Zeggen wat we hopen (column RefDag 3 jan.)

Het is inmiddels traditie dat Geert Wilders direct kritisch reageert op de kersttoespraak van Koningin Beatrix. Alleen de spelfout in zijn tweet was nieuw. Wilders deed de onzinnige suggestie dat de Majesteit wel lid kon zijn van GroenLinks, vanwege haar aandacht voor duurzaamheid. Dat leidde de aandacht af van het slot van de kersttoespraak, die het nihilisme van politici als Wilders in het hart treft. “Laten wij zeggen wat wij hopen en doen wat wij kunnen.”
Zeggen wat we hopen? Sinds Pim Fortuyn, of eigenlijk al langer, is het bon ton om vooral te zeggen wat je dénkt. Niet omfloerst maar direct, niet wegkijken maar de realiteit onder ogen zien. Dat heeft ons veel duidelijke spierballentaal en zelfs verbaal geweld opgeleverd. Iedereen zegt tegenwoordig wat hij denkt, soms dertig keer per dag via Twitter. Over de kleinste dingen buitelen de opinies over elkaar. Soms tactvol, vaak lomp of zelfs kwetsend. De vrijheid van meningsuiting dient als excuus voor een stormvloed van opinies.
Laten we eens even niets vinden van het zoveelste incident, maar bij de grote vragen stilstaan. Waar gaat het eigenlijk om? Wat is werkelijk waardevol? Welke samenleving staat ons voor ogen voor onze kinderen en kleinkinderen? Die bezinning ontbreekt vaak, niet alleen in de politiek (waar is Wilders eigenlijk vóór? Of onze premier?), maar ook in de samenleving. Dus worden de middelen doelen, en gaat het draaien om geld en macht.
Het begin van een nieuw jaar is een natuurlijk moment om te herijken, verder te kijken dan de enkele bomen die we aan het omzagen zijn en ons af te vragen of we ons in het goede bos bevinden en hoe het met dat bos verder moet.
Voor een christen is rekenschap geven van de hoop die in je is, wezenlijk: de hoop op Jezus Christus en Gods Koninkrijk. Dat zet alle dingen in een nieuw licht, en geeft moed voor jezelf en voor de wereld. Het laat je ook zien waar je geroepen bent te dienen.
Vervolgens ‘doen wat we kunnen.’ Nuchter en bescheiden. Wij halen wat wij hopen niet met een grote greep naar ons toe, overschreeuwen onszelf ook niet, maar dienen nuchter en bescheiden voort. Dan hoef je ook niet altijd alles te zeggen wat je denkt. Bijkomend voordeel: als je dan wél uitspreekt wat je hoopt, maak je ook meer kans gehoord te worden. Zo hoopt ook onze Koningin.

Vrede op aarde

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van gisteren (20-12-2011).

Vrede op aarde, zongen de engelen in de Kerstnacht. Het was toen niet te zien en het is nog niet te zien. Het is een geloofszaak. Geweld voert de boventoon.
De christelijke minderheid in Egypte wordt hoe langer hoe meer gediscrimineerd en onderdrukt, terwijl het Egyptische leger op een schaamteloze manier optreedt tegen alles wat mogelijk dissident is. De zogenaamde Arabische lente gaat met veel bloed gepaard en maakt het perspectief voor christenen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten allengs somberder. En niet alleen voor hen: de democratisering waar velen in de Westerse wereld op hoopten, blijkt vooral op islamisering uit te lopen. Als wij straks in onze veilige kerkgebouwen ongestoord kunnen samenkomen, is er alle reden om te bidden voor broeders en zusters die het steeds moeilijker krijgen.
Ook in ons land is van ‘vrede op aarde’ weinig te zien. Integendeel: hoe langer hoe meer lijkt de consensus zich af te tekenen dat alle religie in de kern gewelddadig is. Men gooit voor het gemak islamitisch gemotiveerd terroristisch geweld op één hoop met andere vormen van ‘geweld’. Religie leidt tot geweld tegen dieren, en daarom moet de godsdienstvrijheid maar worden ingeperkt, vindt de dierenpartij, en met haar een meerderheid van ons volk. Bij seculiere kranten en tv-programma’s mocht Marianne Thieme uithuilen over die vervelende Eerste Kamer, die zich zo politiek zou hebben opgesteld, als was het de Tweede Kamer. Dat was juist niet het geval, de argumenten waren van hoogst principiële kwaliteit. Maar het beeld is bevestigd: religie gaat gepaard met geweld.
Verontrustend, vooral omdat in de zaak van het misbruik in rooms-katholieke kring dienaren van de kerk zelf zich schuldig hebben gemaakt aan seksueel geweld. Schokkend om te beseffen dat weerloze jonge kinderen soms jarenlang het slachtoffer werden van dit geweld. Voor dat leed zijn geen woorden. De kerk moet een veilige plek zijn.
In de beeldvorming wordt echter alles al snel op de ene hoop van religie geveegd. Daardoor staat godsdienst er op als achterlijke, gewelddadige ideologie en orthodoxie als iets engs. Hoe kan de kerk in deze context geloofwaardig spreken over vrede op aarde? Laten we benadrukken dat niet wij de vrede op aarde maken, dat kerkmensen niet een soort natuurlijke morele superioriteit hebben. Jezus Christus wilde alle geweld ondergaan, tot het laatste toe, om degenen die Hem geweld aandeden, te bevrijden en te verzoenen met God. Hij breekt de keten van geweld. Hij is onze vrede, schrijft Paulus. Dus toch: vrede op aarde.
Gezegend Kerstfeest toegewenst.

Christen op Twitter

Voor de lustrumbundel van het Utrechtse dispuut Sola Scriptura (CSFR) schreef ik een bijdrage over ‘Christen op Twitter’. Gepubliceerd in Caroline Quint e.a. (red.), Nothing Personal. Van verkenning van jezelf tot verbinding met de ander, Lustrumbundel Sola Scriptura, [z.p.], 2011, 54-59.
Met toestemming van Sola Scriptura (waarvoor dank) neem ik de bijdrage hier over, met de kanttekening dat de bijdrage een tikkeltje gedateerd is: het RD is tegenwoordig, als ik me niet vergis, lang zo negatief niet meer over social media.
CHRISTEN OP TWITTER
Hoe ga je als christen om met social media als Twitter en Facebook? Ga je er wel mee om, of kun je social media maar beter links laten liggen? Als predikant en twitteraar draag ik graag een steentje bij aan de bezinning. Eerst wat algemene observaties bij social media, dan een toespitsing naar gebruik van social media door christenen.[1]
Bezint eer gij begint.
Voor de enkele lezer (zijn ze er nog?) die niet weet wat social media zijn: je deelt via kleinere of grotere berichten en foto’s (status updates of tweets) mee wat je mee wilt delen, in beginsel aan de hele wereld. Via Facebook kan dat uitgebreid en met foto’s of video’s; Twitter is wat spartaanser: beperkt tot 140 tekens per tweet.[2] In het begin is dat best vreemd, maar als je bedenkt wat voor soort berichten jij graag van anderen leest, kom je in de buurt van wat je zelf zou kunnen twitteren. Dus: een gehaald tentamen, maar niet voor de vierde keer op een dag dat je donut eet (dat moet je natuurlijk niet doen, maar je moet het zeker niet twitteren).
Voor wie het nog niet wist: het internet vergeet niet. Ook al verwijder je de tweet, hij (of is een tweet vrouwelijk? Zou zo maar kunnen) blijft vaak nog wel te vinden. Bedenk voor je ‘zomaar’ wat schrijft, dat het voor iedereen zichtbaar is. Is dan de lol er af? Je kunt natuurlijk een ‘slotje’ op je account zetten, waardoor je tweets alleen te lezen zijn voor gebruikers die jij daarvoor toestemming geeft – maar als deze mensen ‘m retweeten, helpt dat nog niet.
Positief
Waarom zou je dan eigenlijk aan social media beginnen? Meldt de calvinistische inborst zich niet luid: ‘wat héb je er eigenlijk aan?’ Laat me een aantal pluspunten noemen:

  1. Netwerk. Het is een stuk eenvoudiger om een groter netwerk te onderhouden. Met oud-jaargenoten heb ik weer contact via Twitter. Dit zou zonder social media niet gelukt zijn. Let wel: dit komt dus niet in de plaats van normaal contact maar in plaats van geen of nauwelijks contact. Daarnaast kun je meeleven met de dagelijkse beslommeringen van een zendeling in Azië, bijvoorbeeld. Ook kan een dergelijk netwerk handig zijn om op de hoogte te blijven van vacatures.
  2. Informatie krijgen. De hashtag #durftevragen of #dtv is erg handig voor tal van vragen: naar een pannenkoekrestaurant tussen Utrecht en Arnhem, naar een naam waar je niet op kunt komt, of iemand ervaring heeft fotocamera’s van dat merk, enzovoorts. Dat levert geregeld echt wat op: zonder Twitter had ik een van de fondsen die mijn proefschrift sponsorden, gemist – en een aanzienlijk bedrag.
  3. Contact en doorgeven. Niet voor niets spreken we van social media: om mee te doen moet je ook meedoen: zelf ook wat schrijven, meegeven, delen. Of hebben christenen niets mee te delen op Twitter? Niet enkel Bijbelteksten of citaten van C.S. Lewis, maar ook praktisch christelijk leven, zonder dat het er duimendik bovenop ligt.

Ja maar
Er zijn ook andere kanten aan social media. Dat privacy een probleem is bij Facebook, is bekend; niet voor niets zet oprichter Mark Zuckerberg nauwelijks wat op zijn FB-pagina. Je kúnt erg veel tijd verliezen aan eindeloos twitteren en facebooken. Maar ja, als je die sites niet had, zat je wel anderszins nutteloos te internetten, als je je op dit punt niet kunt beheersen. Er zijn serieuzere negatieve kanten, die nu juist voor een christen een nieuwe uitdaging kunnen bieden.
Exhibitionisme en narcisme
Is het niet heel erg vreemd om allerlei persoonlijke dingen te delen met zogenaamde ‘vrienden’ (FB) of ‘volgers’ (Twitter)? Alsof je zo’n interessant leven hebt. Eerlijk gezegd denk ik dat de verhalen over ‘facebookdepressie’ bij jongeren die zich spiegelen aan de interessante en mooie levens van anderen,[3] een tikkeltje overdreven zijn (in het pastoraat kom ik deze mensen nog niet tegen). Maar toch: je schrijft het niet zo snel als het niet zo lekker ging, als je je om welke reden dan ook wat minder geweldig voelt – en de foto’s van gemeenteleden op Facebook zijn nogal eens flatterend te noemen. ‘Kijk eens hoe geweldig ik ben!’ En als je dan toch eens wat vervelends twittert, is dat niet om toch wat steun te krijgen (‘kom op’, ‘hou vol!’)?
Hoe kun je je op dit punt als christen onderscheiden? Door niet jezelf te presenteren als de meest bijzondere persoon op aarde, maar door afstand te nemen van dit hedendaags narcisme door des te meer Jezus Christus na te volgen. Het gaat niet om mij, het gaat om Hem. Zonder dat dat in elke tweet of statusupdate met zo veel woorden geschreven wordt: zoiets stempelt je hele leven.
Intiem kapitaal
In het essay voor de maand van de filosofie 2011, getiteld Echte vrienden,[4] schrijft Stine Jensen veel wat overeenkomt met wat ik hierboven schreef. Jensens essay, over ‘Intimiteit in tijden van Facebook, GeenStijl en Wikileaks’, legt – geheel in overeenstemming met wat ik hierboven schreef – de vinger bij het narcisme van de sociale media. Er is op Facebook geen ‘vind ik niet leuk’-knop: je kunt alles alleen maar leuk vinden. Daarnaast wijst Jensen het onrustige denken, het springerige en de ‘onelinerigheid’ (28) als problemen aan. Bijzonder treffend legt ze er de vinger bij dat de populariteit van social media past in de trend om journalistiek vooral als ‘human interest’ te presenteren: op zoek naar de mens achter het nieuws. Politici maken daar handig gebruik van (ga maar eens na wat je allemaal van premier Mark Rutte weet: zijn oude Saab, zijn moeder, zijn vriend Jort Kelder enzovoorts; wat weet je eigenlijk van voorganger premier Wim Kok?).
Maar het grootste probleem van de sociale media ligt volgens Jensen op het gebied van het ‘intiem kapitaal’, een term afgeleid van het gedachtegoed van de Franse socioloog Pierre Bourdieu. Onder intiem kapitaal verstaat Jensen alles wat betrekking heeft op waardevolle persoonlijke informatie (14), ofwel ‘verhandelbare privacy.’ (15). Geheel vrijwillig geven wij steeds meer van dit intiem kapitaal prijs. Daaraan kleven bezwaren op het gebied van privacy en dergelijke (bedrijven verzamelen deze gegevens om er analyses op los te laten), maar belangrijker nog: doordat je zo veel deelt met zo veel ‘vrienden,’ worden die ‘vriendschappen’ steeds minder waard. De wederkerigheid ontbreekt ook vaak. Waar een echte vriend daarin een vriend is, dat hij je de waarheid durft te zeggen en een spiegel voorhoudt, desnoods genadeloos, is dat op social media niet voorhanden.
Nu zou je Stine Jensen gemakkelijk voor kunnen houden dat al die ‘vrienden’ op Facebook niet ten kosten hoeven gaan van échte vriendschappen met echte vrienden. Wie social media ziet als een vervanging van diepgravend persoonlijk contact, komt bedrogen uit. Ze zijn uitermate geschikt voor de wat mindergravende contacten, die je anders niet zou onderhouden. Je moet Twitter en Facebook niet zien als vervanging van een gesprek met een goede vriend, maar als gesprekken die je voert bij de koffieautomaat: soms nuttig en diepgaand, soms helemaal niet.
Christelijk twitteren?
Wat betekent dit nu specifiek voor een christen op Twitter of Facebook? Als deze social media inderdaad te vergelijken zijn met een gesprek bij een koffieautomaat, dan lijkt er niets specifieks christelijks aan te zijn. Zoals het lastig is om een typisch christelijk gebruik te maken van, in omgekeerde chronologische orde, e-mail, de telefoon, de brief en de telegraaf – afgezien van de inhoud, natuurlijk. Zijn de social media niet gewoon een nieuw medium waar we niet al te diepzinnig over moeten doen, maar die we gewoon in vrijheid en met voorzichtigheid kunnen gebruiken? Iets van die ontspannenheid zou mij wel welkom zijn; de vrij negatieve toon van het Reformatorisch Dagblad over Twitter en Facebook mag wat mij betreft getemperd worden – wel grappig dat de krant zelf en haar journalisten tamelijk actief zijn op Facebook en Twitter.[5]
Toch zijn er volgens mij wel enkele specifiek christelijke aandachtspunten bij gebruik van social media. Ik noem er drie.
 1. Tegen het narcisme de eenvoud. Hierboven schreef ik al een statement tegen het narcisme dat vaak inherent lijkt aan sociale media. Volgens mij hoeft het niet narcistisch te worden – het narcisme zit in heel onze cultuur, en je damt het niet in door je maar ver te houden van sociale media. Het kan zelfs een oefening zijn in er niet mee gaan. Daarnaast kunnen sociale media dienstbaar zijn om oog te hebben voor elkaar. Goed, er zitten haken en ogen aan, maar het kan wel het begin zijn van een dieper gaand contact. Meerdere keren heb ik uitgebreide e-mailwisselingen gehad met mensen die mij voorheen onbekend waren, maar die ik via Twitter had leren ‘kennen.’ Voor een predikant een mooie gelegenheid om in gesprek te raken met volstrekt seculiere mensen.
 2. Echt intiem kapitaal. Jensen schrijft dat echt intiem kapitaal uiteindelijk niet datgene is dat je zomaar met iedereen deelt, maar ‘de kwelgeesten uit de darkroom van je hersenpan.’ (80) Je karakter dus, met alle onhebbelijkheden van dien. Wie met dat alles, met zijn of haar – het hoge woord moet er maar uit – zonde en gebreken leeft van de genade van Jezus Christus, die wordt een nieuw mens. Dáár valt dan toch ook van uit te delen. Van wat je leest, ervaart van God: dat is toch intiem kapitaal dat het waard is gedeeld te worden? Geheel in lijn met de ontwikkeling van onze cultuur wordt de seculiere medemens niet zo gemakkelijk bereikt met een direct evangelisatorisch verhaal. Maar een opmerking over wat iemand persoonlijk aan zijn of haar geloof heeft zou iemand ten minste geïnteresseerd kunnen maken – ik heb een aantal van dat soort ervaringen gehad. Uiteraard treedt hier de paradox van de authenticiteit in werking: het is zo zeer van belang om écht authentiek over te komen, dat we ons best doen om authentiek over te komen, wat dan weer niet echt authentiek is.
3. Gezond wantrouwen. Voor een christen hoeft het geen verrassing te zijn dat onze privacy onder druk staat en dat gegevens die Google, of de overheid, of welke instantie dan ook, verzamelt, gebruikt worden voor doeleinden die niet altijd even nobel zijn. We belijden dat mensen van nature zondaren zijn, laten we dan ook van social media gebruik maken met die wetenschap. Dat maakt je voorzichtig in wat je schrijft en niet schrijft. Niet alle vrienden kun je vertrouwen als die Ene.
Dr. A. Huijgen, Genemuiden


[1] Waarschuwing vooraf: er zullen veel Engelse termen gebruikt worden in dit artikel. Wie zich terminologisch wil oriënteren, doe dat – om in stijl te blijven – via Google.
[2] Sommigen smokkelen via www.twitlonger.com, maar doorgewinterde twitteraars beschouwen dat over het algemeen als valsspelen.
[4] Stine Jensen, Intimiteit in tijden van Facebook, GeenStijl en WikiLeaks, Lemniscaat 2011.
[5] http://www.facebook.com/refdag en http://twitter.com/#!/refdag ; om redenen van privacy (kuch) laat ik de verwijzingen naar journalisten van het RD weg.

Zürich: doopvont en avondmaalstafel

Gisteren sprak ik een meditatie uit tijdens het bezinningsuur voor het Heilig Avondmaal, komende week. Ik vertelde ook over wat ik in Zürich in de Grossmünster zag: de (kleine) Avondmaalstafel bovenop de (ruim uitgevallen) doopvont. Prachtige symboliek: de verbondenheid van Doop en Avondmaal: het Avondmaal onderstreept wat in de Doop al wordt beloofd. Ik bleek er nog een foto van te hebben:
 

Bidden of vasten?

Vandaag vallen ze samen: voor protestanten de biddag voor gewas en arbeid, voor rooms-katholieken Aswoensdag, het begin van de vastentijd. Langs de lijnen ‘bidden’ of ‘vasten’ zou je dus protestants en rooms-katholiek kunnen indelen? Zo simpel ligt het niet. Een groeiend aantal protestanten (volgens dit artikel vooral jongeren) zoekt actief naar een invulling van de vastentijd. Vaak gebeurt dat in de vorm van een gedeeltelijk je onthouden van genotsmiddelen, zoals alcohol of zoetigheid.
Graag voeg ik aan de overwegingen drie punten toe.
Ten eerste: bidden en vasten sluiten elkaar niet uit, maar in. In de Bijbel gaan bidden en vasten vaak samen op, en dient het vasten de concentratie op het gebed (2 Kron. 20:3, Neh. 1:4, en let op de manier waarop het vasten in de Bergrede direct na het bidden wordt behandeld, Matth. 6:16-18). Ook in de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme heeft het vasten ook wel degelijk een plaats. Ik haal hier enkel Calvijn aan (er zou meer te noemen zijn). Calvijn:

Het heilige en wettige vasten heeft drie doeleinden. We gebruiken het namelijk ofwel om het vlees af te matten en te onderwerpen, zodat het zich niet te buiten gaat, ofwel om beter toegerust te zijn voor het gebed en heilige overdenkingen, ofwel als blijk van onze verootmoediging voor God, wanneer we onze schuld voor Hem willen belijden. […] Om verwarring over de benaming te voorkomen moeten we nader bepalen wat vasten is. Wij vatten het hier namelijk niet op als een terughoudendheid en spaarzaamheid in eten en drinken zonder meer, maar als iets anders. Het leven van vromen dient inderdaad gestempeld te zijn door matigheid en soberheid, zodat het gedurende de hele loop ervan zoveel mogelijk door een soort van vasten gekenmerkt wordt. Maar daarnaast is er nog het tijdelijke vasten, waarin we iets meer terughoudendheid betrachten dan we in het gewone leven gewend zijn, gedurende een dag of voor een bepaalde tijd, en onszelf meer en strenger beperkingen opleggen ten aanzien van het gewone eten. (Inst. 4.12.14, 18)

Wel waarschuwt Calvijn dat het om het hart gaat, meer dan om het uiterlijk vasten; we moeten niet denken dat we er iets mee verdienen. Hij noemt de veertigdaagse vasten een bijgelovige praktijk, met name omdat men enerzijds wettisch en strikt is, maar anderzijds het lekkerste eten tijdens de vasten nuttigt (Inst. 4.12.19, 20).
Ten tweede. Belangrijker dan de manier die je kiest, lijkt mij het doel. De vastentijd (wij protestanten zeggen: lijdenstijd) bepaalt ons bij het lijden en sterven van Jezus Christus. Voor mij kan een invulling van de lijdenstijd in de zin van vasten vooral nuttig zijn om me dáárop te concentreren. Met andere woorden: zoals ik bij het eerste punt stelde dat bij gebed het vasten een plek heeft, zo zou ik anderzijds willen stellen dat de vastentijd vraagt om gebed. Anders wordt het maar een soort ascese die weinig nut heeft (1 Tim. 4:8).
Ten derde. De vrucht van de Geest (Gal. 5:22) is ook: matigheid (vergelijk Rom. 12:3, 1 Tim 2:15; 2 Petrus 1:6). Het is een krachtig christelijk getuigenis in onze tijd als we weten genoeg te hebben (1 Tim. 6), zonder in mateloosheid te vervallen. Velen worden gedreven door de zucht naar eten, drinken, roem, geld of wat ook. Ongemerkt kun je daarin worden meegenomen. De lijdenstijd/vastentijd kan dienen om jezelf daarop te onderzoeken, je te verootmoedigen, en door Gods genade te bekeren. Daarbij klinkt de waarschuwing van Calvijn wel door: dit moet niet beperkt worden tot de veertig dagen, dan kan zelfs het vasten tot bijgeloof worden.
Voor wie verder lezen wil: Calvijn, Institutie, boek 4, hoofdstuk 12, paragraaf 14-20; John Piper, Honger naar God.

Predikant en politiek

Aristoteles noemde de mens een sociaal wezen (Grieks: zooion politikon) – met enige overdrijving zou je dat kunnen vertalen als ‘een politiek dier’. In hoeverre kun je je als predikant politiek engageren? Een vraag voor P&P, zo vlak voor de verkiezingen.
In het bijzonder nuttige boek van Jacques Schenderling over beroepsethiek van pastores vinden we dat een pastor wel zich in zekere mate politiek kan engageren door lidmaatschap van een politieke partij, maar niet door zitting te nemen in bijvoorbeeld een gemeenteraad. Het expliciete lidmaatschap van een politieke partij is volgens mij ook niet altijd verstandig. Zeker wanneer de politieke voorkeur nogal extreem is, of sterk afwijkend van de voorkeur van een belangrijk deel van de kerkelijke gemeente die de pastor dient, dienen we als pastores terughoudend te zijn. Al te snel wordt de politieke voorkeur een issue waardoor het pastorale contact belast of zelfs onmogelijk raakt.
Een pastor die een voorkeur heeft voor de PVV, de Partij voor de Dieren, of de Piratenpartij, kan in de meeste kerkelijke contexten die voorkeur dus maar beter voor zich houden. Zelfs geldt dat naar mijn indruk voor een CU stemmende predikant in een gemeente waar het merendeel CU stemt, en een aanzienlijke minderheid SGP. Over dat laatste valt te twisten, maar persoonlijk kies ik er graag voor mijn pastoraat op geen enkele wijze met politieke stellingname te belasten.
In de huidige tijd waarin predikanten (althans sommige) hoe langer hoe meer ‘aanraakbaar’ worden, en door participatie in sociale media als Twitter zich ook steeds meer mengen in allerlei gesprekken die slechts indirect aan hun ambtelijke verantwoordelijkheid raken, wordt dit alles steeds ingewikkelder. Laatst merkte iemand al op dat hij me miste zodra er over conservatisme werd gediscussieerd. Soms jeuken mijn vingers, maar terughoudendheid lijkt me verstandiger.
Er zijn tal van collega’s die andere keuzes maken: hetzij door zich verkiesbaar te laten stellen voor de Tweede Kamer, hetzij door zich in het openbaar uit te spreken voor een bepaalde partij, of door via Twitter of weblog een steentje bij te dragen aan de politiek. Benieuwd wat de lezers van dit weblog vinden. Laat het weten in de comments!

Waarom ik twitter – en waarom dominees al dan niet zouden moeten twitteren

Vanmiddag krijg ik bezoek van een journalist van het blad Terdege, die met mij wil spreken over het gebruik van moderne media. Hij is onder andere geïnteresseerd in Twitter. Nu heb ik steeds een wat ambivalente houding ten opzichte van Twitter gehad; toch doe ik het nog steeds, en stop ik nog niet (dit gerucht is dus onjuist). Waarom eigenlijk? Wat zijn de pro’s en contra’s voor een predikant op Twitter? Ik noem een aantal dingen die volgens mij specifiek zijn voor Twitter.
Pro
1. Discussieplatform
Via Twitter informeer je je snel over allerlei discussies. Je bepaalt zelf wie je volgt en dus: hoe veel en wat er tot je komt. Je kunt inhaken in een gesprek of besluiten om dat niet te doen. Dat breed uitwaaierende en de mogelijkheid tot participeren maakt het anders dan een opiniepagina van een krant (waar de kwaliteit wel vaak hoger ligt) of een forum (waar je het onderwerp van discussie al opzoekt – bij Twitter word je er mee geconfronteerd, het is nieuwsgieriger. Als je voeling wilt houden met wat er her en der leeft, is het een mooie manier om van alles op te pikken.
2. Klankbord en informatiebron
Als je even snel een vraag wilt uitzetten bij veel mensen, waag er dan een tweet aan. Ik zie de hashtag (uitleg)  #durftevragen geregeld langs komen, en vaak komt er ook een nuttig antwoord. Of iemand nu vraagt naar een pannenkoekrestaurant in een bepaalde regio, of – zoals ik – aan twitterende gemeenteleden vraagt om een vraag voor de vragenrubriek aan te leveren, meestal komen er meerdere nuttige tips. Ter illustratie: mijn tweets over mijn zoektocht naar fondsen om de publicatie van mijn proefschrift te ondersteunen, leverde een tip op die inmiddels in een aanzienlijke toezegging heeft geresulteerd. Volgens mij bereik je deze vormen van crowdsourcing niet met andere media dan Twitter.
3. Uithangbord (voor een weblog bijvoorbeeld)
Als ik een bericht heb geschreven op dit weblog, of het andere waaraan ik meewerk, dan meld ik dat op Twitter. Van verschillende kanten hoor ik dat dit voor veel mensen dé toegangspoort tot mijn weblogs is. Ook gemeenteleden die niet twitteren, pikken dit op.
Concreet: afgelopen zaterdag sprak ik op de christelijke gereformeerde ambtsdragersconferentie. Volgens het RD waren er zo’n 70 bezoekers; ik denk dat dat klopt. De tekst van de lezing op mijn weblog is, sinds ik ‘m plaatste en dat op Twitter meldde, al ruim 100x bekeken. Of het nauwkeurig gelezen is, kan ik niet nagaan, net zo min als ik weet of het zaterdag nauwkeurig gehoord is. Het aardige is dat er direct via Twitter en andere media gereageerd kan worden. Die ene lezing bereikt dus meer mensen – en dat is mooi: het Woord verspreiden.
Natuurlijk geldt deze signaalfunctie niet alleen voor een weblog. Je kunt ook citaten of ‘denkduwtjes’ twitteren; ik doe dat ook wel, maar het zou nog meer kunnen.
4. Sociaal medium
Dit vierde punt is eigenlijk de primaire functie van Twitter: je onderhoudt allerlei contacten. Via Twitter heb ik bijvoorbeeld contact met studenten uit de gemeente die ik anders minder zou spreken, maar ook met jaargenoten die ik al jaren niet gesproken had. Onder andere via het twittercontact kwam het tot de organisatie van een reünie en een studiedag. Ik volg de verrichtingen van collega-predikanten en zendelingen op ten minste vier werelddelen. Natuurlijk zijn de contacten wel totaal anders dan in het gewone leven. Veel mensen zullen dit ‘oppervlakkiger’ vinden. Misschien is het dat ook, maar laten we bedenken dat deze contacten niet in plaats van contacten in het echte leven komen, maar daarop aanvullend zijn.
Contra
1. Trivialiteit en exhibitionisme
Wat heeft het voor zin te melden dat je met de exegese van een preek bezig bent, of om zulke berichten van een ander te lezen? Toen ik verschillende mensen in mijn omgeving, ook gemeenteleden, vroeg naar wat ze van mijn getwitter vonden, kreeg ik veel positieve reacties (eerlijk gezegd: meer dan ik had gedacht). Maar waar het kritisch werd, betrof het dit punt. Niet allereerst ‘kost het niet te veel tijd en heeft hij niet wat beters te doen?’, maar: ik wil eigenlijk helemaal niet weten wat onze dominee van dagdeel tot dagdeel doet. Er zullen allerlei mensen zijn die dat maar wat interessant vinden, werd me gezegd, en juist dat soort gedrag verdient geen aanmoediging. Daar zit wat in. Een aansporing dus om tweets vooral inhoudelijk te houden.
Dan nog blijft het gevaar van exhibitionisme. Toen ik begon met twitteren, voelde ik mezelf schrijven over wat ik deed en dacht. “Heb ik nou echt zo’n interessant leven dat dit het melden waard is? Stel ik mezelf niet in het middelpunt? Strijdt dat niet met mijn roeping?” Volgens mij hoeft dat allemaal niet, maar is het wel zaak om er voortdurend op te letten dat het niet die kant op gaat.
2. Beslag op de tijd
Dit kritiekpunt komt, opvallend genoeg, vooral van de kant van collega-predikanten en minder van de kant van gemeenteleden, is mijn inschatting. ‘Waar haal je de tijd vandaan?’ Nu is dit meer een gevaar dan een regelrecht nadeel van Twitter. Het kost namelijk erg weinig tijd, zolang je maar niet de hele dag Twitter in de gaten zit te houden – wat ik niet doe. Af en toe een berichtje plaatsen (bedenk: van maximaal 140 tekens) is geen grote inspanning. De momenten dat je wat te melden hebt, zijn vaak ‘schakelmomenten’ tussen de ene taak die afgerond is en de volgende taak die wacht. In die zin kan het zelfs nog een bepaalde focus op een taak geven.
Wel is het een gevaar dat je te vaak je met Twitter gaat bezighouden. Dat gevaar is universeel voor het hele internet, en voor e-mail – het geldt ook voor Twitter, waarbij het snelle karakter van het medium het nog lastiger maakt om er bij vandaan te blijven. Dat is een kwestie van discipline en verstandig met de dingen omgaan. Juist op momenten dat je geneigd bent tot uitstelgedrag, wat in het Engels zo mooi procrastination heet, is het zaak om ver bij Twitter vandaan te blijven.
3. Kwetsbaarheid
Als je al te veel schrijft over wat je doet en laat, opinies ten beste geeft, maak je je gemakkelijk kwetsbaar. Voor kritische gemeenteleden, bijvoorbeeld, die je tweets (noodzakelijkerwijs korte berichtjes) op een bepaalde manier interpreteren. Voor wie het dan ook maar leest, want het internet is de meest openbare ruimte die we hebben.
Wat kun je daar aan doen? Je kunt je tweets beveiligen, zodat alleen mensen die je toestemming hebt gegeven om je te volgen, je tweets kunnen lezen. Dat heb ik eens gedaan, waarna ik verschillende reacties kreeg van mensen die zelf niet twitteren, maar wel graag meelezen. Juist voor de uithangbord-functie van Twitter is het wel nuttig als mensen ook kunnen lezen wat je schrijft.
Belangrijker is echter dat je – zoals in alles – jezelf oefent, tuchtigt zelfs, in wat je zegt en wat je schrijft. Als je – zoals veel mensen als ze achter een toetsenbord zitten – geneigd bent er van alles uit te gooien, ga dan niet twitteren. Het gebed om een wacht voor je lippen is juist voor diegenen die worden geroepen om veel te spreken en te schrijven, noodzakelijk.
Verder is het voor mij vanzelfsprekend dat ik heel erg ver blijf van het verstrekken van gevoelige informatie. Nooit schrijf ik bij wie ik op bezoek ga; meer nog: zeer zelden schrijf ik het als ik bezoekwerk ga doen, en dan nog alleen als ik een compleet dagdeel meerdere mensen ga bezoeken. Maar liever helemaal niet.
Conclusie
De pro’s zijn waardevolle punten die specifiek zijn voor Twitter, en die ik niet op een andere manier bereik. De contra’s daarentegen zijn te ondervangen, al vragen ze voortdurend waakzaamheid. Ik twitter dus.
Moeten collega’s dat nu ook gaan doen? Dat zou ik zeker niet willen zeggen. Twitter kán nuttig zijn, maar is verre van noodzakelijk.