'Dat beleef ik toch anders.' Over geloof en kennis in een gevoelscultuur

Hieronder de tekst van het referaat dat ik vandaag op de christelijke gereformeerde ambtsdragersconferentie hield.
Het thema voor deze dag klinkt nogal complex. Laat me het inleiden door te wijzen op de roman van Franca Treur, Dorsvloer vol confetti. Ik vermoed dat velen van u er in ieder geval van hebben gehoord, of mogelijk het boek zelfs hebben gelezen.
Treur beschrijft daarin de jeugd van een meisje, Katelijne, dat opgroeit in een reformatorisch boerengezin, maar dat langzaamaan weggroeit van de belevingswereld van dat gezin. Treur beschrijft dat alles met grote mildheid en kennelijke liefde voor het milieu waar ze zelf ook uit komt – het boek heeft veel autobiografische trekken. Het is totaal anders dan de bitterheid van Maarten ’t Hart of ook de stijl van Jan Siebelink.
Het aangrijpende in het boek is de vervreemding tegenover kerk, godsdienst en God die je ziet groeien. Katelijne hoort wel dat er ‘iets’ met je moet gebeuren, ze heeft een bekeerde oma die er uit kan vertellen, ze bidt ook om vergeving van zonden en zoekt God op een bepaalde manier, maar vindt niet. Zij stelt eigenlijk de meest prangende vragen naar God, maar iedereen is druk met wat anders: moeder met haar tuin, vader met de koeien, de ouderlingen in meester Wisse die voorbij fiets (en waar gaat hij toch naar toe?). En oma is vooral in zichzelf geïnteresseerd en in andere bekeerde mensen. Katelijne kan er niet bij. Wel vindt ze ‘een iegelijk’ de mooiste woorden uit de Bijbel, want dan kun je doen alsof je het zelf bent. Zo zie je Katelijne vervreemden, op een aangrijpende manier.
Wat het autobiografische betreft: in verschillende interviews heeft Franca Treur verteld dat ze tijdens haar studie besloot zich geen christen te noemen, omdat ze geen persoonlijke ervaring met het bestaan van God had opgedaan, zoals haar christelijke medestudenten, en omdat ze merkte dat je in de literatuurwetenschap veel meer zondvloedverhalen vindt dan alleen het Bijbelse – en waarom zou de Bijbel dan waar zijn?
Daar zijn we bij de vragen van gevoel en kennis in relatie tot geloof. Treur zegt eigenlijk: ik heb het nooit ervaren, en dus kan ik het niet geloven. Mijn gevoel indiceert de waarheid – en op dit punt gebeurt dat niet.
Anderzijds vind je hier ook hoe ontwikkeling in kennis (de zondvloedverhalen) kan leiden tot een afscheid van het christelijk geloof. Toch is dat bij Treur niet wat voorop staat – het is vooral het gevoel van vervreemding. Ik wilde de vragen van wetenschap en geloof vanochtend maar laten liggen; als ik ze al zou kunnen behandelen, ontbreekt de tijd.
Drie voorbeelden
Laat me ons onderwerp verder toespitsen door een drietal pastorale praktijksituaties te benoemen.
Je bent op huisbezoek bij iemand die moeite heeft met iets in de kerk of in de eredienst. U zet uw beste beentje voor en probeert aan te tonen dat de manier waarop het gaat, past bij gehoorzaamheid aan de Schrift. Het zou zo maar kunnen dat het gesprek doodbloedt na de opmerking van degene die u bezoekt: dat beleef ik toch anders. Of: mijn gevoel zegt. Tja, en dan staat de wagen stil: want als je het zo beleeft, kun je het toch niet anders gaan beleven, nietwaar?
Een tweede situatie. U bent bij een student op bezoek. Misschien komen er wel allerlei scherpzinnige vragen over het verstaan van de Schrift, of over de relatie tussen wetenschap en Schrift. Vragen waar u bij lange na geen antwoord op heeft. Maar dat is nog niet zo erg. Het moeilijke punt in het huisbezoek zit daar, waar die jongeman verzucht: ‘ik weet het allemaal wel, maar ik belééf er zo weinig aan.’ De een zal dat wijten aan de kerk, waar zo weinig aandacht is voor gevoel, maar vele anderen zullen zich vertwijfeld afvragen: is dit nou geloof? Met mijn verstand stem ik het allemaal toe, maar als je nou nooit echt iets voelt, iets beleeft – is het dan wel goed?
Je hoort het aan, probeert leiding te geven, maar je vraagt je bang af: dit zal er toch niet één zijn die uiteindelijk besluit dat hij niet kán geloven en dus alles maar opgeeft?
Een derde. Een gesprek met een belijdeniscatechisante. Fijn dat ze geloofsbelijdenis wil doen, je merkt dat ze echt enthousiast is. Maar op een bepaald moment vraagt ze je op de man af: waarom moeten we eigenlijk ook allerlei dingen leren op de belijdeniscatechisatie, en wordt dat ook getoetst? Het gaat toch om je geloof, om je hart? En je zoekt naar woorden om te vertellen dat geloof niet zonder kennis gaat, maar of het overkomt?
Zo maar enkele voorbeelden die laten zien hoe moeilijk het is om kennis én (geloofs)vertrouwen bij elkaar te brengen of te houden. We merken, vermoed ik, allemaal de enorme hang naar beleving en gevoel, en anderzijds de kramp waar we in terecht komen als dat gevoel ontbreekt. Dit wordt aangejaagd door de gevoelscultuur waar we in leven, waar geldt dat slechts dát waar is, dat waar voelt. Het gevoel staat voorop.
We zien daarnaast dat de kennis van Bijbel en belijdenis afneemt, onder gemeenteleden en kerkenraadsleden. Kennis lijkt ‘uit’ en gevoel is ‘in.’ Ik spreek het vermoeden uit dat als u jongeren zou vragen naar omschrijvingen van het geloof, dat daar heel veel ‘gevoel’ in naar voren komt, en heel weinig ‘kennis’. Maar hoe zou het zijn als we ambtsdragers zouden bevragen op hun kennis van, bijvoorbeeld, de Nederlandse Geloofsbelijdenis? Velen (ouderen en jongeren) vinden parate kennis steeds minder nodig, omdat je wat je nodig hebt, vaak snel via allerlei middelen, zoals het internet, kunt vinden.
Is dat eigenlijk erg? Was het voorheen niet allemaal te rationeel, te verstandelijk? Werden toen gevoel en verstand niet op een andere manier tegen elkaar uitgespeeld? Had het verstand toen niet al te zeer het primaat? We hoeven niet te verlangen naar hete hoofden en koude harten.
Nu, over deze vragen mag ik spreken, op aangeven van het comité. Ik verken graag met u het terrein, om aan het einde van mijn referaat weer terug te komen bij de genoemde praktijkvoorbeelden.
Kennen en vertrouwen
Graag begin ik met er op te wijzen dat in het Bijbelse geloofsbegrip kennen en vertrouwen ineen liggen. Onze Heidelbergse Catechismus omschrijft het geloof dan ook als niet alleen een stellig weten, maar ook een vast vertrouwen.
Nu zijn ‘kennen en vertrouwen’ nog niet direct hetzelfde als ‘verstand en gevoel.’ Het oudtestamentische grondwoord voor ‘kennen’ duidt niet puur verstandelijke of abstracte kennis aan, maar omgangskennis, kennis van nabij; het woord kan zelfs voor de meest intieme omgang tussen man en vrouw worden gebruikt. ‘Kennen’ doe je niet alleen met je hoofd, maar met je hart en hand, met heel je leven. Geloofskennis in de ware zin van het woord is niet enkel een zaak van het hoofd, maar ook van het hart. God kennen is Hem vrezen en vertrouwen, échte kennis is een zaak van liefde.
Anderzijds geldt dat ‘vertrouwen’ in Bijbelse zin meer is dan een gevoel. Het is een hangen aan Gods beloftewoord. ‘Op U, o HEERE, betrouw ik’ (Psalm 31, zie ook Psalm 71) is geen emotie die opborrelt, maar betekent: ‘Bij U schuil ik.’ Tegen het gevoel van de angst in, tegen de klippen op – op U vertrouw ik. Waarom? Omdat je wéét wat je aan de Heere hebt. Zo zegt Paulus het: “Ik weet in wie ik geloofd heb.” Is dat verstand of gevoel? Die vraag is helemaal niet aan de orde. Het is geloof, kennen én vertrouwen! Waar het geloof zo functioneert, overstijgt het de vermeende tegenstelling tussen verstand en gevoel, omdat het een existentiële, of liever: bevindelijke, kennis is. Ik geef de voorkeur aan de term ‘bevindelijke kennis’ omdat het meer dan de term ‘existentiële kennis’ uitdrukt dat deze kennis ontvangen wordt door Woord en Geest.
Calvijn heeft het zo gezegd, dat we ervaren, beleven, dat God écht zo is als Hij in Zijn Woord zegt dat Hij is. Dat is het werk van de Heilige Geest. Daar zit direct een kritisch element in richting de gevoelscultuur: het gaat niet om de beleving op zichzelf, het autonome gevoel, maar om de persoonlijke beleving van de waarheid van Gods Woord, ook voor mij. Daarmee is dus niet elke godsdienstige beleving goedgekeurd; integendeel.
Persoonlijk
Willen we als ambtsdragers op dit punt geestelijk leiding kunnen geven, dan is allereerst nodig dat we zelf hier bij leven. Een gezond geloofsleven verwordt niet tot een set verstandelijke waarheden die naar believen naar voren worden gehaald, of tot een bijzonder gevoel zondermeer. Als dat gezonde geloofsleven ontbreekt, wordt het erg moeilijk, zo niet onmogelijk, om anderen hierin leiding te geven. Dát is de belangrijkste voorbereiding voor het huisbezoek, en overigens voor elke zondag opnieuw.
Broeders, kennen en vertrouwen wij de levende God? Uit de aard der zaak wordt dat, als ons geestelijk leven gezond is, nooit een vanzelfsprekendheid, een promemoriepost. Zoals het in je huwelijk geen goed teken is als alles enkel vanzelfsprekend is, zo is het in de verhouding tot de levende God. Anders gezegd: oefenen we ons in de ‘verborgenheden van geloof’ zoals het klassieke formulier voor de bevestiging van ambtsdragers het zegt?
Wat is dat dan? Het is een kwestie van me oefenen, of liever: laten oefenen, in het vertrouwen op Gods beloftewoord. Alle stemmen moeten verstillen voor de stem van God. “Spreek Heere, want Uw knecht hoort.”
Calvijn zegt het zó: “alle rechte kennis van God wordt uit gehoorzaamheid geboren.” Gehoorzaamheid is niet gemakkelijk, en zeker in onze tijd is het niet populair. Maar de echte geloofskennis begint bij bekering tot gehoorzaamheid. Geen geloofsbeleving zonder bekering.
Op deze manier overstijgt het geloof de vermeende tegenstelling tussen verstand en gevoel. Het is God liefhebben met heel je hart, met heel je verstand en alle krachten.
Laat me wijzen op de praktijk van het gebed, waarin het leven op Gods beloften in het bijzonder gestalte krijgt. Juist in het gebed ontvonkt de echte geloofsbeleving aan Gods beloftewoord.
Calvijn tekent in zijn commentaar op Psalm 119:107, ‘maak mij levend naar Uw Woord,’ aan: ‘ons gebed is koud, of liever: helemaal geen gebed, als Gods belofte ons niet vervuld met moed in onze moeite en angst.’ Dat is wat anders dan drijven op emoties, of goedkope gevoeligheid – het is het werk van de Heilige Geest, die met Gods beloftewoord het ware geloof werkt en versterkt. De verhoring van het gebed is dan ook niet een kwestie van mijn gevoel, maar van Gods beloftewoord. Daarom klampt David zich aan Gods belofte vast, ook als God hem de rug lijkt toe te keren.
Leven wij als ambtsdragers zó? Waar we zelf in de aanvechting weten van het leven op Gods beloftewoord, tegen hoop op hoop, daar hebben we ook wat te melden in het gesprek met wie hier klem zit. Dan weten we er immers persoonlijk van hoe je beleving soms achterblijft bij het vertrouwen op Gods belofte, waardoor het schuurt en het op de hoop aankomt. Hoe je soms niets ziet, niets begrijpt en niets ervaart van Gods aanwezigheid. En dan toch gaan, soms in het duister, in het spoor van de Goede Herder. Bij de beleving van een ander uitkomen kun je niet, maar bij Gods beloften toch wel.
Prediking
Uiteraard houdt dit alles ook verband met de prediking. Er moet bevindelijk gepreekt worden, dat wil zeggen: het werk van de Heilige Geest in het hart van de gelovige, waardoor hij ondervindt dat God is zoals Hij zegt dat Hij is, dient een plek te krijgen in de prediking. Maar dan niet enkel zo dat er nog eens wordt beschreven hoe de Heere werkt, maar dat de hoorders voor de levende God worden gesteld, voor Zijn gericht en Zijn belofte. Waar dat gebeurt, staat ook mijn gevoel en beleving niet meer op zichzelf. Daar wordt het onmogelijk om enkel met een beroep op mijn beleving te werken. De uitspraak ‘dat beleef ik toch anders’ werkt daar niet meer, want – zoals iemand dat eens scherp verwoordde – als de Schrift mij niet ligt, moet ik maar anders gaan liggen.
Hoe snel raken we hier niet bij vandaan, en verwordt ons (mijn!) preken tot het overdragen van kennis, of tot de expressie van een bepaald gevoel. Telkens opnieuw moeten predikers en hoorders onder de tucht van het Woord komen om deze ware geloofsbeleving te ontvangen.
Dat Woord stelt mij onder kritiek, ook mijn gevoel en beleving. Met heel mijn leven word ik immers voor Gods aangezicht gesteld, ook met mijn gevoel. Dan is dat niet langer het zelfstandige, autonome gevoel, waar geen argument of redenering tegen helpt. Het Woord van God is sterker dan welke redenering ook, maar is ook krachtiger dan welk gevoel ook.
Hier spreken we over het werk van de Heilige Geest, door middel van dat Woord, die het ware geloof doet ontvonken aan dat Woord en die het in stand houdt, versterkt, en geregeld zelfs boven het gevoel doet uitkomen.
In de Psalmen zien we vaak hoe de Psalm omslaat waar de psalmist zich door het geloof vastklampt aan wie de Heere is, en aan Zijn belofte. Je ziet het in Psalm 56, bijvoorbeeld. David is in het nauw, de vijanden bedreigen hem. “Dit weet ik, dat God met mij is.” Dat zet alles in een ander licht.
Daarom is het zo belangrijk dat prediking werkelijk belofteprediking is, die de loutere beschrijving van standen van zaken overstijgt.
Dat wat het gevoel betreft. Hoe zit het met de kennis? Wie werkelijk de Heere vertrouwt, zal toch ook willen wéten? Hoe kan het dan dat je in allerlei verbanden waarneemt dat de kennis van Gods Woord en zeker van de gereformeerde belijdenis eerder minder dan meer wordt? Dat zullen we dan ook een geestelijk probleem moeten noemen.
Wat is er aan te doen? Ik verwacht veel van de klassieke leerdienst – als het goed is, is de prediking niet saai of voorspelbaar, maar juist voluit levend, concreet en actueel. Bovendien is onze Heidelbergse Catechismus is een door en door bevindelijk boek; geen dorre, abstracte stof die het leven niet raakt. Integendeel, je vindt er echt doorleefde en en echt levende geloofstaal.
Huisbezoek
Laat me dit alles toespitsen op het huisbezoek en terugkeren naar de voorbeelden waar we mee begonnen. Wat als iemand zegt dat zij het toch allemaal anders beleeft? Vaak stokt het gesprek dan, of loopt het zelfs helemaal vast, omdat het zo moeilijk is om te gaan op wat iemand anders beleeft.
Misschien is het moment gekomen om door te vragen naar de rol die het gevoel inneemt in het leven van degene bij wie we op bezoek zijn. Stellen we ook ons gevoel onder de tucht van het Woord van God? Moet ons gevoel inderdaad het laatste woord hebben? Nee toch? Uiteraard zijn dit vragen die om groot invoelingsvermogen, om wijsheid en tact vragen, toegesneden op de persoonlijke situatie.
Het tweede voorbeeld: een student die wel goed kan redeneren en discussiëren, maar die heel eerlijk zegt dat hij zo weinig beleeft aan de kerkdienst, aan het lezen van de Bijbel en aan het gebed. Nu, daarvoor is niet een simpele remedie aan te wijzen; het is geen kwestie van een knop omzetten. Wel lijkt het me zaak om door te vragen waar deze student eigenlijk naar verlangt: is het een bijzondere, unieke ervaring? Is hij niet bezig om te pogen om geloof te bouwen op de grond van het gevoel, in plaats van op het vaste fundament van Gods beloften in Jezus Christus? Maar als dat nu allemaal niet het geval is, en iemand oprecht met deze vragen worstelt?
Kunnen wij er dan naast staan? Weet u misschien zelf ook van zoiets in uw eigen leven: met de kennis zat het in orde, maar het persoonlijk geloof ontbrak. Of waar het was, was het zo ingezonken en plichtmatig, dat de verootmoediging over de zonde en de vreugde in God welhaast waren weggesleten. Wat kan het goed doen als er een moment van herkenning ontstaat!
Zou het niet een groot verschil maken als jongeren die met zulke vragen worstelen, bezoek krijgen van een ambtsdrager die deze vragen kent en herkent, en werkelijk náást ze kan staan? Niet allereerst iemand die alle antwoorden uit zijn mouw schudt, maar iemand die ten eerste naar de vragen luistert.
Niet enkel om het daar bij te laten, wat mij betreft. Wel om een weg te wijzen, van wachten op God, levend bij Zijn Woord en hopend op Zijn genade – dan zal de Heere toch niet beschamen. Dat wachten op God lijkt me niet slechts een voorstadium van het geloof, maar de gestalte van het geloof zelf. Dat was het immers vaak, in Oude en Nieuwe Testament. “Ik blijf de Heere verwachten” – daar begint het.
Ten derde. De belijdeniscatechisante die het vreemd vindt dat ze ook wat moet leren, dat wil zeggen verstandelijk moet kennen, en soms zelfs uit het hoofd moet kennen. Want het gaat toch om je geloof, en niet om een lesje uit een boekje?
Allereerst hoop ik dat u het met mij eens bent dat er geleerd moet worden op de catechisaties en in andere verbanden. Ontegenzeggelijk gaat dat op een andere manier dan tientallen jaren geleden, en is er veel meer aandacht gekomen voor de betekenisverlening van wat je leert. Echt leren is immers veel meer dan een aantal dingen uit je hoofd kennen. Toch zou ik de stelling willen verdedigen dat echt leren óók te maken heeft met het je verstandelijk eigen maken van kennisinhouden. Graag laat ik de discussie over het onderwijs als zodanig even rusten, en spits ik het toe op het kerkelijk onderwijs.
Reeds Deuteronomium 6 spoort Israël aan, de geboden van de Heere bij de kinderen ‘in te scherpen’ (Deut. 6:7). Dat is geen zaak van memoriseren zonder meer, al is het dat ook, maar dat is ingebed in een compleet leven naar de geboden van de Heere. Er van spreken als je in je huis zit, als je op de weg gaat, als je nederligt en als je opstaat, zoals Deuteronomium 6 verder vereist, veronderstelt een vorm van onderwijs die niet geïsoleerd plaatsvindt, maar die het hele leven doortrekt.
In die zin heeft de belijdeniscatechisante gelijk: het gaat om het geloof, om het leven, niet om kennisinhouden die geen relevantie hebben voor je leven. Maar daar houdt het gelijk dan ook op: wat er geleerd moet worden, is uiteindelijk wel terdege van belang. De relevantie zal misschien niet eens direct inzichtelijk zijn, maar toch is het goed om de kennis van Gods Woord en ook van de belijdenis te vergroten.
Overigens: volgens mij vraagt onze tijd dat we niet met onderwijs stoppen nadat iemand belijdenis gedaan heeft. Bijbelkringen en verenigingen zijn goed, maar misschien moeten we ook zoeken naar vormen van catechese voor volwassenen.
Eén aspect is nog onderbelicht gebleven. Als we op huisbezoek gaan, laten wij ons dan soms ook te veel leiden ofwel door ons verstand, ofwel door ons gevoel? Ons verstand, waarmee we redeneren en argumenteren, maar waarbij het hart koud blijft? Of ons gevoel, soms negatief, soms positief, tijdens een bezoek, of na afloop van het bezoek? Is ook hier niet het geloof wezenlijk? Bedenk als u op huisbezoek gaat: ik kom hier als ambtsdrager, dat is: namens Christus. En bedenk: tevoren hebben we gebeden om Gods hulp, dus die mogen we ook verwachten. Dan kun je ook spreken over dat Woord waar je zelf van leeft.
Dan verwacht je, tegen hoop op hoop, die dag dat de aarde vol zal zijn van de kennis des HEEREN, zoals de wateren de bodem der zee bedekken (Jes. 11:9).

Dieren eten

De bekende Amerikaanse schrijver Jonathan Safran Foer heeft een non-fictie boek geschreven over het eten van dieren; het eerste boek dat ik van hem las. Hij betoogt in dit boek waarom hij sinds hij vader werd, besloten heeft om geen dieren meer te eten, dat wil zeggen: vegetariër te worden.
Hoe kom ik er bij om dit boek ter hand te nemen, en er nu zelfs over te schrijven? Mensen die mij kennen, zullen weten dat ik nogal gesteld ben op een goed stuk vlees. Op Twitter werd zelfs gevraagd of die wel voer/Foer voor theologen was en of ik nu vegetariër ben. Een van de redenen waarom ik dit boek heb gelezen, is het feit dat Foer van joodse afkomst is. Ik was benieuwd of dat ook een effect zou hebben op zijn visie op dieren en het eten daarvan.
Argumentatie
Verschillende recensenten hebben opgemerkt dat dit een aangrijpend boek is, en dat het onwaarschijnlijk is dat je na het lezen ervan nog vlees eet. Dat lijkt me een beetje overdreven, al heeft Foer wel een sterk punt. Zeer sterk vond ik bijvoorbeeld zijn opmerking dat iedereen die zich gaat informeren over de manier waarop wij aan ons vlees komen, eigenlijk al wel een horrorverhaal verwacht.
Foer heeft een sympathieke, ingehouden schrijfstijl. Hij geeft lucht aan allerlei relativerende gedachten en mogelijke tegenwerpingen, en daardoor heeft zijn boek niet direct iets drammerigs, hoewel ik wel wat afstompte na de zoveelste beschrijving van dierenleed in de bio-industrie.
Ronduit beklemmend is het beeld dat Foer van het systeem schetst. Wij (of in ieder geval: Amerikanen) zijn steeds meer vlees gaan consumeren, dat relatief steeds goedkoper werd, en dat daardoor steeds meer in de massa geproduceerd moest worden. Dus is de menselijke maat verdwenen, zijn wreedheden aan de orde van dag, en is de milieuschade enorm. Vlees lijkt goedkoop, maar de collateral damage is enorm, is Foers punt. Neem bijvoorbeeld alle graan en maïs die nodig zijn om dieren te voeden; daardoor wordt de prijs van graan en maïs opgedreven, waardoor de armen in de wereld er nog moeilijker aan kunnen komen. Daarnaast is ons vlees hoe langer hoe onnatuurlijker geworden: door de nadruk op productie zijn allerlei natuurlijke kenmerken van dieren weggeselecteerd en andere er voor in de plaats gekomen. Tel daarbij op dat de bio-industrie een broeinest vormt van pathogenen, en er ligt een serieus te nemen argument tegen het eten van dieren.
Foer schetst hoe er ook nog boeren zijn die de menselijke maat willen handhaven en goed voor hun dieren zorgen. Maar Foer vindt hun argumentatie niet goed genoeg. Niet alleen omdat ze zich op de markt nauwelijks kunnen handhaven, maar omdat ze uiteindelijk toch bezig zijn met het pijnigen (brandmerken) en  doden (de gruwelen van het slachthuis) van dieren voor consumptie. Wij kunnen prima zonder, zegt Foer. Gesteld voor de keuze tussen een strikt biologisch dieet of een vegetarische levensstijl, kiest Foer dus voor de laatste. Dierenrechten, meer dan dierenwelzijn.
Feitelijk valt Foer de argumentatie van PETA bij, zoals ook blijkt uit vele van de eindnoten – met dit verschil dat Foer niet voor een veganistisch, maar wel voor een vegetarisch menu kiest. Dat laatste is wat inconsequent, maar wat mij betreft tast het eerste (het leunen op PETA voor argumenten) de geloofwaardigheid van Foers boek wel aan. Deze club dierenactivisten staat nu niet om hun genuanceerd en vredelievend karakter bekend. Maar goed, ik  concentreer me hier op Foers argument.
Veel van de praktische argumenten van Foer val ik bij: het milieu, dierenwelzijn, voedselprijzen, pathogenen: het zijn allemaal argumenten specifiek tegen de bio-industrie. Maar tegen het eten van dieren als zodanig zijn slechts het argument van het doden van een levend wezen, en het argument van dierenrechten lijken mij niet sterk. Ik kom daar hieronder op terug.
Joodse elementen van denken
Het ging mij allereerst om Joodse vormen van denken tegen te komen, of een nieuwe blik op de spijswetten in de Mozaïsche wet, die ik hoe langer hoe fascinerender vind. Maar eigenlijk vond ik het boek op dit punt tamelijk teleurstellend. Geregeld verwacht je dat Foer uit gaat pakken over de Joodse traditie, maar dan blijft het toch wat achterwege. Wat was er dan wel te vinden?
1. Gemeenschap. Eten is een sociaal gebeuren. Foer schrijft met liefde over zijn grootmoeder die de Holocaust overleefde en sindsdien wilde dat iedereen veel zou eten. Hij schrijft over de kalkoen op Thanksgiving, dat typisch Amerikaanse feest dat Europeanen maar zo moeilijk kunnen inleven. Maar volgens hem kunnen er nieuwe tradities groeien, waarbij we geen dieren meer hoeven te slachten. Dat is op zichzelf waar, maar ik had gehoopt wat meer te lezen over de Joodse rituelen die nu eenmaal met het eten van vlees verbonden zijn, zoals Pesach, de offervoorschriften en dergelijke.
2. Dierenwelzijn. Foer bespreekt het koosjer slachten, waarbij er expliciet aandacht voor is dat het leven van een levend wezen wordt beëindigd. Maar merkwaardig genoeg heeft hij geen koosjere slager bezocht. Ik ben benieuwd of dat zijn beeld had kunnen veranderen. Ergens in het boek merkt Foer wel op dat de Bijbel geen afzonderlijke woord voor ‘dier’ kent. Maar dieper gaat de bezinning niet.
3. Bevrijding. Foer vertelt dat bij de laatste Pesach niet meer de gefilte fish het stralend middelpunt was, maar ze vertelden er wel verhalen over.

Aan het verhaal van Exodus – dat magnifieke verhaal over de totaal onverwachte manier waarop de zwakken het winnen van de sterken – werden nieuwe verhalen over de zwakken en de sterken toegevoegd. (208).

Ik vond het een typerende zin. Eigenlijk staat Foer voor een bevrijding van de dieren, de zwakken, zoals in Egypte de Joden, tot dan slaven, werden bevrijd. Ik vind het stuitend dat hier het verschil tussen mens en dier zodanig wordt gerelativeerd, dat de mens eigenlijk niet veel meer is dan een sterk dier. Met andere woorden: juist de relativering van de humaniteit, danwel de humanisering van het dier, moet het pleit beslechten.
Naar mijn gedachte moet niet een relativering van de humaniteit, maar juist een Bijbelse stellingname vanuit de ware humaniteit hier de doorslag geven. Bij het mens-zijn zoals God dat leert, hoort de toestemming om dieren te consumeren, maar dat gebeurt wel met groot respect voor het leven van het dier. Het bloed moet worden opgevangen, want het bloed is het leven, en het leven behoort aan God (Genesis 9). En boeren dienen goed voor hun dieren te zorgen (Ex. 20:10, Deut. 22:6,7).
Op deze basis lijkt me een vegetarische levensstijl een mogelijkheid, maar zeker geen gebod – wat Foer er wel van maakt. Belangrijker is dat we ons richten op dierenwelzijn, en op een verantwoorde consumptie van vlees. Daartoe helpt het volgens mij wel als de overdrijving, die Foer af en toe ook niet schuwt, achterwege blijft.

Nationale synode en credotekst

Graag geef ik de conclusies door van een college over de ‘nationale synode’.
Het laatste college van het vak symboliek (over belijdenissen) was gewijd aan de zogenaamde ‘nationale synode‘ van 2010, en de credotekst die daarbij als uitgangspunt dient. In het Nederlands Dagblad woedt daarover een stevige discussie tussen vrijgemaakte theologen. B. Kamphuis sprak zich uit vóór de credotekst, die hij kenmerkt als een consensustekst, geen compromistekst. J. Douma daarentegen stelde een aantal kritische vragen. Bij de tekst (is het toch niet een relativerende consensus?) en bij het hele project. Intussen heeft A.L.Th. de Bruijne zich tot een voorstander van de nationale synode verklaard, terwijl hij er eerder nog tegen was. Op de dag van het college verscheen nog een afwijzende bijdrage van J. van Bruggen.
Vrijwel alle aanwezigen vonden het in ieder geval een sympathiek idee om te zoeken, hoe beperkt ook, naar eenheid onder protestanten. Een eensluidend signaal aan de samenleving is van eminent belang. Daar begonnen echter ook al onze vragen. Is dit geen eenheid ten koste van waarheid?
Ten eerste: wat wil men nu precies? Is het een ‘synode’ of een ‘platform’? Een synode lijkt een kerkelijk mandaat te veronderstellen, en de manier waarop de credotekst ondertekend is, ook. Toch handelen de ondertekenaars op persoonlijke titel. Een soortgelijke spanning is aanwezig tussen ‘credotekst’ en ‘groeitekst’. De tekst wordt op beide manier aangeduid; de eerste term past beter bij ‘synode’; de tweede meer bij een ‘platform.’ Dit geeft het project een wat hybride karakter, dat breed doorwerkt. Immers, men zegt zich vooral op kerkleden te richten, maar het initiatief ligt bij ‘leiders’ of ‘sleutelfiguren’ – dan dan echter weer op persoonlijke titel functioneren.
Dat dit meer is dan terminologisch muggenziften, blijkt als we vragen naar de aard van de eenheid waarover men spreekt. Er is een bepaalde mate van eenheid gevonden, geconstateerd, en verwoord. Maar wat betekent dit als het los staat van kerkelijke eenheid, of het streven daarnaar?
Als het bij de credotekst in de eerste plaats gaat om een tekst waarover alle protestanten het eens kunnen zijn, dan geldt: zo’n tekst hebben we al. Sterker nog, we hebben er meerdere. Niet alleen het apostolicum (waarop de credotekst kennelijk geënt is), maar ook de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel. Die hebben we bovendien ook nog gemeen met de Rooms-Katholieken, die niet bij dit project betrokken zijn – al zullen ze mogelijk als waarnemer aan de zijlijn participeren. Hoewel de credotekst zeker niet bedoeld is om het apostolicum te ‘verduisteren’ (zoals Van Bruggen stelt), denk ik dat het goed is om zijn punt ter harte te nemen dat er vanuit het apostolicum kritisch noten te kraken zijn.
Met waardering stelden we vast dat de credotekst een aantal toespitsingen van het apostolicum biedt op de huidige tijd, in de aandacht voor het milieu bijvoorbeeld. Anderzijds mist ook een aantal elementen uit het apostolicum; andere aspecten worden gewijzigd. Van Bruggen maakt daar een groot punt van. Niet zonder ironie merkten we tijdens het college op dat als de Rooms-Katholieken aanwezig waren geweest, ongetwijfeld de sacramenten niet buiten beeld waren gebleven. Nu wordt er wel over gaven van de Geest gesproken, maar niet over Doop en Avondmaal. Deze twee zijn waarschijnlijk wél in het apostolicum bedoeld, respectievelijk in ‘vergeving van zonden’ (in de Oude Kerk vaak synoniem voor de Doop) en ‘gemeenschap der heiligen’ (die allereerst de gemeenschap rond de Tafel is). Toch was ons oordeel over de tekst vrij positief, juist omdat bijvoorbeeld de verzoening helder wordt beleden. Het is geen slap aftreksel van het apostolicum, maar juist een toespitsing voor de huidige tijd!
Grote vraag blijft: waar is nu de doelstelling van dit alles en wat doet het? Eenheid betuigen richting de samenleving lijkt een nobel streven, maar de buitenwacht lijkt zich met de grenzen tussen onze kerkelijke denominaties niet zo bezig te houden. Wel weet men dat er verschillende christenen zijn, bijvoorbeeld in verschillende politieke partijen. Maar deze credotekst kan toch moeilijk anders dan voor binnenkerkelijk gebruik bedoeld zijn? In dat licht lijkt het statement van ‘eenheid’ slechts mogelijk door over de punten waar we het écht over oneens zijn, niet te hebben. Dat maakt het minder sterk.
En wat de ondersteuning van christenen in de samenleving betreft: zal dat er van komen door een statement op een nationale synode in Dordrecht? Hoe moeten we ons dat voorstellen?
Al met al: sympathiek initiatief, maar met een onheldere doelstelling. Mooie tekst, maar de vraag is waar ze voor dient; op welke vraag ze een antwoord wil zijn.
Is het nu ‘voor’ of ‘tegen’? Met De Bruijne vonden we dat de ‘eenheid’ niet mag worden tot een soort oecumene van het hart, of een open houding waarbij kritische vragen naar de waarheid niet meer zijn toegestaan. Maar, eveneens met hem, vonden we dat je een dergelijk initiatief, dat reformerend bedoelt te zijn, een kans moet geven. Vóór dus, mits we maar niet de waarheid hoeven in te leveren.

Nationale synode en credotekst

Graag geef ik de conclusies door van een college over de ‘nationale synode’.
Het laatste college van het vak symboliek (over belijdenissen) was gewijd aan de zogenaamde ‘nationale synode‘ van 2010, en de credotekst die daarbij als uitgangspunt dient. In het Nederlands Dagblad woedt daarover een stevige discussie tussen vrijgemaakte theologen. B. Kamphuis sprak zich uit vóór de credotekst, die hij kenmerkt als een consensustekst, geen compromistekst. J. Douma daarentegen stelde een aantal kritische vragen. Bij de tekst (is het toch niet een relativerende consensus?) en bij het hele project. Intussen heeft A.L.Th. de Bruijne zich tot een voorstander van de nationale synode verklaard, terwijl hij er eerder nog tegen was. Op de dag van het college verscheen nog een afwijzende bijdrage van J. van Bruggen.
Vrijwel alle aanwezigen vonden het in ieder geval een sympathiek idee om te zoeken, hoe beperkt ook, naar eenheid onder protestanten. Een eensluidend signaal aan de samenleving is van eminent belang. Daar begonnen echter ook al onze vragen. Is dit geen eenheid ten koste van waarheid?
Ten eerste: wat wil men nu precies? Is het een ‘synode’ of een ‘platform’? Een synode lijkt een kerkelijk mandaat te veronderstellen, en de manier waarop de credotekst ondertekend is, ook. Toch handelen de ondertekenaars op persoonlijke titel. Een soortgelijke spanning is aanwezig tussen ‘credotekst’ en ‘groeitekst’. De tekst wordt op beide manier aangeduid; de eerste term past beter bij ‘synode’; de tweede meer bij een ‘platform.’ Dit geeft het project een wat hybride karakter, dat breed doorwerkt. Immers, men zegt zich vooral op kerkleden te richten, maar het initiatief ligt bij ‘leiders’ of ‘sleutelfiguren’ – dan dan echter weer op persoonlijke titel functioneren.
Dat dit meer is dan terminologisch muggenziften, blijkt als we vragen naar de aard van de eenheid waarover men spreekt. Er is een bepaalde mate van eenheid gevonden, geconstateerd, en verwoord. Maar wat betekent dit als het los staat van kerkelijke eenheid, of het streven daarnaar?
Als het bij de credotekst in de eerste plaats gaat om een tekst waarover alle protestanten het eens kunnen zijn, dan geldt: zo’n tekst hebben we al. Sterker nog, we hebben er meerdere. Niet alleen het apostolicum (waarop de credotekst kennelijk geënt is), maar ook de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel. Die hebben we bovendien ook nog gemeen met de Rooms-Katholieken, die niet bij dit project betrokken zijn – al zullen ze mogelijk als waarnemer aan de zijlijn participeren. Hoewel de credotekst zeker niet bedoeld is om het apostolicum te ‘verduisteren’ (zoals Van Bruggen stelt), denk ik dat het goed is om zijn punt ter harte te nemen dat er vanuit het apostolicum kritisch noten te kraken zijn.
Met waardering stelden we vast dat de credotekst een aantal toespitsingen van het apostolicum biedt op de huidige tijd, in de aandacht voor het milieu bijvoorbeeld. Anderzijds mist ook een aantal elementen uit het apostolicum; andere aspecten worden gewijzigd. Van Bruggen maakt daar een groot punt van. Niet zonder ironie merkten we tijdens het college op dat als de Rooms-Katholieken aanwezig waren geweest, ongetwijfeld de sacramenten niet buiten beeld waren gebleven. Nu wordt er wel over gaven van de Geest gesproken, maar niet over Doop en Avondmaal. Deze twee zijn waarschijnlijk wél in het apostolicum bedoeld, respectievelijk in ‘vergeving van zonden’ (in de Oude Kerk vaak synoniem voor de Doop) en ‘gemeenschap der heiligen’ (die allereerst de gemeenschap rond de Tafel is). Toch was ons oordeel over de tekst vrij positief, juist omdat bijvoorbeeld de verzoening helder wordt beleden. Het is geen slap aftreksel van het apostolicum, maar juist een toespitsing voor de huidige tijd!
Grote vraag blijft: waar is nu de doelstelling van dit alles en wat doet het? Eenheid betuigen richting de samenleving lijkt een nobel streven, maar de buitenwacht lijkt zich met de grenzen tussen onze kerkelijke denominaties niet zo bezig te houden. Wel weet men dat er verschillende christenen zijn, bijvoorbeeld in verschillende politieke partijen. Maar deze credotekst kan toch moeilijk anders dan voor binnenkerkelijk gebruik bedoeld zijn? In dat licht lijkt het statement van ‘eenheid’ slechts mogelijk door over de punten waar we het écht over oneens zijn, niet te hebben. Dat maakt het minder sterk.
En wat de ondersteuning van christenen in de samenleving betreft: zal dat er van komen door een statement op een nationale synode in Dordrecht? Hoe moeten we ons dat voorstellen?
Al met al: sympathiek initiatief, maar met een onheldere doelstelling. Mooie tekst, maar de vraag is waar ze voor dient; op welke vraag ze een antwoord wil zijn.
Is het nu ‘voor’ of ‘tegen’? Met De Bruijne vonden we dat de ‘eenheid’ niet mag worden tot een soort oecumene van het hart, of een open houding waarbij kritische vragen naar de waarheid niet meer zijn toegestaan. Maar, eveneens met hem, vonden we dat je een dergelijk initiatief, dat reformerend bedoelt te zijn, een kans moet geven. Vóór dus, mits we maar niet de waarheid hoeven in te leveren.

Doornenbal en Spruyt

Wat een inspirerend boek is Als je eenmaal hebt liefgehad. Bart Jan Spruyt portretteert ds. J.T. Doornenbal (1909-1975), en knoopt daar een essay over diens christelijk conservatisme aan vast. Spruyts enthousiasme maakt dat hij haast niet stoppen kan, en maar liefst drie appendices toevoegt met teksten van ds. Doornenbal: een lezing over Achterberg, een artikel over Comrie, en een gloedvolle, bevindelijke preek over Jesaja 11. ‘Neem en lees’ roept Spruyt de lezer toe. Wat mij betreft geheel terecht.
Voor wie ds. Doornenbal nog niet kende (en dus reden heeft om zich naar de boekhandel te haasten): hij was een markante, hervormde predikant, bevindelijk gelovige, romanticus en christelijk conservatief. Vooral werd hij bekend door zijn bijdragen aan de Hervormde Kerkbode in de classis Harderwijk. Die staan bol van prachtige natuurbeschrijvingen, en worden verlucht door een zelfspot die weldadig aandoet, zeker in onze tijd.
Spruyt beschouwt Doornenbal  als christelijk conservatief, en plaatst hem bij de stroming van de CHU. Daarvan was Doornenbal nooit lid, maar vooruit: Spruyts punt is aantrekkelijk.  Onder ‘conservatisme’ verstaat Spruyt overigens het verlangen dat alles blijft zoals het nooit geweest is, dus ‘intelligente nostalgie.’
Hier komt Spruyts eigen punt. Christelijk conservatisme kan ons leiden in deze tijd van moreel en cultureel relativisme. Barthianisme en evangelicalisme zijn vaak al te oppervlakkig. Zeer scherp wijst Spruyt een definitie van ‘reformatorisch’ en ‘bevindelijk gereformeerd’ af langs strikt sociologische lijnen. De vroegere redacteur van het Reformatorisch Dagblad weerspreekt hier het proefschrift en de latere pennenvruchten van de voormalig hoofdredacteur van die krant, C.S.L. Janse.
Het uitdagende punt dat Spruyt maakt is dat onze democratie dreigt te verworden tot ochlocratie, de heerschappij van de massa, waar uiteindelijk de vermeende ‘sterke man’ opstaat. Daarom is een gevuld vrijheidsbegrip, dat het christelijk conservatisme levert, zo nodig.
Belangrijk lijkt mij dat Spruyt voor het eerst publiek rekenschap geeft van de expliciet christelijke traditie die voor hem leidend is. Dat Spruyt een conservatief is, is uiteraard geen geheim, en dat de christen Groen van Prinsterer inspiratiebron is voor hedendaags conservatisme, is duidelijk. Maar nu wordt ook het punt gemaakt van een christelijk conservatisme à la Doornenbal. In een argument voor het conservatisme is het Spruyts Doornenbal, maar – als u mij vergunt – die bevalt mij wel.
De preek van Doornenbal waarmee het boek besluit, is meer dan een illustratie bij Spruyts lofrede. Niet alleen is de taal prachtig, op het dichterlijke af, de preek is ook door en door bevindelijk. Ik werd er twee keer jaloers op. Eerst, omdat Doornenbals preek qua stijl en inhoud ‘jaloersmakend’ genoemd mag worden, zo dat de Heere vrezen als het meest aantrekkelijke ter wereld wordt geschilderd. Vervolgens, omdat ik wel wilde enigermate zó te mogen preken – zonder imitatie natuurlijk, want dan verlies je het eigene, maar zo doorleefd en doortinteld van het werk van de Heilige Geest.
Ook Doornenbals katholiciteit doet mij weldadig aan. Een bevindelijk prediker die breed belezen is in de poëzie, en van een geweldige humor blijk geeft, vooral in zelfspot. Daar verlang je toch direct naar. Spruyts boek doet mij eens te meer beseffen hoe onze tijd de neiging heeft de bevinding al enger en gefixeerder te maken, met een ernst waaraan de humor vreemd lijkt. Bonhoeffers woord dat laatste ernst nooit zonder een dosis humor kan zijn, lijkt mij zeer terecht. Daarmee beschuldig ik natuurlijk allereerst mezelf. Ik troost me een beetje met de gedachte dat het ook wel goed is, als dominees allereerst zichzelf onder kritiek (laten) stellen.
Toch heb ik ook nog een vraag, in alle bescheidenheid. Voor zo ver de ‘intelligente nostalgie’ betrekking heeft op wat eeuwig is en goed, lijkt ze me het nastreven waard. Daar komt ze ook in het licht te staan van de verwachting van Gods Rijk. Dan kun je met Doornenbal denken ‘bij dat onbeschrijflijke licht over de bossen en de heuvels van de Veluwe, tot daar waar de zon nooit meer onder gaat en waar de maan haar schijnsel nooit meer in zal trekken, want aldaar zal geen nacht meer wezen, en geen donkerheid, en geen strijd, en geen zending.’
Maar is er ook niet een kant aan die nostalgie die kwalijk functioneren kan, omdat ze door verheerlijking van vroeger tijden leidt tot een zeker escapisme? Zit deze nostalgie er niet achter, waar in reformatorische kring vooral levensbeschrijvingen van ‘oude vromen’ goed lijken te verkopen? Zou dat zelfs niet kunnen leiden tot ongehoorzaamheid, omdat we niet erkennen dat de Heere ook in onze tijd Koning is, en ons in Zijn voorzienigheid in deze tijd plaatst? Ik zeg niet, dat dit bij Doornenbal het geval is, nog veel minder bij Spruyt. Maar het lijkt me wel goed om de vraag op te werpen. Laat de nostalgie steeds gedragen worden door het heimwee naar thuis. Dan komt het goed.

Dorsvloer vol confetti

Franca Treur heeft een indrukwekkend boek geschreven over een opgroeiend refomeisje in Zeeland: Dorsvloer vol confetti. Enny de Bruin recenseerde het voor het Reformatorisch Dagblad, en Rudy Ligtenberg interviewde haar voor dezelfde krant. Op 24 november is ze overigens te gast bij Netwerk.
Indrukwekkend is dit boek om een aantal redenen. Allereerst proef je de liefde tot het bevindelijke milieu waar ze uit komt. Geen spoor van de frustratie die het werk van Maarten ’t Hart zo kenmerkt. En vervolgens lijkt mij het beeld dat ze schetst heel adequaat. Heel anders dan bijvoorbeeld Siebelinks Knielen op een bed violen. Daarbij vond ik het storend dat er allerlei uitdrukkingen werden gepresenteerd als tale Kanaäns die dat in het geheel niet zijn. Daardoor werkt Siebelink vervreemdend, terwijl Franca Treur juist dichtbij komt. Het beeld dat ze schetst, is geen karikatuur, maar is juist levensecht.
Het meest indrukwekkend vind ik echter wel dat Katelijne, de hoofdpersoon van het boek, echt wel bidt om vergeving van zonden, wel op een bepaalde manier zoekt, maar niet vindt. Uit het interview blijkt dit sterk autobiografisch te zijn: Franca Treur heeft nooit persoonlijk ervaren dat God bestaat.
Daarmee legt dit boek een aantal vragen op tafel waar je als reformatorisch predikant moeilijk omheen kunt. Katelijne heeft een bekeerde oma, die op haar manier probeert Katelijne jaloers te maken. Ze gaat trouw naar de kerk, is niet onverschillig, maar stelt zichzelf juist tal van vragen. Maar die vragen konden niet worden benoemd, er was geen plaats voor. Want eigenlijk was iedereen toch eigenlijk in wat anders geïnteresseerd: moeder in haar tuin, vader in de koeien, de ouderlingen in meester Wisse die voorbij fietst, en oma in zichzelf en in andere bekeerde mensen.
Wat ik uit dit boek oppik voor de praktijk van prediking en pastoraat is: wat is het belangrijk om écht oog te hebben voor jongeren, met al hun vragen. En meer nog: wat is het nodig dat er echte ‘leesbare brieven van Christus’ zijn, die niet alleen iets weten te zeggen over hoe God een mens bekeert, maar die ook echt in heel hun leven de Heere vrezen.
De titel van het boek is ontleend aan Katelijnes grootste daad van verzet, die tegelijk een daad van liefde is: voor de bruiloft maakt ze dozen vol confetti. Kerkbladen worden vermalen tot een nieuw verband van letters, symbool van vrijheid en openheid. Ik vind dat een ontroerend beeld.
Voor mij ligt die vrijheid in het evangelie. Ik ben ongeveer even oud als Franca Treur, en ik heb niet die ervaring van een opeenstapeling van geboden, maar heb juist in de rechtvaardiging van de goddeloze een vrijheid mogen vinden die ik nergens ter wereld elders vind. Wat maakt dat verschil? Het is een kwestie van genade, denk ik, maar niet slechts op een wat defaitistische manier die zegt dat de een nu eenmaal ontvangt, de ander niet. Dat is me te gemakkelijk.
Preken we, preek ik, wel genoeg dat het evangelie bevrijding betekent? Op een manier die aanspreekt, hout snijdt, in deze tijd? Die gedachte laat me voorlopig nog even niet los.

Dorsvloer vol confetti

Franca Treur heeft een indrukwekkend boek geschreven over een opgroeiend refomeisje in Zeeland: Dorsvloer vol confetti. Enny de Bruin recenseerde het voor het Reformatorisch Dagblad, en Rudy Ligtenberg interviewde haar voor dezelfde krant. Op 24 november is ze overigens te gast bij Netwerk.
Indrukwekkend is dit boek om een aantal redenen. Allereerst proef je de liefde tot het bevindelijke milieu waar ze uit komt. Geen spoor van de frustratie die het werk van Maarten ’t Hart zo kenmerkt. En vervolgens lijkt mij het beeld dat ze schetst heel adequaat. Heel anders dan bijvoorbeeld Siebelinks Knielen op een bed violen. Daarbij vond ik het storend dat er allerlei uitdrukkingen werden gepresenteerd als tale Kanaäns die dat in het geheel niet zijn. Daardoor werkt Siebelink vervreemdend, terwijl Franca Treur juist dichtbij komt. Het beeld dat ze schetst, is geen karikatuur, maar is juist levensecht.
Het meest indrukwekkend vind ik echter wel dat Katelijne, de hoofdpersoon van het boek, echt wel bidt om vergeving van zonden, wel op een bepaalde manier zoekt, maar niet vindt. Uit het interview blijkt dit sterk autobiografisch te zijn: Franca Treur heeft nooit persoonlijk ervaren dat God bestaat.
Daarmee legt dit boek een aantal vragen op tafel waar je als reformatorisch predikant moeilijk omheen kunt. Katelijne heeft een bekeerde oma, die op haar manier probeert Katelijne jaloers te maken. Ze gaat trouw naar de kerk, is niet onverschillig, maar stelt zichzelf juist tal van vragen. Maar die vragen konden niet worden benoemd, er was geen plaats voor. Want eigenlijk was iedereen toch eigenlijk in wat anders geïnteresseerd: moeder in haar tuin, vader in de koeien, de ouderlingen in meester Wisse die voorbij fietst, en oma in zichzelf en in andere bekeerde mensen.
Wat ik uit dit boek oppik voor de praktijk van prediking en pastoraat is: wat is het belangrijk om écht oog te hebben voor jongeren, met al hun vragen. En meer nog: wat is het nodig dat er echte ‘leesbare brieven van Christus’ zijn, die niet alleen iets weten te zeggen over hoe God een mens bekeert, maar die ook echt in heel hun leven de Heere vrezen.
De titel van het boek is ontleend aan Katelijnes grootste daad van verzet, die tegelijk een daad van liefde is: voor de bruiloft maakt ze dozen vol confetti. Kerkbladen worden vermalen tot een nieuw verband van letters, symbool van vrijheid en openheid. Ik vind dat een ontroerend beeld.
Voor mij ligt die vrijheid in het evangelie. Ik ben ongeveer even oud als Franca Treur, en ik heb niet die ervaring van een opeenstapeling van geboden, maar heb juist in de rechtvaardiging van de goddeloze een vrijheid mogen vinden die ik nergens ter wereld elders vind. Wat maakt dat verschil? Het is een kwestie van genade, denk ik, maar niet slechts op een wat defaitistische manier die zegt dat de een nu eenmaal ontvangt, de ander niet. Dat is me te gemakkelijk.
Preken we, preek ik, wel genoeg dat het evangelie bevrijding betekent? Op een manier die aanspreekt, hout snijdt, in deze tijd? Die gedachte laat me voorlopig nog even niet los.

Wat zongen Paulus en Silas?

Via Refoweb kreeg ik de volgende vraag:
Aan ds. A. Huijgen. Laatst hoorde ik een preek van u waarin u zei dat Paulus en Silas in de gevangenis psalmen zongen. Ik heb altijd begrepen dat de psalmen pas in de zestiende eeuw zijn berijmd. Nu is mijn vraag: Wat voor liederen zongen Paulus en Silas in de gevangenis? En, wat voor geestelijke liederen zongen ze in de bijbelse tijd?


Beste vraagsteller,
Dank voor je vraag. Secuur geluisterd naar de preek, en dat is fijn!
Het klopt dat de berijmde psalmen zoals wij ze kennen, pas in de tijd van de Reformatie zijn gevormd. Wat zongen Paulus en Silas? Het Grieks van Hand. 16:25 zegt dat ze ‘hymnen’, dat is: lofzangen, zongen. In Mattheüs 26:30 is dat een aanduiding voor de Psalmen uit de Paasliturgie. In de Griekse vertaling van het Oude Testament, de zogenaamde Septuaginta, worden de ‘Psalmen van David’ (2 Kron. 7:6) ook met deze term aangeduid. In het Nieuwe Testament vinden we deze term verder nog in Ef. 5:19,  Kol. 3:16.
Als we al deze gegevens op een rij zetten, kunnen we nog niet met zekerheid zeggen wat Paulus en Silas precies zongen, maar het is zeer waarschijnlijk dat de Psalmen bedoeld zijn. Niet berijmd zoals die van ons, maar op een andere manier gezongen. De Psalmen werden gezongen, zo veel is duidelijk, maar hoe precies? Dat weet ik ook niet.

 

Wat voor geestelijke liederen werden er in de Nieuwtestamentische tijd gezongen? Er zijn bepaalde gedeelten in het Nieuwe Testament die wel beschouwd worden als een soort ‘hymnen’, denk bijvoorbeeld aan Filippenzen 2:6-11 en 1 Timotheüs 3:16. In Efeze 5:19 (en Kol. 3:16) lezen we: “Sprekende onder elkander met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende den Heere in uw hart.” De vraag voor de uitleg van dat vers is: zijn ‘psalmen, lofzangen en geestelijke liederen’ drie geheel verschillende categorieën (met andere woorden: is een ‘lofzang’ géén ‘psalm’), óf zijn het drie benamingen voor de Oudtestamentische Psalmen? Dat laatste zou goed kunnen, omdat de Septuaginta (Griekse vertaling van het Nieuwe Testament) deze termen daadwerkelijk gebruikt voor verschillende Psalmen.
Met vriendelijke groet,
A. Huijgen vdm
PS: ik vermoed dat het om deze preek gaat.

 

Kameel en naald

Via de vragenrubriek van ons kerkblad kreeg ik de volgende vraag:
De Heere Jezus zegt in Lukas 18:25: Het is lichter dat een kemel gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods ingaat. Dit wordt vaak uitgelegd met het beeld van een kameel (als beest) en het oog van de naald (als ‘handwerk-instrument’). Maar ik heb ook wel eens gehoord dat een klein poortje naast de grote poort van een stad ook het oog van de naald werd genoemd, waar de kamelen nauwelijks doorheen konden. En uitleg drie die ik wel eens hoor is dat een kemel een ander woord is voor kabel. Het is voor de strekking van de woorden van Jezus misschien niet zo relevant, maar ik vraag me wel eens af wat hier dan echt bedoeld wordt.

Inderdaad: de strekking van het beeld is duidelijk: het gaat om iets buitengewoon onwaarschijnlijks, iets dat over de grenzen van ons voorstellingsvermogen heen gaat. Maar: is een kameel een kameel en is een naald een naald?
Kameel = kameel
Om bij die kameel te beginnen: er zijn Griekse handschriften die het woord ‘kabeltouw’ hebben. Zo vreemd is dat niet als we bedenken dat kameel in de Griekse tekst kamèlon is en kabeltouw kamilon. Eén letter verschil dus, die rond die tijd ook nog eens hetzelfde werd uitgesproken; dus è klonk ook als i. Stel je dan een situatie voor waarin één persoon de tekst voorleest en er meerdere mensen het gedicteerde opschrijven, en je kunt je voorstellen dat iemand die kamilon hoort, eerder aan een kabeltouw denkt dat door een naald moet dan aan een kameel. Daarom is het duidelijk dat ‘kabeltouw’ een verschrijving is. Want iemand die ‘kameel’ hoort vult in gedachten wél ‘kabel’ in, maar iemand die ‘kabel’ hoort, denkt niet aan een kameel. Dus: ja, het is een kameel.
Naald = naald
Dan dat oog van de naald. Ik ken de uitleg dat een klein poortje naast de hoofdpoort bedoeld is, dat dan ‘het oog van de naald’ zou heten, al vind ik die uitleg eigenlijk in commentaren niet terug. Maar die uitleg lijkt mij minder waarschijnlijk, hoewel niet onmogelijk, omdat ze een zelfde soort beweging laat zien als de uitleg met ‘kabel’: een verzachting van het beeld. Want die kameel kon waarschijnlijk wel door dat poortje heen, maar een kameel (groot, log) door het oog van een naald, daar was geen beginnen aan. Waarschijnlijk is het zó onwaarschijnlijk dat een rijke ingaat in het Koninkrijk der hemelen.
Rijk en arm
Dat is een moeilijk te verteren boodschap voor ons. Toch: het is opvallend dat Lukas steeds de armen aan Gods kant plaatst, en de rijken buiten het Koninkrijk. Dat is een scherpe waarschuwing. Maar daarbij moeten we wel bedenken dat het niet allereerst om de financiële positie gaat, maar om de levensstijl van de rijke, die God niet meent nodig te hebben. De gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus, dat we alleen bij de evangelist Lukas vinden, is het beste voorbeeld. De rijke man leeft “alle dag vrolijk en prachtig,” maar blijkbaar zonder God. De arme Lazarus daarentegen, bedelaar die hij is, wordt in de schoot van Abraham gedragen.
Kortom: een aansporing aan ons om niet rijk te zijn in onszelf en in deze wereld, maar arm in onszelf. “Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.” (Luk. 6:20).

Tja.

Een weblog aangemaakt. Omdat Twitter met z’n 140 tekens soms wat te beperkt is. Eens met vriend AThvO. Eens kijken hoe het bevalt.
Overigens is de afbeelding hierboven een onderdeel van het Isenheimer Altar. Het beeldt Johannes de Doper af. Hij is één en al wijsvinger. Hij wijst naar de gekruisigde Christus. De Latijnse tekst betekent: “Hij moet groeien, ik moet minder worden.” Dat lijkt me een uitermate geschikt thema voor een weblog van een dienaar van het Woord.