Passie

Mijn column in het RD van vandaag.
Iedereen lijkt tegenwoordig een ‘passie’ te hebben, of er anders naarstig naar te zoeken. ‘Passie’ is hard op weg om het meest gebruikte modewoord in voorstelrondjes te worden. ‘Mijn passie is’ – en dan komt het. Wat volgt is kennelijk iets waar je met hart en ziel bij betrokken bent. Echte passie-mensen laten soms ook net wat meer valse lucht meeklinken, zodat het nog meer doorleefd klinkt.
Het gaat er niet zozeer om wat je passie is (je werk, je gezin, of tuinieren, desnoods), als je er maar één hebt. Daarbij gaat het om je drive, de innerlijke motivatie, dat je doet wat je écht wilt. Je passie is het doel van je authentieke leven, en die zelfverwerkelijking is nu eenmaal de heilige graal van de postmoderne queeste. De commercie vaart er wel bij met producten die ofwel met passie bereid zijn, ofwel helpen om je passie uit te drukken.
De filosoof Coen Simon wees er onlangs op, hoe ‘passie’ de ouderwetse ‘hobby’ heeft vervangen, en dat dit verre van onschuldig is: waar een hobby een vaak nutteloos maar leuk tijdverdrijf betekent (ontspanning dus), gaat het bij passie om de ultieme zelfverwerkelijking. Dan ben je dus nog ingespannen aan het streven. Als tuinieren je hobby is, ontspant het. Maar is het je passie, dan dient de tuin je authentieke zelfverwerkelijking. Ga er maar aan staan. Simon vermoedt dan ook een samenhang tussen passie en burn-out.
Ook in de kerk is de passie aan een opmars bezig. Mensen hebben een passie voor Jezus, voor de armen of voor het bereiken van bepaalde bevolkingsgroepen. Minder vaak hoor je van een passie voor het kerkverband of voor het schoonmaken van de kerkelijke toiletten. Dat lijkt nogal wiedes. Maar die aandacht voor passie verraadt misschien wel dat geloof en kerk vooral onze zelfverwerkelijking moeten dienen. Al snel kan de ‘passie’ de ego’s groter maken en de bereidheid tot zelfverloochening kleiner. Kijk eens hoe het kan botsen tussen voluit gepassioneerde mensen die in elkaars vaarwater komen, juist in de kerk.
Laten we eerst eens terug gaan naar de oorspronkelijke betekenis van ‘passie’: lijden, ondergaan. Gehoorzaam volhouden dus, ook als je zelfverwerkelijking er niet direct mee gediend is. De passie van Johannes de Doper: Hij moet groeien, ik moet minder worden. Een passie voor vrede stichten, omdat er al zo veel ruziemakers zijn. Liefst gedragen door de overtuiging dat niet mijn passie het gaat maken (wie zou daar niet opgebrand van raken?) – maar dat de genadige God werkt in deze wereld. Zo’n passie is meer dan welkom. Gods compassie gaat immers vóór mijn passie.

Humor

Mijn column in het RD van 10 april.
Niet iedereen heeft kennelijk hetzelfde gevoel voor humor. Jeugdwerkers van de Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten poseerden in hun nieuwe outfit naast motoren waarmee ze brandstofkosten zouden gaan besparen – een 1 aprilgrap die veel mensen op het verkeerde been zette. Maar enkele dagen later boden voorzitter en directeur van de JBGG hun ‘oprechte excuses’ aan voor deze actie vanwege talrijke klachten die de bond binnenkreeg. Waarom? Deze presentatie is niet passend bij de ‘stijl’ van het werk, die gefundeerd is op Schrift en belijdenis.
Die frase intrigeert. Wat past er niet bij de stijl? Is een grote auto van een premium merk heiliger dan een motorfiets? Of stonden er op de rug van de motorpakken de afbeeldingen van een criminele motorbende? Of, en dat is waarschijnlijker, tast de grap een vermeende ‘waardigheid’ aan? Humor is bij een gereformeerde stijl kennelijk een gevoelig punt.
Nu moet de JBGG uiteraard haar eigen afweging maken – maar de relatie van stijl en humor is echt een aangelegen punt, juist in het jeugdwerk. Een bepaalde mate van humor is daar nodig. De gereformeerde gezindte heeft het imago streng en humorloos te zijn; bij de buitenwacht, maar ook bij veel van onze jongeren. Hoe ernstiger je gelaat, des te degelijker en beter het is. Lachen is lichtzinnig, toch?
Platte grappen en grollen passen uiteraard niet, maar een dosis humor kan geen kwaad.
Het is een misvatting dat een voluit ernstige boodschap humor uitsluit. Integendeel. In de Joodse traditie bloeide de humor op in het aangezicht van de meest ernstige en gruwelijke omstandigheden. Hoewel de boodschap ernstig is, is niet alles even ernstig. We zouden bijvoorbeeld onszelf wat minder ernstig kunnen nemen. Door gewichtigdoenerij prikken jongeren heen.
Onlangs stond in deze krant prominent een soort hartenkreet over onze omgang met jongeren. Jongeren hebben, zo stond er, onder andere behoefte aan het uitleggen van regels en tradities. Dat zal alleen lukken als we weten te relativeren: niet alles in onze traditie is van gelijk gewicht, en jongeren gaan juist steigeren waar álles heel erg belangrijk wordt gemaakt. Als oekazes over leggings met dezelfde ernst worden gebracht als de noodzaak van bekering, voelen jongeren aan dat er iets mis gaat.
Ons woord ‘gein’ komt van het Hebreeuwse woord ‘genade’. Nu geeft zo’n etymologie niet de doorslag, maar toch. Het is genade als je ziet waarop het aankomt, en ook waarop het wat minder aankomt. Jongeren hebben voorbeeldfiguren nodig aan wie ze zien dat diepe ernst en humor samengaan; mensen die met de jongeren kunnen huilen en kunnen lachen, kunnen bidden en kunnen kletsen. Zonder die motor loopt het jeugdwerk vast.

Seizoensarbeid

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad, 27 maart 2012
De zomertijd is weer beginnen, het is bijna Pasen, en dus beginnen in het kerkelijke leven de dingen weer op hun eind te lopen. Het einde van de catechisaties komt in zicht, verenigingen komen voor het laatst bijeen en bijbelstudiekringen denken na over welk Bijbelboek ze volgend seizoen zullen behandelen. De kerkenraad vergadert nog wel, maar na Pinksteren liggen nagenoeg alle kerkelijke activiteiten stil. Het ‘kerkelijk seizoen’ wordt niet zonder reden ook wel   ‘winterwerk’ genoemd. Daarna volgt de zomerslaap.
Merkwaardig eigenlijk dat juist na Pinksteren de grote rust intreedt – want Pinksteren is het feest van de vervulling met de Heilige Geest, waarna de discipelen die in Gethsémané nog sliepen, worden ingeschakeld als apostelen.
Dat kerkenwerk seizoensarbeid is, laat zich gemakkelijk verklaren. De kerk volgt hierin nog altijd het ritme van het boerenleven, dat de context vormde voor vele vroegere generaties. Als de dagen lengen, moet er op het land gewerkt worden op een manier die in de winter niet mogelijk was. In die drukke tijd dus geen kerkelijke activiteiten.
Merkwaardig genoeg houden we deze cadans nog altijd aan, terwijl het levensritme van de meeste kerkgangers er inmiddels totaal anders uitziet. De zomertijd is veelal niet meer de drukste tijd, maar juist de meest ontspannen tijd van het jaar geworden. Vakantietijd! Ruim tijd dus voor Bijbelstudie en verenigingen, zou je zeggen. Maar nee, tussen half mei en begin september ligt de zaak compleet stil.
Waarom zou deze gewoonte niet doorbroken worden? Voor de predikant kan het echt wel een beetje als vakantie voelen als hij eens even geen catechisatie hoeft te geven. Voor de ambtsdrager ontstaat er zomers wat meer lucht. Het voelt  ook prettig als je eens even niet naar de een of andere bijeenkomst hoeft. Maar dat we dat geregeld als zo’n druk ervaren, komt óók omdat al die activiteiten in enkele maanden worden geperst. Er ontstaat al meer lucht als ze worden gespreid. Nu zijn er in het seizoen weken dat je dagelijks naar de kerk kunt om gesticht te worden, terwijl er buiten het seizoen maanden zijn waar er buiten de zondagse erediensten niets te beleven valt.
Of zou het werkelijk zo zijn dat we graag even van kerkelijke activiteiten af zijn, omdat we de dienst van de Heere eigenlijk maar saai vinden? Dat zou de slechtst denkbare reden zijn.
Nee, dit is geen pleidooi om voor nog meer activiteiten en een nog drukker kerkelijk program; we missen al zo veel rust. Maar ten dienste van die rust kan wat spreiding geen kwaad. Bovendien, een liefdedienst die zich tot de wintermaanden beperkt, is maar een kille bedoening.

Echte vrienden (column RD)

Echte vrienden
Mijn column in het RD van 13 maart.
Het thema van de boekenweek combineert ‘vriendschap’ met ‘andere ongemakken’. Vriendschap als ongemak dus. Dat klinkt rijkelijk ironisch, maar treffend is het wel. Echte vriendschap gaat immers dieper dan het uitwisselen van allerlei vriendelijkheden. Maskers gaan af en de dieper gelegen pijn en zorgen komen ter sprake. Dat veroorzaakt een zeker ongemak bij de ander. Een willekeurige ander zou je er niet mee lastig vallen, maar een vriend wel. Die vriend durft je vervolgens ook de waarheid te zeggen, zelfs scherp als dat nodig is. Wederzijds ongemak door openheid verdiept de vriendschap alleen maar, maakt haar exclusiever en waardevoller.
In dat licht is er veel dat vriendschap heet maar dat deze diepgang niet haalt. Met mijn 352 ‘vrienden’ op Facebook bijvoorbeeld kan ik niet zo’n echte vriendschap onderhouden. Daar dienen sociale media natuurlijk ook niet toe. Je kunt sociale media gebruiken als discussieplatform, om contacten te onderhouden of aanvankelijk te leggen. Daarin ligt de kracht van die media, zonder meer. Maar de term ‘vriendschap’ is een te groot woord. Het nuchterder ‘volgers’ voor mensen die je berichten volgen bij Twitter klinkt al beter.
Dat het niet om échte vriendschap gaat, blijkt uit het bijna helemaal ontbreken van de ongemakkelijke kant ervan. Je schrijft nu eenmaal niet zo snel op Facebook dat het even niet zo lekker gaat. Als dat eens wel gebeurt, kan het al snel lijken dat je hengelt naar een oppepper (‘hou vol!’) van je vrienden of volgers. Het is treffend dat Facebook enkel een ‘like’ (vind ik leuk)-knop kent, met de duim omhoog. Echte vriendschap kan niet zonder de optie ‘dat vind ik niet leuk’, en nog heel wat genuanceerds daartussen. Elkaar een spiegel voorhouden vereist nu eenmaal een vertrouwde relatie. Het werkt niet als iedereen mee kan kijken.
De meest gebruikte spiegel op Facebook is die van Narcissus, de figuur uit de Griekse mythologie die als straf voor het afwijzen van alle geliefden verliefd werd op zijn eigen spiegelbeeld. Hij kon deze liefde niet bereiken: telkens als hij zijn spiegelbeeld wilde kussen, rimpelde het water dat beeld weg.
Het typeert onze cultuur: rusteloos op zoek naar ons eigenste ik, dat ons hart niet kan vervullen. Dit narcisme ligt dicht aan tegen Luthers omschrijving van zonde: in jezelf gekromd zijn; uiteindelijk geen oog voor God, geen oog voor de ander. Een ander mens écht ontmoeten levert hoe dan ook ongemak op: het kost tijd en aandacht om jezelf open te stellen voor de ander.
Facebook kan aardig zijn, maar voor echte vriendschappen moeten schermen aan de kant en maskers af. Ongemakkelijk, maar de moeite waard.

Hongerige tijd

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad, 28 februari.

Wij leven in een hongerige tijd. De nieuwshonger bleek niet te stillen, ook toen er rond de gezondheidssituatie van prins Friso eigenlijk niets te melden viel. Honger naar sensatie was er ook, bij de filmploegen op de spoedeisende hulp van het VUmc. De honger naar publiciteit bij het VU bleek sterker dan het ethisch besef. De machtshonger van Poetin lijkt onbegrensd, en de honger naar geld van bazen van woningcorporaties verbaast al nauwelijks meer.
Verschillende vormen van honger, maar allemaal mateloos, onverzadigbaar en uiteindelijk vaak schadelijk. Het verzadigingspunt wordt zo maar niet bereikt met nieuwsbulletins die keer op keer openden met de mededeling dat er niets te melden valt. Honger gestild met leegte.
We doen er zo maar aan mee. Mateloos online zijn, mateloos eten en drinken. ‘I can’t get no satisfaction’, zoals de Rolling Stones zongen. Onze consumptiemaatschappij wakkert door middel van de alomtegenwoordige reclame die honger alleen maar aan.
De christelijke traditie reikt ons in de vastentijd, en breder: in de christelijke deugd van matigheid, wat anders aan. Niet direct proberen de honger en consumptiebehoefte te stillen, maar het uithouden bij de honger, en die honger soms zelfs opzoeken. Dat alles niet op een rigide manier, en niet als iets verdienstelijks voor God. Maar veertig dagen zonder luxueus voedsel of alcohol, of zonder luxe-aankopen, kunnen helpen om te beseffen hoe grote plaats deze dingen in je leven hebben, meestal groter dan je tevoren dacht. Paradoxaal genoeg leer je door matigheid des te meer waarderen wat je hebt ontvangen, en ook des te meer genieten. Mateloos genieten is onmogelijk; echt genieten bestaat bij gratie van een grens.
Dat die grens en andere grenzen vergeten werden, stortte de financiële wereld in een crisis. Bij de oplossing van de crisis, en bij de nieuwe bezuinigingen waar de coalitie aan werkt, is een relativering van onze honger naar meer broodnodig. Hoe veel frustratie gaat een dalend welvaartsniveau opleveren?
Laat het goede getuigenis van christenen uitgaan dat ze tevreden zijn met wat ze hebben, omdat hun verlangen allereerst op God gericht is. Dat betekent volgens de schrijver aan de Hebreeën enerzijds leven zonder geldzucht, en anderzijds vertrouwen op de God die heeft gezegd: ‘Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten’. Let wel: dat vertrouwen is dus niet los verkrijgbaar van een leven in gehoorzaamheid, geen geestelijke werkelijkheid zonder broodnuchtere praktijk.
Door de rem te zetten op een honger naar allerlei begeerlijks in deze wereld, komt er ruimte waarvan we mogen hopen dat God die vervult met honger naar Zichzelf. Enkel in die laatste betekenis wens ik iedereen een hongerige tijd toe.

Uit vrije wil

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 14 februari 2012

Als je zelf iets wilt en je berokkent er verder niemand schade mee, dan moet niets je in de weg worden gelegd. Zo ongeveer luidt de consensus rond zelfbeschikking in ons land. Maar er is wel wat merkwaardigs mee aan de hand.
Aan de ene kant wordt er gehamerd op zelfbeschikking van het individu, bijvoorbeeld door het burgerinitiatief ‘Uit vrije wil’. Als iemand zelf vindt dat hij klaar is met leven, mag geen arts of hulpverlener hem in de weg staan. Huisartsen die soms vanwege de zorgvuldigheidscriteria die de wet aan euthanasie verbindt, naar eer en geweten niet kunnen meewerken aan euthanasie, moeten maar wijken. Na politici, ambtenaren van de burgerlijke stand en rechters vallen nu huisartsen ten prooi aan de cynische burger die niemand vertrouwt dan zichzelf. De kritische consument zoekt wel een ander met een ruimer geweten. Ruim baan voor de vrije wil van het individu.
Maar nu de andere kant. Als een christen-homo uit vrije wil zich bij een organisatie als Different meldt, wordt er moord en brand geroepen. De therapie zou gevaarlijk zijn omdat ze mensen van hun homoseksuele geaardheid zou willen genezen. Nu blijkt die suggestie onjuist te zijn, maar de vraag blijft: is de vrije wil van de christenhomo die een bepaalde therapie wenst, minder waard dan de liberale wil om te sterven? Kennelijk is de vrije wil van de één de vrije wil van de ander niet.
Het kan verkeren. Eerst moesten homoseksuelen alle ruimte krijgen om hun identiteit voluit te ontplooien. Maar nu die rechten verkregen zijn, mag er niet meer van het liberale stramien worden afgeweken. Zelfs niet als iemand er zelf voor kiest. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vrouwenemancipatie: begonnen met een roep om vrijheid, maar inmiddels zijn we zo ver dat vrouwen die uit vrije wil kiezen voor een partij die vrouwen niet verkiesbaar stelt, dat onmogelijk moet worden gemaakt. Abortus: hetzelfde verhaal. Het ging om de vrijheid van de vrouw, maar het onbegrip dat ouders ontmoeten die een ‘onvolmaakt’ kind geboren willen laten worden, is soms stuitend.
Steeds gaat het zo: vanuit een roep om vrijheid ontstaat uiteindelijk een liberaal dictaat dat als een verstikkende eenheidsdeken over de samenleving wordt gelegd.
Zal het zo ook met euthanasie gaan? Eerst het recht verworven, nu alle vrijheid voor het individu. Moeten straks misschien mensen ‘bevrijd’ worden die nog niet inzien dat hun leven toch echt voltooid is? Of demente ouderen die dit zelf niet meer kunnen uitspreken? Als dat inderdaad het stramien wordt, lijdt onze vrijheid uitzichtsloos en ondraaglijk.

Pedagogisch pelagianisme

Mijn column van 31 januari in het Reformatorisch Dagblad

Het beeld van het engelachtige kind zit diep in onze cultuur verankerd. Hoe cynischer onze maatschappij wordt over allerlei voorheen aanzienlijke figuren als politici, rechters en wetenschappers, des te meer staat het kind daarmee in contrast als onschuldig en beschermwaardig. Het kind moet dan ook alle ruimte krijgen om zich in vrijheid te ontplooien, en specifieke ‘kinderrechten’ worden hoe langer hoe belangrijker gevonden. Geen groter misdaad dan een kind in zijn ontwikkeling schaden.
Er zitten allerlei positieve kanten aan deze benadering van het kind. Ouders die gaan scheiden, wordt het belang van het kind met des te meer nadruk op het hart gebonden, bijvoorbeeld. Maar er is ook een andere kant: de uitoefening van gezag over het kind komt snel in een kwaad daglicht te staan. Hindert het een kind niet in de vrije ontwikkeling als ouders het twee keer op een zondag dwingen mee te gaan naar de kerk?
De vooronderstelling bij deze benadering is dat een mens die zich in vrijheid, zo veel mogelijk vrij van externe invloeden, kan ontwikkelen, daarmee de best denkbare ontwikkeling doormaakt. Eigenlijk is dat pelagianisme in een nieuwe jas: de mens is van nature goed.
Theologisch wordt dit pelagianisme in gereformeerde kringen afgewezen. Terecht, want het denkt te groot van de mens en te klein van God.
Maar wat theologisch wordt afgewezen, lijkt  pedagogisch vrij spel te hebben. Ook op reformatorische scholen kun je de visie tegenkomen dat elk kind zijn eigen kwaliteiten moet kunnen ontplooien. Daarom moet onderwijs aansluiten bij het kind dat zijn eigen kenniswereld construeert. Dat klinkt mooi, maar hoe verhoudt het één zich tot het ander? Je krijgt de indruk dat ergens tussen enerzijds de dagopening met allerlei gereformeerde noties van zonde en genade (hopelijk!), en anderszijds het eigenlijke onderwijs het mensbeeld geregeld kantelt.
Misschien is die paradoxale situatie wel goed verklaarbaar. In sommigen preken wordt de mens negatiever afgeschilderd dan reformatorisch verantwoord. Wij zijn onbekwaam tot zaligmakend goed, maar daar volgt direct: tenzij we door Gods Geest wedergeboren worden. Het is dus niet hopeloos met die tot het kwade geneigde mens; alleen ligt de grond van de hoop in Gods genade en niet onze kwaliteiten. Waar die genade echter als welhaast  onbereikbaar wordt voorgesteld, zijn er maar twee opties. Of kinderen zijn zo slecht dat er niets goeds te verwachten valt voor je onderwijs (maar dat houdt niemand vol), óf je haalt ergens anders iets positiefs over de mens vandaan. Hier zullen we meer vanuit Gods genade en de rechtvaardiging van de goddeloze moeten leren denken. Dan hebben we geen pedagogisch pelagianisme nodig.

Onbezoldigd predikant

Hieronder mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 17 januari 2012.

Op het eerste gezicht lijkt het prachtig, de figuur van de onbezoldigde predikant. Een uitkomst voor gemeenten die financieel krap zitten. En was Paulus ook geen tentenmaker? De Bond van Nederlandse Predikanten (nee, ik ben geen lid) klaagt wel over het effect op de ‘kerkelijke arbeidsmarkt’, maar dat klinkt wel heel defensief, en niet principieel.
Toch zijn er, juist uit principieel oogpunt, wel kanttekeningen te plaatsen bij het fenomeen van de onbezoldigde predikant, met alle respect overigens voor de collega die deze stap zet. Allereerst is elke predikant in principe onbezoldigd. Hij krijgt immers geen loon, maar traktement (leefgeld). Hij is niet in dienst bij de gemeente, maar wordt door de gemeente onderhouden zodat hij zich onafhankelijk geheel op zijn levensroeping kan richten: de verkondiging. Misschien ben je nóg onafhankelijker als je geheel geen traktement aanneemt, al hangt het er wel van af wat je er naast doet. De predikant die ook ondernemer is in bouwmaterialen, komt in een lastige situatie als een zusterkerk waar hij geregeld preekt wil gaan verbouwen. Daar kun je integer mee omgaan, hoe lastig dat ook is. Maar het eerste belang van een dienaar van het Woord blijft toch de verkondiging.
Het belangrijkste principiële punt is dan ook de klassieke overtuiging dat de dienst van het Woord je hele leven opeist. Dat staat onder druk bij predikantschap als een onbetaalde bijbaan. Daarbij gaat het niet zozeer om het onbetaalde, als wel om de bijbaan. Paulus was tentenmaker, maar slechts in zoverre als echt nodig was; zijn hoofdtaak bleef de verkondiging van het evangelie. De aard van de evangelieverkondiging  roept er om, de hoofdtaak te zijn. In hetzelfde hoofdstuk waar Paulus schrijft dat hij afziet van zijn ‘recht’ om zich te laten onderhouden door gemeenten, 1 Kor. 9, roept hij uit: ‘wee mij als ik het Evangelie niet verkondig!’ Die gedrevenheid is voor mij moeilijk voorstelbaar als iets erbij, in kleine deeltijd.
Anderzijds is het voor gemeenten een eer dat ze een predikant mogen onderhouden. Direct roepen de financiële mensen dat budgetten krapper worden en beginnen ze over arbeidsmarkt en dergelijke. De principiële vraag is echter, of we de verkondiging van het evangelie zo belangrijk vinden, dat het ook wat mag kosten. Waar die bereidheid verdwijnt, krimpt de kerk toch wel verder. Dat is een geestelijk probleem. In het buitenland zijn gemeenten met veertig leden die een predikant onderhouden. Goed, die predikant moet er soms wat naast doen, maar zijn hoofdtaak blijft de verkondiging. Ook voor missionaire werkers en ‘tentenmakers’ zal dat gelden.
Sympathiek initiatief dus, die onbezoldigde predikant, maar verstandig dat de PKN er verder op wil studeren.

Lezing over gezag voor leraren

Onderstaand verhaal hield ik op maandag 9 januari bij de opening van het nieuwe jaar op de Guido de Brès (Wartburg college), Rotterdam.
Omdat ík het zeg?

Gezag en gedrag in onderwijs en samenleving
Dames en heren,
Hartelijk dank voor uw uitnodiging om te spreken over gezag.
Maar wie ben ik eigenlijk om tegenover u een verhaal af te steken over gezag? Ik denk dat u vanuit uw praktijk, uw levensgeschiedenis en uw natuurlijke behoefte tot zelfontplooiing er eigenlijk meer van af weet dan ik, als u zich daar voor inspant. Dus als we nu even wat groepjes maken, u deelt ze zelf wel in, en u overlegt er over (wijs zelf even een gespreksleider aan), komen we daarna samen om standpunten uit te wisselen. Ga ik intussen mijn facebookpagina even bijhouden.
Vooruit, een beetje flauw is het wel, maar dit is zo ongeveer de manier waarop volgens velen het onderwijs idealiter wordt ingericht. Geen leraar met autoriteit en gezag vanwege zijn kennis van zaken, maar een coach die het proces begeleidt, en die daarom voor pubers is wat de leidster op de peuterspeelzaal is.
Nu is het heel gemakkelijk om daar een beetje schamper over te doen, het af te serveren en over te gaan tot de orde van de dag. Dat is wat mij betreft vanochtend niet de bedoeling. Graag haal ik met u enkele lijnen uit de Bijbel over gezag (vooraf: daar zal weinig nieuws bij zijn), en probeer met u wat ik beschouw als de gezagscrisis in onze samenleving te peilen. Vervolgens poog ik dat toe te passen op het onderwijs.
1. Bijbelse lijnen
Bij ‘gezag’ denken we direct aan het vijfde gebod: eer uw vader en uw moeder. Paulus haalt dat ook aan in Efeze 6, dat we samen lazen, als het eerste gebod met een belofte, dus iets positiefs.
“Kinderen, wees je ouders gehoorzaam.” Gehoorzaam aan het gezag. Hetzelfde wordt in vers 5 tegen slaven gezegd – en direct gaan onze moderne alarmbellen rinkelen. Worden hier the powers that be niet van een legitimatie voorzien, leidt dit niet tot kadaverdiscipline, worden mensen hier niet geknecht en onderdrukt? Legitimeert de Bijbel slavernij en staat slavernij op één lijn met het gezag tussen ouders en kinderen?
Nou nee. Paulus zegt ook een heel aantal dingen die de slavernij van binnenuit bekritiseren: in Christus is noch slaaf noch vrije. Denk aan wat hij aan Filemon schrijft over Onesimus: een weggelopen slaaf die dus de doodstraf verdiend had. Ontvang hem als een broeder, schrijft Paulus. Legitimatie van de status quo – nee, dat niet. Maar ook geen revolutie, althans niet op de manier die deze wereld een revolutie pleegt te noemen. De slaven moeten zich gedragen als ‘slaven van Christus’ (vers 6). Daar wordt alles anders van!
Anderzijds wordt van vaders en van heren gevraagd dat ze verantwoordelijk met hun gezag omgaan, in het besef dat zij onder het gezag van God staan. Gezag heeft dus te maken met hiërarchische verhoudingen, uiteindelijk staan wij allen onder God.
Dat kunnen we verstaan in het licht van Efeze 3, waar wordt gezegd dat alle vaderschap (3:15) in hemel en op aarde (vaderschap is betere vertaling dan ‘geslacht’) naar God is genoemd – van Hem is afgeleid. Niet direct, maar in naam; niet reëel maar formeel. Dat wil zeggen: elke vorm van gezag verhoudt zich tot het gezag van God, zij het niet zo dat je er een directe goddelijke legitimatie aan kunt ontlenen. Dat gebeurt helaas nog maar al te vaak, en dan wordt het eng: God wil het wánt ik wil het. Nee, het functioneert juist kritisch: echte legitimatie van gezag vindt plaats voor Gods aangezicht. Gedragsdragers hier en nu kunnen zich niet zomaar op goddelijke legitimatie beroepen, maar Gods autoriteit vormt een kritische instantie waaraan het gehalte van gezagsdragers zich laat meten.
Het is opvallend dat direct aansluitend aan de pericoop over gehoorzaamheid aan het gezag Paulus spreekt over geestelijke strijd. Let wel: strijd tegen de overheden, machten, wereldbeheersers van de duisternis. Daar gaat ten minste de suggestie van uit dat je ofwel het gezag eerbiedigt, als gezagsdragers of als ondergeschikte, op de manier waarbij je beseft dat God boven je staat, óf dat je aan de machten bent overgeleverd. Dat laatste zien we dan in onze tijd.
Maar voordat we daarop ingaan, laat me eerst in het algemeen wijzen op gezag in leercontexten. Vooral in de wijsheid kom je de verhouding tegen van de wijsheidsleraar als vader en de leerling als zoon (begin van het Spreukenboek). Hét onderwijsideaal van de Bijbel vind je in het Spreukenboek.
De wijze, de leraar, is ouder dan degene die onderwezen wordt. De leerling wordt ingeoefend in een traditie van kennis en wijsheid.
Veel dingen lijken op het eerste gezicht aantrekkelijk: de vreemde vrouw, maar ook de rijkdom, macht en dergelijke. De Spreukendichter deconstrueert ze als het ware door te laten zien waar ze toe leiden. Daarin komt het gezag van de wijsheidsleraar tot uitdrukking: hij weet meer en overziet meer dan de leerling, en wijst de weg door op consequenties te wijzen. Enkele voorbeelden:

  • De vreemde vrouw, “haar voeten dalen af naar de dood” (Spr 5:5).
  • Spr 15:27 Wie op winstbejag uit is, stort zijn huis in het ongeluk.
  • Daarom: Spr 3:1vv “Mijn zoon, vergeet mijn onderricht niet, en laat je hart mijn geboden in acht nemen, want lengte van dagen en jaren van leven en vrede zullen ze voor jou vermeerderen.”

Een ander voorbeeld van gezag, uit de Thora, waar kinderen worden ingeoefend in de traditie.
Deut. 6:20v: “Wanneer uw zoon u morgen vraagt: wat zijn dat voor getuigenissen, verordeningen en bepalingen die de HEERE, onze God, u geboden heeft? Dan moet u tegen uw zoon zeggen: wij waren slaven in Egypte, maar de HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid.”
Hoor de overgang van ‘u’ naar ‘wij’: het kind wordt meegenomen in de traditie van Israël. Die geschiedenis is zijn geschiedenis, het kind staat in breder verband, van het gezin en van het volk, van de geschiedenis. Dat is wezenlijk voor de God van Israël: Hij is de God van de geschiedenis, in tegenstelling tot andere goden uit het oude oosten, die wel een ruimte innamen, konden worden afgebeeld, maar die niet in de geschiedenis handelen.
Door middel van onderwijs, rituelen, wordt het kind verteld wat er van de grootste waarde is in de geschiedenis en voor het heden. Kinderen wordt geleerd te vragen, ook bij Pascha: Ex 12:26: “Als uw kinderen tegen u zullen zeggen: wat betekent deze dienst voor u? Dat u moet zeggen: dit is een Pascha-offer voor de HEERE.” Die kinderen bedachten de vraag niet zelf, ook die was voorgegeven. Het onderwijs gaf een antwoord op een vraag die het kind zelf niet stelde, maar aangeleerd kreeg.
Gezag van ouders en onderwijzers dient om in te oefenen in de waarheid. Die staat op het spel. Het kind is onervaren, bovendien niet van nature goed, en moet dus geleerd worden.
In deze setting ontstaat dan ook een complete leer- en leescultuur. Ik heb de wijsheid aangehaald, de Thora, dan nu ook de Psalmen. De eerste Psalm zet de toon: welzalig de man die de wet van de HEERE dag en nacht overdenkt. Lezen en leren.
Vanzelfsprekend leggen gezagsdragers in deze setting hun wil op het kind. Er wordt gedisciplineerd, en wie het gezag verwerpt, betaalt daarvoor een hoge prijs. De prijs van de dwaas die alles verspeelt (zo de wijsheidsliteratuur), maar in de wet zelfs: de prijs van zijn leven. In Deut. 21:18vv wordt de doodstraf voorgeschreven voor de weerspannige zoon. Zó is het vandaag zeker niet de bedoeling – het voert nu even te ver om dat helemaal te belichten, maar het algemene beeld lijkt mij duidelijk.
2. Huidige tijd
Als je deze Bijbelse lijnen in gedachten houdt en een stap zet naar de huidige tijd, kom je in een andere wereld terecht. Wij ademen deze lucht allemaal in, en krijgen er allemaal wat van mee. Ik noem een aantal tendensen:
1. Deconstructie van gezag en gezagsdragers.
Dat gebeurt op een aantal manieren. Je kunt denken aan de integriteit van gezagsdragers die geregeld ter discussie staat. Denk aan het misbruikschandaal in de rooms-katholieke kerk, waarmee de kerk als gezagsdrager aan de schandpaal wordt genageld. Misbruik kwam in katholieke internaten niet significant meer voor dan in andere internaten, schrijft Deetman in zijn rapport, maar dat gegeven wordt vergeten. Natuurlijk wil ik het niet bagatelliseren, het is vreselijk en het moest in kerkelijke internaten juist veel minder voorkomen dan in andere.
Gezagsdragers ondermijnen hun eigen gezag: denk aan de captains of industry, die ook een moreel voorbeeld van goed ondernemerschap zouden kunnen geven, maar die zich – in de beeldvorming althans daargelaten – kenmerken door ‘exorbitante zelfverrijking.’ Bankiers. Politici worden ‘zakkenvullers’ genoemd. Het is de vraag of het altijd waar is of dat het een kwestie van beeldvorming is, maar zó staat het er wel voor.
Nadat leraren en politici van hun gezag waren ontdaan, is het nu sinds enige tijd de beurt aan rechters en wetenschappers. Telkens gaat het om integriteit (Diederik Stapel) en politisering van standpunten (Donner en de Hoge Raad). Ronald Plasterk zei laatst in een interview in Elsevier dat hij een blauwe maandag economie had gestudeerd. Toen hij er echter achter kwam dat de hoogleraar van de PvdA wat anders zei dan die van de VVD, was hij er maar snel mee gestopt.
Instituten en gezagsdragers moeten het ontgelden. De PVV is er een meester in om hierbij het voortouw te nemen (en bijvoorbeeld een benoeming voor de Hoge Raad te blokkeren, of de Koningin te politiseren); GeenStijl bracht mede Ella Vogelaar ten val.
2. Individualisme, zelfontplooiing, authenticiteit
Mensen willen zichzelf niet meer verstaan als deel van een groter geheel, maar als individu. Ik geef mijn eigen leven vorm en moet mezelf kunnen ontplooien. Niemand moet me daarbij in de weg zitten.
Verbanden als gezin, school, stad, samenleving worden dan problematisch. Ze laten zich enerzijds niet ontkennen, maar anderzijds worden ze vooral als beknellend ervaren. Het is onloochenbaar dat ieder mens ter wereld komt in een netwerk van relaties, in een familie en in een geschiedenis die gaande is. Die mens als louter individu benaderen is een geweldige abstractie van de concrete levensgeschiedenis. Wij leven in een tijd en op een plaats, binnen een netwerk van relaties. Waar dat wordt erkend, heeft gezag een natuurlijke, ordende plaats: vader in het gezin, leraar voor de klas, de burgemeester in stad of dorp. Maar waar louter individuen zijn, wordt de grote vraag waarom die ander eigenlijk iets te zeggen zou hebben over mijn leven. (Daarom mag de SGP zich nog eens afvragen hoe principieel haar ijver voor een leefvormneutrale belasting eigenlijk is…)
Paradoxaal genoeg neemt de roep om gezag wel toe, maar dan voor anderen, zodat ik mijn levensruimte nog beter kan afbakenen. Exemplarisch is voor mij het liedje waarmee de Postbank jaren geleden reclame maakte: “15 miljoen mensen op dat hele kleine stukje aarde, die schrijf je niet de wetten voor, die laat je in hun waarde.” Dus als je mensen echt in hun waarde laat, is er geen wet. Het ideaal van de Franse Revolutie: ni Dieu, ni maître. Nou, juist omdat dat stukje aarde zo klein is, heb je wetten nodig, zou ik zeggen.
Die zelfontplooiing waarvoor ieder individu de ruimte moet krijgen, is zelf een problematisch begrip. De geïmpliceerde metafoor is die van plooien die er uit gehaald worden, waardoor het geheel zich verder uitstrekt. Ontwikkeling dus. Maar waar naartoe? Wanneer doe je het goed of slecht? It’s up to you!
Alleen zelf kun je uitmaken wat van waarde is, niemand anders mag dat ook voor jou doen. En zo ontstaat wat Charles Taylor de ‘cultuur van authenticiteit’ heeft genoemd. Het kind moet een authentiek mens worden door zichzelf te ontplooien. Nog altijd heeft dit een leeg midden: er is niet ‘iets’ dat je authentiek zou moeten worden, geen norm of centrale waarde.
3. Idealisering van het kind
Tegenover de deconstructie van gezag (en gezagsdragers) staat de idealisering van het kind als onschuldig, creatief wezen. Als het zijn natuurlijke aanleg maar kan ontplooien, komt het helemaal goed. Externe invloeden moeten zo veel mogelijk buiten worden gehouden ten dienste van de zelfontplooiing tot authenticiteit. Kindermisbruik is het allerergste in onze maatschappij en pedofielen zijn de grootste misdadigers. Ik ben het er van harte mee eens, maar ik noem het ter illustratie van het beeld van het engelachtige kind.
Frank Furedi merkt in zijn boek Wasted (vertaald als De terugkeer van het gezag) op: “Vanuit dit standpunt gold de uitoefening van gezag thuis en op school meer en meer als een potentieel probleem, aangezien het een obstakel kon zijn voor de spontane ontwikkeling van kinderen.” (126). Vandaar de aanval op traditioneel onderwijs.
Wanneer het kind inderdaad zó Einstein-achtig is als wordt beweerd, kan en moet de leraar ook terugtreden en het kind zelf laten leren waar het aan toe is – het kind kan zelf het best de ideale weg bepalen. De leraar legt zich vooral toe op steun en emotionele support zodat de goedwillende en goedbedoelende leerling uiteindelijk keurig op D66 of GroenLinks gaat stemmen.
Tot mijn verbazing komt het overdreven positieve beeld van het kind niet enkel in die kringen voor. In Alle aandacht, een boekje over preken voor kinderen en jongeren (overigens een mooi boekje!), las ik: “De puber die schijnbaar ongeïnteresseerd voorovergebogen in de bank hangt, kan soms van ontroerende betrokkenheid blijk geven.” (p. 17).
Natuurlijk stuit dit pedagogisch pelagianisme op de harde realiteit. Kinderen zijn van nature niet goed. Ze grijpen uit zichzelf niet naar Guido Gezelle maar naar games. Maar welke volwassenen komen deze kinderen tegen?
4. Crisis van volwassenheid
In onze cultuur is niet langer de volwassenheid het ideaal, maar jeugd. Niet eerder zo vertoond in de geschiedenis van de mensheid. Laat me de kleding als voorbeeld nemen: kinderen willen zich niet kleden als volwassenen, maar volwassenen willen zich vaak kleden als jeugdigen. De Bijbel noemt de grijsheid een kroon, maar jeugdig is de norm in de alomtegenwoordige reclame.
Het wegvallen van hiërarchische verhoudingen in de dominante cultuur maakt dat ouders zich beschouwen als de maatjes van hun kinderen. Die voelen zich vervolgens geregeld bedrogen, omdat ouders wel degelijk gezag en macht uitoefenen over hun kinderen. Maar volwassenen doen nauwelijks moeite meer om kinderen te leiden tot volwassenheid.
Gedrag dat vanouds met volwassenheid en met gezag geassocieerd werd – als zelfbeheersing, verstandige uitwisseling van argumenten, deugdzaam leven –delft het onderspit in het media-geweld van ongeremde emotie. Authentiek is het wel, maar zelfontplooiing? Het hangt er maar van af waarnaartoe. Dat brengt me bij het belangrijkste punt van alle:
5. Waardeloosheid / het lege midden
De zelfontplooiing is richtingloos, er is geen norm, geen waarheid. Dit is postmodernisme in optima forma. Ieder moet zelf maar uitzoeken wat zijn authentieke waarheid is. Maar dat hoeft een ander helemaal niet te interesseren. De waarde van de Westerse cultuur, van geschiedenis, van literaire schoonheid – het wordt allemaal tot een kwestie van smaak.
Goethe zei: “wer nicht von 3000 Jahren sich weiss Rechenschaft zu geben, bleib’ im Dunkeln unerfahren, mag von Tag zu Tage leben.” Maar misschien spreekt wat Kluun heeft gezegd, me wel meer aan. Literaire prijzen? Elitair!
Er is geen groot, verbindend verhaal, en dus moet het onderwijs zich ook maar richten op de instrumentele kant. Geen kennis dus (want welke kennis dan? De discussie raakt direct gepolitiseerd), maar vaardigheden die de leerling zelf kan toepassen. Rekenen en taal zijn dan nog wel belangrijk, maar geschiedenis?
Let wel, dit is de precieze omkering van het Bijbelse beeld. Gezag ontstaat daar waar een oudere, wijzere, een jongere, onervaren en geneigd tot het kwade, wegwijs maakt in deze chaotische wereld. Doel is leven tot Gods eer. Daartegenover staat de authentieke zelfontplooiing. Wanneer lukt die? Bij gebrek aan hogere waarden telt hier de cynische waarde van het getal: als je er veel geld mee verdient, veel aandacht mee genereert, doe je het goed. Onze helden zijn geen filosofen of literatoren (zoals eerder in onze cultuur) maar pophelden, Idols, of zelfs de aso’s van Oh Oh Cherso.
Onze samenleving is leeg als het om dit soort dingen gaat. Als ik ook even authentiek mag zijn: het raakt me diep als ik Ruth Peetoom hoor zeggen dat het CDA meer moet verbinden, maar geen idee heeft wat waarmee verbonden moet worden en waarom?
3. En nu?
OK, en dan ga je als leraar aan de slag in je klas. Wat betekent ‘gezag’ dan concreet? Hoe ga je tegen deze maatschappelijke achtergrond, gehoord de manier waarop de Bijbel spreekt over gezag, aan de slag?
1. De kern van het verhaal
Tegenover het gebrek aan centrale waarden in onze samenleving, vol overtuiging staan voor de waarheid. Het is niet waar dat het niet uitmaakt wat leerlingen meekrijgen. Ze zijn geneigd tot het kwade, maar u krijgt de kans ze de goede weg te wijzen! Gezaghebbend optreden betekent dat je een verhaal hebt, dat je weet wat goed is en fout is – en ja, dat je dat beter weet dan die leerling, daarom wijs je hem en haar de weg. Dat je daarbij zelf niet onfeilbaar bent, uiteraard – maar het ergens over. Het gaat toe naar het Koninkrijk van God, en onze levens gaan ofwel die kant op, óf niet.
Het unique selling point van het bijzonder onderwijs zijn de krachtige waarden, of beter gezegd: de waarheid van het evangelie.
2. Vakbekwaam
Gezaghebbend ben je als je echt wat weet en wat te vertellen hebt (double entendre: ‘wat te vertellen hebben’ betekent immers ook: invloed of gezag hebben). Furedi beschrijft in zijn boek hoe steeds meer energie in het onderwijs is gaan zitten in het zorgen voor het emotionele welbevinden van kinderen. Juist daardoor worden ze steeds onzekerder, want als alle antwoorden goed zijn en er niet één als fout wordt aangemerkt, wat heeft er dan nog waarde? Dus zijn ze aangewezen op andere, subtiele aanwijzingen voor wat er écht goed is.
Zullen we ons niet laten wijsmaken dat het waar zou zijn wat Furedi uit een overheidsdocument opdiept, dat wat voor waar wordt gehouden met het uur verandert? Dat cynisme is de doodsteek voor het gezag van de leraar. Hij vertelt wel hoe het zit, in de geschiedenis of in de wiskunde, maar morgen kan het weer anders zijn. Nee! Bepaalde zaken zijn het waard om onderwezen te worden.
Vakbekwaamheid is nodig – als onderwijzer. Er wordt hoe langer hoe meer benadrukt dat leerlingen op allerlei manieren en in allerlei contexten leren, en dat leren levenslang is en dat dus school niet de enige plek is waar ze leren. Maar leren is niet hetzelfde als onderwijs. Onderwijs richt zich op kennis. Wat mensen verder leren hoeft geen kennis te zijn. En tegen mensen die zeggen dat formele kennis niet meer nodig is in dit informatietijdperk; nogmaals: informatie is nog geen kennis. En hoe meer overload er aan informatie komt, des te meer kennis heb je nodig om je weg te vinden. Formeel onderwijs en kennis zijn broodnodig, juist in het Wikipedia-tijdperk.
De grote vraag is dus: weet je waar je het over hebt, als je het ergens over hebt? Docenten die geen boeken lezen zijn wat mij betreft een contradictio in terminis.
3. Horizon verbreden
De Spreukendichter verbreedt de horizon van de leerling. Kijk, je ziet nu wel iets voor je dat appelleert aan je neiging tot instant-behoeftenbevrediging (eten, macht, rijkdom, seks) – maar kijk eens verder. Gezag functioneert metterdaad waar deze horizonverbreding plaatsvindt. Waar je een leerling een antwoord geeft op een vraag die hij niet stelde, word je al snel voor ouderwets versleten. Maar als je aantoont waarom die vraag wél de moeite waard is (gerelateerd dus aan die waarden waarover we spraken), dan ontstaat dat bijzondere gevoel dat bij écht onderwijs hoort. Het gevoel dat ik had toen mijn leraar Duits besloot dat hij met ons Goethe’s Faust ging lezen en interpreteren. Het gevoel dat je als leraar hebt als je een ingewikkelde kwestie in wiskunde of geschiedenis zó hebt gedoceerd dat het overkomt. Ik denk hier met name aan die vakken die in onze tijd niet zo in tel zijn: literatuuronderwijs, geschiedenis, klassieke talen. Onderwijs dat je uitrukt boven de directe ervaring van het hier en nu, dat je doet beseffen dat je deel uitmaakt van een groter geheel, dat je besef geeft van cultuur. Het ware, schone, goede – dát (waarbij voor het reformatorisch onderwijs nog wel een uitdaging ligt ten aanzien van het schone…).
Waar dit gebeurt, wordt de leraar weer werkelijk cultuurdrager. Dan is ‘gezag’ dus ook echt van een andere orde dan dat je orde hebt in de klas. Dat is een niet onbelangrijke randvoorwaarde. Maar er wordt iets overgedragen, getradeerd, dat niet op een andere manier te verkrijgen was. Natuurlijk had ik Faust kunnen vinden en er wat over kunnen googelen, maar de expertise en bevlogenheid van een klassesituatie zijn niet te evenaren.
4. Identificatiefiguur: integer, authentiek
Dit noem ik als vierde, want als de eerste drie er niet zijn, verwordt dit tot enkel populariteit en past ‘gezag’ er niet bij. Een authentiek christelijk leven, wat is dat nodig voor leerlingen. Merken ze aan u en mij dat wij ons niet laten verblinden door geld en goed, macht en aandacht, de grote ruilmiddelen van onze samenleving? Op dat punt ga ik mee in de huidige consensus: als je niet in praktijk brengt wat je zegt, vervalt je gezag. Natuurlijk, we zijn mensen, gebrekkig, laten we dat dan ook communiceren – maar vervolgens wel er bij leven.
Op dit punt moet de hand in eigen boezem. Ondermijnen we niet het gezag van reformatorisch onderwijs als dé discussies gaan over een legging en over een Herziene Statenvertaling? Weten we nog wel waar het op aankomt, waar het om gaat?
De gezagsvolle leraar is identificatiefiguur. Hopelijk als volwassene. Vrienden hebben ze al wel, ze zoeken volwassenen waar ze tegen op kunnen kijken en van kunnen zeggen: zó wil ik ook zijn.
Ik weet hoe je er tegenop kunt zien aan het begin van weer een nieuw jaar. Maar bedenk eens waar u het voor doet.
Zo hebt u de hoge roeping om leerlingen wegwijs te maken in een chaotische wereld. Leid ze op een pad van licht.