nu in een blog mijn kruit al te verschieten. Toch wil ik wel een paar kanttekeningen plaatsen en verduidelijkingen aanbrengen.

Vakmanschap en competentie

Enkele mensen vroegen mij, of ik niet krachtiger had moeten pleiten voor vakmanschap en competentie in het Bijbellezen. Nu benadruk ik sterk de geestelijke houding en hermeneutische sensitiviteit, maar het lezen van de Bijbel heeft toch profijt van exegetisch vakmanschap (kennis van taal, cultuur, besef van historische afstand), van ervaring, van competentie?

Mijn boek legt op dit punt inderdaad niet expliciet de nadruk, vooral omdat ik het zo vanzelfsprekend vind. In mijn eigen exegese van 1 Petrus 3 hoop ik blijk gegeven te hebben van een voldoende mate van exegetische competentie – en als dat niet zo is, onderstreept dat des te meer het belang van exegetisch vakmanschap. Bovendien is het ‘lezen vanuit het leven’ dat ik benadruk, zoveel meer en ook echt anders dan alleen ‘intuïtief’ bijbellezen.

Dus ja, ik ben voor vakmanschap, in elk opzicht. Maar ten opzichte van de Bijbel lijkt het me wél nodig dat we beseffen dat we het met ons vakmanschap niet gaan redden, en dat we het geheim van Gods Woord enkel langs technische weg niet op het spoor komen. Ik wil daar geen valse tegenstelling maken, maar het punt (wat in het Duits zo mooi de Stossrichtung heet) van mijn boek was een ander.

De Schrift en hete hangijzers

Sommigen vroegen mij, waarom ik ‘hete hangijzers’ in orthodox-protestans Nederland (evolutie, homoseksualiteit, vrouwelijke ambtsdragers) niet expliciet behandel in dit boek, terwijl ik ze wel noem als aanleiding voor mijn boek. Vind ik soms dat de Bijbel over deze thema’s niets te zeggen heeft? Daarover twee dingen.

Allereerst heb ik er bewust voor gekozen om me in dit boek niet over genoemde drie thema’s uit te spreken. Mijn positie omtrent creationisme / evolutionisme komt wel in enige mate naar voren, maar goed: daarover had ik me eerder al eens uitgesproken en er is een mooi boek onderweg waarin ik daarover ook een bijdrage geleverd heb. Maar ik besefte wel dat als ik me had uitgesproken over de ‘hete hangijzers’, de hele discussie rond mijn boek daarop zou focussen. En dat wil ik nu juist voorkomen: we moeten het hebben over hoe we gelovig met de Bijbel omgaan. De boodschap van de Bijbel gaat zoveel verder dan alleen die aangelegen punten.

Vervolgens: natuurlijk heeft de Bijbel wel degelijk gezagvol iets te zeggen wat deze thema’s betreft. In mijn boek benadruk ik wel dat de manier waarop deze vragen nu spelen, voor de Bijbelschrijvers niet bekend was. Vrouwenemancipatie en de algemene acceptatie van homoseksuele (en andere) levensstijlen als authentieke expressie van het individu waren in de periode vóór de Verlichting respectievelijk de Romantiek letterlijk on-denkbaar: de intellectuele opties waren niet voorhanden. Daarmee zeg ik niet dat de Bijbel voor deze kwesties irrelevant is; integendeel! We zullen alleen wel nauwkeurig en sensitief moeten luisteren en afwegen om deze thema’s op een goede manier Bijbels te benaderen. Ik heb me dan ook buitengewoon verbaasd over de stelling van een hersteld-hervormd recensent dat ik bepaalde levensgebieden zou onttrekken aan Gods gezag. Dezelfde recensent schreef zelfs dat de Schrift voor mij geen criterium voor de kennis van God zou zijn. Dat alles heeft de recensent niet uit mijn boek, maar waar het dan wel vandaan komt? Ter illustratie geef ik weer wat ik schrijf over het sola scriptura: “Het laatste gezag, de ultieme norm voor leer en leven, is de Schrift als het Woord van God zelf.” (P. 163).

Bevinding, historiciteit, ‘fouten’

Mijn boek is een pleidooi voor bevindelijk bijbellezen, zoals onder andere de recensent van Trouw terecht opmerkte. Des te opmerkelijker zijn de reacties uit de hoek van degenen die wel worden aangeduid als ‘bevindelijk-gereformeerd’. In het Reformatorisch Dagblad, maar vooral in het Kerkblad van de Hersteld Hervormde Kerk kozen de recensenten de verdediging van de historiciteit en foutloosheid van de Bijbel, en werd het creationisme verdedigd. Wat mij betreft is dit een indicatie dat de zorg die de aanleiding vormde voor mijn boek, terecht is. Ook traditionele ‘bevindelijken’ gaat het bij de Bijbel heel snel meer om allerlei (historische) waarheden dan om de ene Waarheid, Jezus Christus. Nota bene: in deze traditie werd altijd benadrukt dat het vooral gaat om het persoonlijk delen in het heil; daarbij deed de historiciteit er minder toe. Zie de neiging om de woestijnreis of van het boek Ruth vooral geestelijk uit te leggen. Soms ging dat te ver, zoals in het gezegde: “Al was Christus duizend maal in Bethlehem geboren en niet in mijn hart, dan was ik nog verloren.” Maar nu moet de historiciteit kennelijk (wat mij betreft: op een typisch moderne manier) verdedigd worden.

Voor alle helderheid: ik beweer niet dat wat de Bijbel zegt, allemaal niet historisch zou zijn in de hedendaagse betekenis van het woord ‘historisch’. Mijn punt is dat ons moderne idee van ‘historiciteit’ niet in alle opzichten goed past bij wat de Bijbel wil zeggen – en dat het gezag van de Schrift in die gevallen vereist dat onze frames moeten wijken. Laten we wat minder vertrouwen hebben in onze eigen concepten, en wat meer in de Bijbel en in God.

Niet alles in de Bijbel is van gelijk gewicht en met bepaalde kwesties kunnen we gerust ontspannen omgaan. In mijn boek beroep ik me daarvoor op Calvijn. Ter illustratie ga ik op dat beroep op Calvijn nog wat nader in.

Calvijns ontspanning

De hersteld-hervormde recensent schrijft:

Het voorbeeld dat Huijgen gebruikt namelijk dat Calvijn stelt dat in Mat. 27:9 de naam Jeremia een fout is, is juist geen bewijs voor wat hij beweert. Calvijn gebruikt hier namelijk het woord ‘increpat’ (ingeslopen). Kennelijk denkt hij aan een overschrijvingsfout. Ik ga nu niet in op de vraag of deze suggestie van Calvijn juist is. Echter, duidelijk is dat ook Calvijn de houding heeft dat de Schrift geen echte tegenstrijdigheden bevat.

Waar de recensent het woord ‘increpat’ gelezen heeft, weet ik niet, maar zeker niet in de passage van Calvijn die ik citeerde. Ik geef mijn vertaling van die passage (p. 158 van mijn boek); wie wil, kan de Latijnse tekst nazien in de voetnoot:

Hoe de naam van Jeremia hier terecht gekomen is? Ik moet bekennen dat ik het niet weet, en ik ga er ook geen moeite voor doen om dat uit te vinden. Het is wel zeker dat de naam Jeremia hier door een fout (errore) is opgeschreven, in plaats van Zacharia. 1

Dat Calvijn zou duiden op een overschrijffout, zoals de recensent wil, staat er gewoon niet. Het gaat Calvijn er ook niet om. Het boeit Calvijn eenvoudigweg niet hoe er een “fout” (zijn term) in Mat. 27:9 terecht gekomen is. Nota bene: dit zegt Calvijn, een zeer nauwkeurig exegeet die bij allerlei kwesties juist wél het naadje van de kous wil weten. Mogelijk hebben moderne exegeten argumenten waarom dit geen fout zou zijn, maar dat is hier niet het punt. Waar het om gaat: Calvijn kon ontspannen met dit soort vragen omgaan, omdat er voor hem niet zo veel op het spel stond. Hij wist van reliëf in de Schrift: niet alles is even belangrijk. Calvijn was namelijk geen moderne fundamentalist.

Tegen het rationalisme blijf ik een pleidooi voeren voor bevindelijk bijbellezen, met een focus op de Komende, Jezus Christus. Dat past namelijk bij de Bijbel zelf – en de reformatoren Luther en Calvijn gaan ons er nog in voor ook. Van mij mochten de ‘bevindelijken’ nog wel wat bevindelijker met de Bijbel omgaan.

— Edit: inmiddels heeft de recensent toegegeven dat hij een verkeerd Latijns woord weergaf in het Calvijncitaat. Op de inhoud van wat ik schreef gaat hij niet in.


  1. Calvijn, Comm. Mat. 27:9, CO 45:749, “Tunc impletum est etc. Quomodo Ieremiae nomen obrepserit, me nescire fateor, nec anxie laboro: certe Ieremiae nomen errore positum esse pro Zacharia (13, 7), res ipsa ostendit: quia nihil tale apud Ieremiam legitur, vel etiam quod accedat.” ↩︎

Reactie op Loonstra’s blogs

In vier afleveringen reageerde Bert Loonstra op mijn boek Lezen en laten lezen (grappig genoeg: ongeveer tegelijkertijd met mijn bespreking van zijn boek op dit blog). Graag ga ik op zijn reactie in. Loonstra leest nauwkeurig, vertekent mijn positie niet, en denkt eerlijk en kritisch met me mee. Zoals hij in een van zijn blogs schrijft: dat is nodig om allerlei vormen van polarisatie te boven te komen. Dat willen we allebei, al zijn we het op punten niet eens.

Loonstra heeft zijn reactie helder ingedeeld, zodat ik er hieronder in drie punten op in kan gaan. Samengevat komt het volgens mij hier op neer. Het verschil lijkt me dat waar ik gelovig, existentieel omgaan met de Bijbel bepleit (waarbij je innerlijk leeg wordt en Gods Geest in je laat werken), Loonstra het belang van culturele verschillen, rationele verantwoording en hermeneutische competentie naar voren brengt.

Hermeneutische competentie

Loonstra noteert dat ik hermeneutische sensitiviteit (gevoeligheid) de voorrang geef boven hermeneutische competentie. Hij wil ze beide hebben, en maakt de vergelijking met muziek: de gevoeligheid wordt door competentie alleen maar bevorderd. Dat is natuurlijk zo. Ook ik ben van harte vóór vakmanschap, bijvoorbeeld op exegetisch gebied. Hopelijk heb ik er iets van laten zien in mijn exegese van 1 Petrus 3 in mijn boek en van 2 Korinthe 3 in mijn reacties op Loonstra. Dus als het Loonstra er om gaat dat theologen hun werk moeten doen, zal ik de laatste zijn om dat te ontkennen.

Loonstra bedoelt echter nog iets meer. Er is volgens hem competente hermeneutische reflectie nodig, bijvoorbeeld op het thema aanvechting en op de relatie Oude en Nieuwe Testament. Daarvoor is een hermeneutische theorie noodzakelijk, volgens Loonstra. Het eenvoudige antwoord daarop zou kunnen zijn, dat mijn hele boek zelf ‘een kleine hermeneutiek’ (p. 14) is, en dat ik dus instem: hermeneutiek is nodig.

Toch is dat nog iets te makkelijk. Loonstra en ik zijn het namelijk op het volgende punt niet eens. Loonstra benadrukt een theorie die een rationele verantwoording biedt van de praktijk van het omgaan met de Schrift, maar die zelf – als verantwoording – buiten die praktijk staat. Daar scheiden onze wegen, want ik denk deze theorie-buiten-de-praktijk niet past, juist omdat het om de Schrift als het levende Woord van God gaat. Over het belang van theologisch goed je werk doen zijn we het eens, maar wat is het werk van de theoloog? Met Luther zeg ik dat je geen theoloog wordt door lezen en rationeel speculeren, maar door te leven, dat is te sterven en God aan je te laten handelen. Die subjectswisseling is waar het mij in mijn boek om gaat: God is aan het werk, en al ons omgaan met de Schrift dient in dat licht te staan. De ervaring die we met de Schrift opdoen, onze ‘competentie’, bestaat dan ook in twee dingen. Allereerst leren we (en dit is opnieuw Luther) dat we de theologie nooit onder de knie krijgen, dat we niet weten. We worden leeg voor God, en zo worden we ontvankelijk voor het evangelie. Ten tweede leren we voortdurend wat we al weten. We weten dat God trouw is en goed, maar telkens opnieuw leren we de grondwaarheden van het evangelie. Als we al over ‘competentie’ zouden willen spreken, geldt: ‘onze bekwaamheid is uit God’ (2 Kor. 3:5); we zijn en blijven ontvangers (1 Kor. 4:7).

Theologisch gesproken zeg ik met het bovenstaande: de theologische hermeneutiek kan niet bestaan zonder de overtuiging dat de levende drie-enige God er is, dat wil zeggen: handelt. Anders gezegd: geen hermeneutiek zonder rechtvaardigingsleer.

Loonstra is mij te optimistisch over rationele theorieën en modellen. Met een knipoog: ik zou wel willen dat hij zijn scherpe cultuurkritische benadering losliet op de behoefte aan rationele theorieën… In mijn boek bied ik een kritiek op het moderne rationalisme dat volgens mij de gelovige omgang met de Bijbel bedreigt.

Vooronderstellingen

In zijn derde blog benadrukt Loonstra het inzicht uit de moderne hermeneutiek dat het verstaan van de Bijbel altijd mede bepaald wordt door de cultuurhistorische context van de verstaander. Daar moeten we ons rekenschap van geven, volgens Loonstra. Uiteraard ben ik het daar mee eens. De vraag is alleen, hoe we dat doen en welk gewicht we aan culturele contexten toekennen. Loonstra stelt: ‘Ook de Bijbel getuigt van een cultuurhistorische verstaanshorizon die als zodanig niet normatief is.’ Vervolgens moeten we de betekenis in de oorspronkelijke context verbinden met onze eigen context. En daar begint het voor mij problematisch te worden: Loonstra zegt wel dat we ons voortdurend bewust moeten zijn van onze eigen culturele vooronderstellingen en van die in de Bijbel. Maar het eigene van een culturele context is dat je er niet even uit kunt stappen. Nam Loonstra de culturele bepaaldheid van ons kennen nog maar serieuzer dan hij nu doet! Omdat wij niet uit onze culturele context kunnen stappen, kunnen we dus ook niet een cleane, rationele vergelijking maken van onze cultuur en de cultuur in / achter de Bijbel. Methodes en modellen schieten hier tekort. Ook kunnen we de Bijbelse bedoeling niet gemakkelijk uit de culturele context pellen, zodat we een soort ‘zuivere’ kern overhouden. Op dit punt zou ik de (post)moderne hermeneutische inzichten dieper willen verwerken dan Loonstra doet. Loonstra vindt dat culturele vooronderstellingen niet moeten worden genegeerd. Terecht, hoewel het ook wel een beetje een open deur is. Volgens mij neem ik culturele vooronderstellingen zeker niet minder, misschien juist wel meer serieus dan Loonstra doet. Zo serieus, dat ik denk dat we er op de manier van een vergelijking van culturele achtergronden niet gaan komen. Onze eigen cultuur krijgt dan immers al snel de prioriteit.

Hiermee herhaal ik eigenlijk wat ik in mijn boek al schreef:

Wie de bijbeltekst allereerst in termen van afstand beschrijft, moet daarna proberen de afstand te overbruggen en een verbinding tot stand te brengen. Ook die poging tot verbinding is overigens cultureel bepaald. Het probleem is dat het denken in termen van ‘afstand’ abstraheert van de concrete levenservaring. […] Het is beter, existentieel afgestemd te raken op het evangelie en op de sprekende God zelf. We lezen de Schrift niet in afwezigheid van God, maar in zijn aanwezigheid. De grootste kloof, die er werkelijk toe doet, is in Christus overbrugd. Wij mensen, van alle tijden en plaatsen, staan aan dezelfde kant van de kloof en geen knappe hermeneut kan de kloof oversteken. […] Voor de culturele afstand betekent dit dat die zowel veel kleiner is als veel groter dan gedacht. Veel kleiner, omdat in Gods perspectief de culturele afstand tussen mensen van de eerste eeuw en die van de huidige eeuw wel eens mee kon vallen, wat wij verlichte mensen ons ook verbeelden. Veel groter, omdat wij ons niet zomaar aan onze eigen cultuur kunnen ontheffen om een verbinding te leggen met een andere cultuur. Op existentieel niveau bevinden wij ons in dezelfde situatie als de mensen daar en toen: wij moeten sterven, wij zijn zondaars, Christus is onze enige hoop. Op andere niveaus is de afstand veel groter en anders groter dan wij kunnen bedenken. (P. 177-178)

Uiteindelijk is Loonstra’s voortdurende accent op de cultuur me te weinig theologisch: wat doet het er voor de afweging van de verschillende culturele achtergronden eigenlijk toe of we het over de Bijbel hebben of over een ander boek? Of God leeft of niet? Uiteraard wil Loonstra eerbiedig omgaan met de Bijbel en gelooft hij in de levende God. Maar ik zie niet hoe dat inhoudelijk verschil maakt voor de vergelijking van culturele contexten. In mijn boek waag ik juist een poging om een voluit theologische hermeneutiek te bieden.

Loonstra wijst er op dat mijn inzet bij de triniteitsleer en bij Gods bewogenheid ondenkbaar is zonder theologische ontwikkelingen in de afgelopen tweehonderd jaar. Dat is zeker zo, maar wat is daar problematisch aan? Ik ontken niet dat mijn positiekeuze historisch bepaald is, zoals elke positiekeuze altijd historisch bepaald is. Ik breng die historische bepaaldheid alleen niet in mindering op de waarheidsclaim van wat ik naar voren breng, omdat waarheid geen onhistorische, abstracte grootheid is; Jezus Christus is de waarheid in persoon, en Hij is bij ons, gisteren, heden en voor altijd. Aan die waarheid probeer ik, met de beperktheid van mijn verstaanshorizon, theologisch recht te doen.

Al met al ben ik dus zozeer onder de indruk van de culturele bepaaldheid van elk standpunt, dat ik veel minder dan Loonstra de behoefte heb om via een vergelijking van culturele contexten oplossingen te vinden.

Een synthese?

In zijn laatste blog doet Loonstra een voorstel om zijn en mijn benadering met elkaar te integreren. Hij stelt voor om in drie ronden te lezen: (1) onbevangen, luisterend naar God die spreekt; (2) je verplaatsen in de eerste hoorders, rekenschap geven van toenmalige culturele context; (3) de leeservaringen van (1) en (2) met elkaar verbinden. De bedoeling is dat door oefening deze drie leesmomenten hoe langer hoe meer in elkaar zullen schuiven.

Hoe sympathiek het ook klinkt, dit voorstel lijkt mij toch geen goed idee. De eigenlijke beslissing valt namelijk in het derde moment, dat er vooral in bestaat dat culturele contexten met elkaar verbonden worden. Dat is me te formeel, en zoals ik hierboven schreef: het lijkt me aan die culturele contexten te weinig recht te doen. Uiteindelijk draait Loonstra’s benadering voortdurend om culturen: serieus nemen van culturele contexten, vergelijken daarvan, en uiteindelijk een afweging maken. Die benadering is me te weinig kritisch op onze cultuur en onze ervaring.

Het belangrijkste bezwaar is echter: gelovig / bevindelijk / existentieel met de Bijbel omgaan laat zich niet reduceren tot een fase in het verstaansproces. Het gaat immers niet om een gevoelsmatige of naïeve lezing, zoals Loonstra lijkt te veronderstellen, waarna je het vakwerk kunt gaan doen. Het gaat erom dat we de Bijbel niet lezen in de afwezigheid van de levende God, maar in zijn aanwezigheid. Met heel ons leven staan we voor de levende God. Waarheid is geen uitkomst van een rationele puzzel of een hermeneutisch verbindingsproces, maar Jezus Christus is in persoon de waarheid. En Hij is door zijn Geest bij ons.

Ten slotte

Het lijkt me winst dat Bert Loonstra en ik van gedachten hebben kunnen wisselen. Ik vind dat hij dat op een open en faire manier heeft gedaan, en ik hoop dat van mijn bijdragen hetzelfde geldt. Ik heb gezien dat hij op zijn blog nog gereageerd heeft op mijn serie van vijf blogs over zijn boek, maar daar zal ik niet meer publiek op reageren. Dan wordt het een beetje te veel, denk ik. Wat mij betreft is daarmee het gesprek niet ten einde, maar juist mooi op gang gebracht. Alleen hoeven de lezers van onze respectievelijke websites zich er even niet meer mee bezig te houden.