Doornenbal en Spruyt

Wat een inspirerend boek is Als je eenmaal hebt liefgehad. Bart Jan Spruyt portretteert ds. J.T. Doornenbal (1909-1975), en knoopt daar een essay over diens christelijk conservatisme aan vast. Spruyts enthousiasme maakt dat hij haast niet stoppen kan, en maar liefst drie appendices toevoegt met teksten van ds. Doornenbal: een lezing over Achterberg, een artikel over Comrie, en een gloedvolle, bevindelijke preek over Jesaja 11. ‘Neem en lees’ roept Spruyt de lezer toe. Wat mij betreft geheel terecht.
Voor wie ds. Doornenbal nog niet kende (en dus reden heeft om zich naar de boekhandel te haasten): hij was een markante, hervormde predikant, bevindelijk gelovige, romanticus en christelijk conservatief. Vooral werd hij bekend door zijn bijdragen aan de Hervormde Kerkbode in de classis Harderwijk. Die staan bol van prachtige natuurbeschrijvingen, en worden verlucht door een zelfspot die weldadig aandoet, zeker in onze tijd.
Spruyt beschouwt Doornenbal  als christelijk conservatief, en plaatst hem bij de stroming van de CHU. Daarvan was Doornenbal nooit lid, maar vooruit: Spruyts punt is aantrekkelijk.  Onder ‘conservatisme’ verstaat Spruyt overigens het verlangen dat alles blijft zoals het nooit geweest is, dus ‘intelligente nostalgie.’
Hier komt Spruyts eigen punt. Christelijk conservatisme kan ons leiden in deze tijd van moreel en cultureel relativisme. Barthianisme en evangelicalisme zijn vaak al te oppervlakkig. Zeer scherp wijst Spruyt een definitie van ‘reformatorisch’ en ‘bevindelijk gereformeerd’ af langs strikt sociologische lijnen. De vroegere redacteur van het Reformatorisch Dagblad weerspreekt hier het proefschrift en de latere pennenvruchten van de voormalig hoofdredacteur van die krant, C.S.L. Janse.
Het uitdagende punt dat Spruyt maakt is dat onze democratie dreigt te verworden tot ochlocratie, de heerschappij van de massa, waar uiteindelijk de vermeende ‘sterke man’ opstaat. Daarom is een gevuld vrijheidsbegrip, dat het christelijk conservatisme levert, zo nodig.
Belangrijk lijkt mij dat Spruyt voor het eerst publiek rekenschap geeft van de expliciet christelijke traditie die voor hem leidend is. Dat Spruyt een conservatief is, is uiteraard geen geheim, en dat de christen Groen van Prinsterer inspiratiebron is voor hedendaags conservatisme, is duidelijk. Maar nu wordt ook het punt gemaakt van een christelijk conservatisme à la Doornenbal. In een argument voor het conservatisme is het Spruyts Doornenbal, maar – als u mij vergunt – die bevalt mij wel.
De preek van Doornenbal waarmee het boek besluit, is meer dan een illustratie bij Spruyts lofrede. Niet alleen is de taal prachtig, op het dichterlijke af, de preek is ook door en door bevindelijk. Ik werd er twee keer jaloers op. Eerst, omdat Doornenbals preek qua stijl en inhoud ‘jaloersmakend’ genoemd mag worden, zo dat de Heere vrezen als het meest aantrekkelijke ter wereld wordt geschilderd. Vervolgens, omdat ik wel wilde enigermate zó te mogen preken – zonder imitatie natuurlijk, want dan verlies je het eigene, maar zo doorleefd en doortinteld van het werk van de Heilige Geest.
Ook Doornenbals katholiciteit doet mij weldadig aan. Een bevindelijk prediker die breed belezen is in de poëzie, en van een geweldige humor blijk geeft, vooral in zelfspot. Daar verlang je toch direct naar. Spruyts boek doet mij eens te meer beseffen hoe onze tijd de neiging heeft de bevinding al enger en gefixeerder te maken, met een ernst waaraan de humor vreemd lijkt. Bonhoeffers woord dat laatste ernst nooit zonder een dosis humor kan zijn, lijkt mij zeer terecht. Daarmee beschuldig ik natuurlijk allereerst mezelf. Ik troost me een beetje met de gedachte dat het ook wel goed is, als dominees allereerst zichzelf onder kritiek (laten) stellen.
Toch heb ik ook nog een vraag, in alle bescheidenheid. Voor zo ver de ‘intelligente nostalgie’ betrekking heeft op wat eeuwig is en goed, lijkt ze me het nastreven waard. Daar komt ze ook in het licht te staan van de verwachting van Gods Rijk. Dan kun je met Doornenbal denken ‘bij dat onbeschrijflijke licht over de bossen en de heuvels van de Veluwe, tot daar waar de zon nooit meer onder gaat en waar de maan haar schijnsel nooit meer in zal trekken, want aldaar zal geen nacht meer wezen, en geen donkerheid, en geen strijd, en geen zending.’
Maar is er ook niet een kant aan die nostalgie die kwalijk functioneren kan, omdat ze door verheerlijking van vroeger tijden leidt tot een zeker escapisme? Zit deze nostalgie er niet achter, waar in reformatorische kring vooral levensbeschrijvingen van ‘oude vromen’ goed lijken te verkopen? Zou dat zelfs niet kunnen leiden tot ongehoorzaamheid, omdat we niet erkennen dat de Heere ook in onze tijd Koning is, en ons in Zijn voorzienigheid in deze tijd plaatst? Ik zeg niet, dat dit bij Doornenbal het geval is, nog veel minder bij Spruyt. Maar het lijkt me wel goed om de vraag op te werpen. Laat de nostalgie steeds gedragen worden door het heimwee naar thuis. Dan komt het goed.

Dorsvloer vol confetti

Franca Treur heeft een indrukwekkend boek geschreven over een opgroeiend refomeisje in Zeeland: Dorsvloer vol confetti. Enny de Bruin recenseerde het voor het Reformatorisch Dagblad, en Rudy Ligtenberg interviewde haar voor dezelfde krant. Op 24 november is ze overigens te gast bij Netwerk.
Indrukwekkend is dit boek om een aantal redenen. Allereerst proef je de liefde tot het bevindelijke milieu waar ze uit komt. Geen spoor van de frustratie die het werk van Maarten ’t Hart zo kenmerkt. En vervolgens lijkt mij het beeld dat ze schetst heel adequaat. Heel anders dan bijvoorbeeld Siebelinks Knielen op een bed violen. Daarbij vond ik het storend dat er allerlei uitdrukkingen werden gepresenteerd als tale Kanaäns die dat in het geheel niet zijn. Daardoor werkt Siebelink vervreemdend, terwijl Franca Treur juist dichtbij komt. Het beeld dat ze schetst, is geen karikatuur, maar is juist levensecht.
Het meest indrukwekkend vind ik echter wel dat Katelijne, de hoofdpersoon van het boek, echt wel bidt om vergeving van zonden, wel op een bepaalde manier zoekt, maar niet vindt. Uit het interview blijkt dit sterk autobiografisch te zijn: Franca Treur heeft nooit persoonlijk ervaren dat God bestaat.
Daarmee legt dit boek een aantal vragen op tafel waar je als reformatorisch predikant moeilijk omheen kunt. Katelijne heeft een bekeerde oma, die op haar manier probeert Katelijne jaloers te maken. Ze gaat trouw naar de kerk, is niet onverschillig, maar stelt zichzelf juist tal van vragen. Maar die vragen konden niet worden benoemd, er was geen plaats voor. Want eigenlijk was iedereen toch eigenlijk in wat anders geïnteresseerd: moeder in haar tuin, vader in de koeien, de ouderlingen in meester Wisse die voorbij fietst, en oma in zichzelf en in andere bekeerde mensen.
Wat ik uit dit boek oppik voor de praktijk van prediking en pastoraat is: wat is het belangrijk om écht oog te hebben voor jongeren, met al hun vragen. En meer nog: wat is het nodig dat er echte ‘leesbare brieven van Christus’ zijn, die niet alleen iets weten te zeggen over hoe God een mens bekeert, maar die ook echt in heel hun leven de Heere vrezen.
De titel van het boek is ontleend aan Katelijnes grootste daad van verzet, die tegelijk een daad van liefde is: voor de bruiloft maakt ze dozen vol confetti. Kerkbladen worden vermalen tot een nieuw verband van letters, symbool van vrijheid en openheid. Ik vind dat een ontroerend beeld.
Voor mij ligt die vrijheid in het evangelie. Ik ben ongeveer even oud als Franca Treur, en ik heb niet die ervaring van een opeenstapeling van geboden, maar heb juist in de rechtvaardiging van de goddeloze een vrijheid mogen vinden die ik nergens ter wereld elders vind. Wat maakt dat verschil? Het is een kwestie van genade, denk ik, maar niet slechts op een wat defaitistische manier die zegt dat de een nu eenmaal ontvangt, de ander niet. Dat is me te gemakkelijk.
Preken we, preek ik, wel genoeg dat het evangelie bevrijding betekent? Op een manier die aanspreekt, hout snijdt, in deze tijd? Die gedachte laat me voorlopig nog even niet los.

Dorsvloer vol confetti

Franca Treur heeft een indrukwekkend boek geschreven over een opgroeiend refomeisje in Zeeland: Dorsvloer vol confetti. Enny de Bruin recenseerde het voor het Reformatorisch Dagblad, en Rudy Ligtenberg interviewde haar voor dezelfde krant. Op 24 november is ze overigens te gast bij Netwerk.
Indrukwekkend is dit boek om een aantal redenen. Allereerst proef je de liefde tot het bevindelijke milieu waar ze uit komt. Geen spoor van de frustratie die het werk van Maarten ’t Hart zo kenmerkt. En vervolgens lijkt mij het beeld dat ze schetst heel adequaat. Heel anders dan bijvoorbeeld Siebelinks Knielen op een bed violen. Daarbij vond ik het storend dat er allerlei uitdrukkingen werden gepresenteerd als tale Kanaäns die dat in het geheel niet zijn. Daardoor werkt Siebelink vervreemdend, terwijl Franca Treur juist dichtbij komt. Het beeld dat ze schetst, is geen karikatuur, maar is juist levensecht.
Het meest indrukwekkend vind ik echter wel dat Katelijne, de hoofdpersoon van het boek, echt wel bidt om vergeving van zonden, wel op een bepaalde manier zoekt, maar niet vindt. Uit het interview blijkt dit sterk autobiografisch te zijn: Franca Treur heeft nooit persoonlijk ervaren dat God bestaat.
Daarmee legt dit boek een aantal vragen op tafel waar je als reformatorisch predikant moeilijk omheen kunt. Katelijne heeft een bekeerde oma, die op haar manier probeert Katelijne jaloers te maken. Ze gaat trouw naar de kerk, is niet onverschillig, maar stelt zichzelf juist tal van vragen. Maar die vragen konden niet worden benoemd, er was geen plaats voor. Want eigenlijk was iedereen toch eigenlijk in wat anders geïnteresseerd: moeder in haar tuin, vader in de koeien, de ouderlingen in meester Wisse die voorbij fietst, en oma in zichzelf en in andere bekeerde mensen.
Wat ik uit dit boek oppik voor de praktijk van prediking en pastoraat is: wat is het belangrijk om écht oog te hebben voor jongeren, met al hun vragen. En meer nog: wat is het nodig dat er echte ‘leesbare brieven van Christus’ zijn, die niet alleen iets weten te zeggen over hoe God een mens bekeert, maar die ook echt in heel hun leven de Heere vrezen.
De titel van het boek is ontleend aan Katelijnes grootste daad van verzet, die tegelijk een daad van liefde is: voor de bruiloft maakt ze dozen vol confetti. Kerkbladen worden vermalen tot een nieuw verband van letters, symbool van vrijheid en openheid. Ik vind dat een ontroerend beeld.
Voor mij ligt die vrijheid in het evangelie. Ik ben ongeveer even oud als Franca Treur, en ik heb niet die ervaring van een opeenstapeling van geboden, maar heb juist in de rechtvaardiging van de goddeloze een vrijheid mogen vinden die ik nergens ter wereld elders vind. Wat maakt dat verschil? Het is een kwestie van genade, denk ik, maar niet slechts op een wat defaitistische manier die zegt dat de een nu eenmaal ontvangt, de ander niet. Dat is me te gemakkelijk.
Preken we, preek ik, wel genoeg dat het evangelie bevrijding betekent? Op een manier die aanspreekt, hout snijdt, in deze tijd? Die gedachte laat me voorlopig nog even niet los.

Wat zongen Paulus en Silas?

Via Refoweb kreeg ik de volgende vraag:
Aan ds. A. Huijgen. Laatst hoorde ik een preek van u waarin u zei dat Paulus en Silas in de gevangenis psalmen zongen. Ik heb altijd begrepen dat de psalmen pas in de zestiende eeuw zijn berijmd. Nu is mijn vraag: Wat voor liederen zongen Paulus en Silas in de gevangenis? En, wat voor geestelijke liederen zongen ze in de bijbelse tijd?


Beste vraagsteller,
Dank voor je vraag. Secuur geluisterd naar de preek, en dat is fijn!
Het klopt dat de berijmde psalmen zoals wij ze kennen, pas in de tijd van de Reformatie zijn gevormd. Wat zongen Paulus en Silas? Het Grieks van Hand. 16:25 zegt dat ze ‘hymnen’, dat is: lofzangen, zongen. In Mattheüs 26:30 is dat een aanduiding voor de Psalmen uit de Paasliturgie. In de Griekse vertaling van het Oude Testament, de zogenaamde Septuaginta, worden de ‘Psalmen van David’ (2 Kron. 7:6) ook met deze term aangeduid. In het Nieuwe Testament vinden we deze term verder nog in Ef. 5:19,  Kol. 3:16.
Als we al deze gegevens op een rij zetten, kunnen we nog niet met zekerheid zeggen wat Paulus en Silas precies zongen, maar het is zeer waarschijnlijk dat de Psalmen bedoeld zijn. Niet berijmd zoals die van ons, maar op een andere manier gezongen. De Psalmen werden gezongen, zo veel is duidelijk, maar hoe precies? Dat weet ik ook niet.

 

Wat voor geestelijke liederen werden er in de Nieuwtestamentische tijd gezongen? Er zijn bepaalde gedeelten in het Nieuwe Testament die wel beschouwd worden als een soort ‘hymnen’, denk bijvoorbeeld aan Filippenzen 2:6-11 en 1 Timotheüs 3:16. In Efeze 5:19 (en Kol. 3:16) lezen we: “Sprekende onder elkander met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende den Heere in uw hart.” De vraag voor de uitleg van dat vers is: zijn ‘psalmen, lofzangen en geestelijke liederen’ drie geheel verschillende categorieën (met andere woorden: is een ‘lofzang’ géén ‘psalm’), óf zijn het drie benamingen voor de Oudtestamentische Psalmen? Dat laatste zou goed kunnen, omdat de Septuaginta (Griekse vertaling van het Nieuwe Testament) deze termen daadwerkelijk gebruikt voor verschillende Psalmen.
Met vriendelijke groet,
A. Huijgen vdm
PS: ik vermoed dat het om deze preek gaat.

 

Kameel en naald

Via de vragenrubriek van ons kerkblad kreeg ik de volgende vraag:
De Heere Jezus zegt in Lukas 18:25: Het is lichter dat een kemel gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods ingaat. Dit wordt vaak uitgelegd met het beeld van een kameel (als beest) en het oog van de naald (als ‘handwerk-instrument’). Maar ik heb ook wel eens gehoord dat een klein poortje naast de grote poort van een stad ook het oog van de naald werd genoemd, waar de kamelen nauwelijks doorheen konden. En uitleg drie die ik wel eens hoor is dat een kemel een ander woord is voor kabel. Het is voor de strekking van de woorden van Jezus misschien niet zo relevant, maar ik vraag me wel eens af wat hier dan echt bedoeld wordt.

Inderdaad: de strekking van het beeld is duidelijk: het gaat om iets buitengewoon onwaarschijnlijks, iets dat over de grenzen van ons voorstellingsvermogen heen gaat. Maar: is een kameel een kameel en is een naald een naald?
Kameel = kameel
Om bij die kameel te beginnen: er zijn Griekse handschriften die het woord ‘kabeltouw’ hebben. Zo vreemd is dat niet als we bedenken dat kameel in de Griekse tekst kamèlon is en kabeltouw kamilon. Eén letter verschil dus, die rond die tijd ook nog eens hetzelfde werd uitgesproken; dus è klonk ook als i. Stel je dan een situatie voor waarin één persoon de tekst voorleest en er meerdere mensen het gedicteerde opschrijven, en je kunt je voorstellen dat iemand die kamilon hoort, eerder aan een kabeltouw denkt dat door een naald moet dan aan een kameel. Daarom is het duidelijk dat ‘kabeltouw’ een verschrijving is. Want iemand die ‘kameel’ hoort vult in gedachten wél ‘kabel’ in, maar iemand die ‘kabel’ hoort, denkt niet aan een kameel. Dus: ja, het is een kameel.
Naald = naald
Dan dat oog van de naald. Ik ken de uitleg dat een klein poortje naast de hoofdpoort bedoeld is, dat dan ‘het oog van de naald’ zou heten, al vind ik die uitleg eigenlijk in commentaren niet terug. Maar die uitleg lijkt mij minder waarschijnlijk, hoewel niet onmogelijk, omdat ze een zelfde soort beweging laat zien als de uitleg met ‘kabel’: een verzachting van het beeld. Want die kameel kon waarschijnlijk wel door dat poortje heen, maar een kameel (groot, log) door het oog van een naald, daar was geen beginnen aan. Waarschijnlijk is het zó onwaarschijnlijk dat een rijke ingaat in het Koninkrijk der hemelen.
Rijk en arm
Dat is een moeilijk te verteren boodschap voor ons. Toch: het is opvallend dat Lukas steeds de armen aan Gods kant plaatst, en de rijken buiten het Koninkrijk. Dat is een scherpe waarschuwing. Maar daarbij moeten we wel bedenken dat het niet allereerst om de financiële positie gaat, maar om de levensstijl van de rijke, die God niet meent nodig te hebben. De gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus, dat we alleen bij de evangelist Lukas vinden, is het beste voorbeeld. De rijke man leeft “alle dag vrolijk en prachtig,” maar blijkbaar zonder God. De arme Lazarus daarentegen, bedelaar die hij is, wordt in de schoot van Abraham gedragen.
Kortom: een aansporing aan ons om niet rijk te zijn in onszelf en in deze wereld, maar arm in onszelf. “Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.” (Luk. 6:20).

Tja.

Een weblog aangemaakt. Omdat Twitter met z’n 140 tekens soms wat te beperkt is. Eens met vriend AThvO. Eens kijken hoe het bevalt.
Overigens is de afbeelding hierboven een onderdeel van het Isenheimer Altar. Het beeldt Johannes de Doper af. Hij is één en al wijsvinger. Hij wijst naar de gekruisigde Christus. De Latijnse tekst betekent: “Hij moet groeien, ik moet minder worden.” Dat lijkt me een uitermate geschikt thema voor een weblog van een dienaar van het Woord.