Vrede op aarde

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van gisteren (20-12-2011).

Vrede op aarde, zongen de engelen in de Kerstnacht. Het was toen niet te zien en het is nog niet te zien. Het is een geloofszaak. Geweld voert de boventoon.
De christelijke minderheid in Egypte wordt hoe langer hoe meer gediscrimineerd en onderdrukt, terwijl het Egyptische leger op een schaamteloze manier optreedt tegen alles wat mogelijk dissident is. De zogenaamde Arabische lente gaat met veel bloed gepaard en maakt het perspectief voor christenen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten allengs somberder. En niet alleen voor hen: de democratisering waar velen in de Westerse wereld op hoopten, blijkt vooral op islamisering uit te lopen. Als wij straks in onze veilige kerkgebouwen ongestoord kunnen samenkomen, is er alle reden om te bidden voor broeders en zusters die het steeds moeilijker krijgen.
Ook in ons land is van ‘vrede op aarde’ weinig te zien. Integendeel: hoe langer hoe meer lijkt de consensus zich af te tekenen dat alle religie in de kern gewelddadig is. Men gooit voor het gemak islamitisch gemotiveerd terroristisch geweld op één hoop met andere vormen van ‘geweld’. Religie leidt tot geweld tegen dieren, en daarom moet de godsdienstvrijheid maar worden ingeperkt, vindt de dierenpartij, en met haar een meerderheid van ons volk. Bij seculiere kranten en tv-programma’s mocht Marianne Thieme uithuilen over die vervelende Eerste Kamer, die zich zo politiek zou hebben opgesteld, als was het de Tweede Kamer. Dat was juist niet het geval, de argumenten waren van hoogst principiële kwaliteit. Maar het beeld is bevestigd: religie gaat gepaard met geweld.
Verontrustend, vooral omdat in de zaak van het misbruik in rooms-katholieke kring dienaren van de kerk zelf zich schuldig hebben gemaakt aan seksueel geweld. Schokkend om te beseffen dat weerloze jonge kinderen soms jarenlang het slachtoffer werden van dit geweld. Voor dat leed zijn geen woorden. De kerk moet een veilige plek zijn.
In de beeldvorming wordt echter alles al snel op de ene hoop van religie geveegd. Daardoor staat godsdienst er op als achterlijke, gewelddadige ideologie en orthodoxie als iets engs. Hoe kan de kerk in deze context geloofwaardig spreken over vrede op aarde? Laten we benadrukken dat niet wij de vrede op aarde maken, dat kerkmensen niet een soort natuurlijke morele superioriteit hebben. Jezus Christus wilde alle geweld ondergaan, tot het laatste toe, om degenen die Hem geweld aandeden, te bevrijden en te verzoenen met God. Hij breekt de keten van geweld. Hij is onze vrede, schrijft Paulus. Dus toch: vrede op aarde.
Gezegend Kerstfeest toegewenst.

Christen op Twitter

Voor de lustrumbundel van het Utrechtse dispuut Sola Scriptura (CSFR) schreef ik een bijdrage over ‘Christen op Twitter’. Gepubliceerd in Caroline Quint e.a. (red.), Nothing Personal. Van verkenning van jezelf tot verbinding met de ander, Lustrumbundel Sola Scriptura, [z.p.], 2011, 54-59.
Met toestemming van Sola Scriptura (waarvoor dank) neem ik de bijdrage hier over, met de kanttekening dat de bijdrage een tikkeltje gedateerd is: het RD is tegenwoordig, als ik me niet vergis, lang zo negatief niet meer over social media.
CHRISTEN OP TWITTER
Hoe ga je als christen om met social media als Twitter en Facebook? Ga je er wel mee om, of kun je social media maar beter links laten liggen? Als predikant en twitteraar draag ik graag een steentje bij aan de bezinning. Eerst wat algemene observaties bij social media, dan een toespitsing naar gebruik van social media door christenen.[1]
Bezint eer gij begint.
Voor de enkele lezer (zijn ze er nog?) die niet weet wat social media zijn: je deelt via kleinere of grotere berichten en foto’s (status updates of tweets) mee wat je mee wilt delen, in beginsel aan de hele wereld. Via Facebook kan dat uitgebreid en met foto’s of video’s; Twitter is wat spartaanser: beperkt tot 140 tekens per tweet.[2] In het begin is dat best vreemd, maar als je bedenkt wat voor soort berichten jij graag van anderen leest, kom je in de buurt van wat je zelf zou kunnen twitteren. Dus: een gehaald tentamen, maar niet voor de vierde keer op een dag dat je donut eet (dat moet je natuurlijk niet doen, maar je moet het zeker niet twitteren).
Voor wie het nog niet wist: het internet vergeet niet. Ook al verwijder je de tweet, hij (of is een tweet vrouwelijk? Zou zo maar kunnen) blijft vaak nog wel te vinden. Bedenk voor je ‘zomaar’ wat schrijft, dat het voor iedereen zichtbaar is. Is dan de lol er af? Je kunt natuurlijk een ‘slotje’ op je account zetten, waardoor je tweets alleen te lezen zijn voor gebruikers die jij daarvoor toestemming geeft – maar als deze mensen ‘m retweeten, helpt dat nog niet.
Positief
Waarom zou je dan eigenlijk aan social media beginnen? Meldt de calvinistische inborst zich niet luid: ‘wat héb je er eigenlijk aan?’ Laat me een aantal pluspunten noemen:

  1. Netwerk. Het is een stuk eenvoudiger om een groter netwerk te onderhouden. Met oud-jaargenoten heb ik weer contact via Twitter. Dit zou zonder social media niet gelukt zijn. Let wel: dit komt dus niet in de plaats van normaal contact maar in plaats van geen of nauwelijks contact. Daarnaast kun je meeleven met de dagelijkse beslommeringen van een zendeling in Azië, bijvoorbeeld. Ook kan een dergelijk netwerk handig zijn om op de hoogte te blijven van vacatures.
  2. Informatie krijgen. De hashtag #durftevragen of #dtv is erg handig voor tal van vragen: naar een pannenkoekrestaurant tussen Utrecht en Arnhem, naar een naam waar je niet op kunt komt, of iemand ervaring heeft fotocamera’s van dat merk, enzovoorts. Dat levert geregeld echt wat op: zonder Twitter had ik een van de fondsen die mijn proefschrift sponsorden, gemist – en een aanzienlijk bedrag.
  3. Contact en doorgeven. Niet voor niets spreken we van social media: om mee te doen moet je ook meedoen: zelf ook wat schrijven, meegeven, delen. Of hebben christenen niets mee te delen op Twitter? Niet enkel Bijbelteksten of citaten van C.S. Lewis, maar ook praktisch christelijk leven, zonder dat het er duimendik bovenop ligt.

Ja maar
Er zijn ook andere kanten aan social media. Dat privacy een probleem is bij Facebook, is bekend; niet voor niets zet oprichter Mark Zuckerberg nauwelijks wat op zijn FB-pagina. Je kúnt erg veel tijd verliezen aan eindeloos twitteren en facebooken. Maar ja, als je die sites niet had, zat je wel anderszins nutteloos te internetten, als je je op dit punt niet kunt beheersen. Er zijn serieuzere negatieve kanten, die nu juist voor een christen een nieuwe uitdaging kunnen bieden.
Exhibitionisme en narcisme
Is het niet heel erg vreemd om allerlei persoonlijke dingen te delen met zogenaamde ‘vrienden’ (FB) of ‘volgers’ (Twitter)? Alsof je zo’n interessant leven hebt. Eerlijk gezegd denk ik dat de verhalen over ‘facebookdepressie’ bij jongeren die zich spiegelen aan de interessante en mooie levens van anderen,[3] een tikkeltje overdreven zijn (in het pastoraat kom ik deze mensen nog niet tegen). Maar toch: je schrijft het niet zo snel als het niet zo lekker ging, als je je om welke reden dan ook wat minder geweldig voelt – en de foto’s van gemeenteleden op Facebook zijn nogal eens flatterend te noemen. ‘Kijk eens hoe geweldig ik ben!’ En als je dan toch eens wat vervelends twittert, is dat niet om toch wat steun te krijgen (‘kom op’, ‘hou vol!’)?
Hoe kun je je op dit punt als christen onderscheiden? Door niet jezelf te presenteren als de meest bijzondere persoon op aarde, maar door afstand te nemen van dit hedendaags narcisme door des te meer Jezus Christus na te volgen. Het gaat niet om mij, het gaat om Hem. Zonder dat dat in elke tweet of statusupdate met zo veel woorden geschreven wordt: zoiets stempelt je hele leven.
Intiem kapitaal
In het essay voor de maand van de filosofie 2011, getiteld Echte vrienden,[4] schrijft Stine Jensen veel wat overeenkomt met wat ik hierboven schreef. Jensens essay, over ‘Intimiteit in tijden van Facebook, GeenStijl en Wikileaks’, legt – geheel in overeenstemming met wat ik hierboven schreef – de vinger bij het narcisme van de sociale media. Er is op Facebook geen ‘vind ik niet leuk’-knop: je kunt alles alleen maar leuk vinden. Daarnaast wijst Jensen het onrustige denken, het springerige en de ‘onelinerigheid’ (28) als problemen aan. Bijzonder treffend legt ze er de vinger bij dat de populariteit van social media past in de trend om journalistiek vooral als ‘human interest’ te presenteren: op zoek naar de mens achter het nieuws. Politici maken daar handig gebruik van (ga maar eens na wat je allemaal van premier Mark Rutte weet: zijn oude Saab, zijn moeder, zijn vriend Jort Kelder enzovoorts; wat weet je eigenlijk van voorganger premier Wim Kok?).
Maar het grootste probleem van de sociale media ligt volgens Jensen op het gebied van het ‘intiem kapitaal’, een term afgeleid van het gedachtegoed van de Franse socioloog Pierre Bourdieu. Onder intiem kapitaal verstaat Jensen alles wat betrekking heeft op waardevolle persoonlijke informatie (14), ofwel ‘verhandelbare privacy.’ (15). Geheel vrijwillig geven wij steeds meer van dit intiem kapitaal prijs. Daaraan kleven bezwaren op het gebied van privacy en dergelijke (bedrijven verzamelen deze gegevens om er analyses op los te laten), maar belangrijker nog: doordat je zo veel deelt met zo veel ‘vrienden,’ worden die ‘vriendschappen’ steeds minder waard. De wederkerigheid ontbreekt ook vaak. Waar een echte vriend daarin een vriend is, dat hij je de waarheid durft te zeggen en een spiegel voorhoudt, desnoods genadeloos, is dat op social media niet voorhanden.
Nu zou je Stine Jensen gemakkelijk voor kunnen houden dat al die ‘vrienden’ op Facebook niet ten kosten hoeven gaan van échte vriendschappen met echte vrienden. Wie social media ziet als een vervanging van diepgravend persoonlijk contact, komt bedrogen uit. Ze zijn uitermate geschikt voor de wat mindergravende contacten, die je anders niet zou onderhouden. Je moet Twitter en Facebook niet zien als vervanging van een gesprek met een goede vriend, maar als gesprekken die je voert bij de koffieautomaat: soms nuttig en diepgaand, soms helemaal niet.
Christelijk twitteren?
Wat betekent dit nu specifiek voor een christen op Twitter of Facebook? Als deze social media inderdaad te vergelijken zijn met een gesprek bij een koffieautomaat, dan lijkt er niets specifieks christelijks aan te zijn. Zoals het lastig is om een typisch christelijk gebruik te maken van, in omgekeerde chronologische orde, e-mail, de telefoon, de brief en de telegraaf – afgezien van de inhoud, natuurlijk. Zijn de social media niet gewoon een nieuw medium waar we niet al te diepzinnig over moeten doen, maar die we gewoon in vrijheid en met voorzichtigheid kunnen gebruiken? Iets van die ontspannenheid zou mij wel welkom zijn; de vrij negatieve toon van het Reformatorisch Dagblad over Twitter en Facebook mag wat mij betreft getemperd worden – wel grappig dat de krant zelf en haar journalisten tamelijk actief zijn op Facebook en Twitter.[5]
Toch zijn er volgens mij wel enkele specifiek christelijke aandachtspunten bij gebruik van social media. Ik noem er drie.
 1. Tegen het narcisme de eenvoud. Hierboven schreef ik al een statement tegen het narcisme dat vaak inherent lijkt aan sociale media. Volgens mij hoeft het niet narcistisch te worden – het narcisme zit in heel onze cultuur, en je damt het niet in door je maar ver te houden van sociale media. Het kan zelfs een oefening zijn in er niet mee gaan. Daarnaast kunnen sociale media dienstbaar zijn om oog te hebben voor elkaar. Goed, er zitten haken en ogen aan, maar het kan wel het begin zijn van een dieper gaand contact. Meerdere keren heb ik uitgebreide e-mailwisselingen gehad met mensen die mij voorheen onbekend waren, maar die ik via Twitter had leren ‘kennen.’ Voor een predikant een mooie gelegenheid om in gesprek te raken met volstrekt seculiere mensen.
 2. Echt intiem kapitaal. Jensen schrijft dat echt intiem kapitaal uiteindelijk niet datgene is dat je zomaar met iedereen deelt, maar ‘de kwelgeesten uit de darkroom van je hersenpan.’ (80) Je karakter dus, met alle onhebbelijkheden van dien. Wie met dat alles, met zijn of haar – het hoge woord moet er maar uit – zonde en gebreken leeft van de genade van Jezus Christus, die wordt een nieuw mens. Dáár valt dan toch ook van uit te delen. Van wat je leest, ervaart van God: dat is toch intiem kapitaal dat het waard is gedeeld te worden? Geheel in lijn met de ontwikkeling van onze cultuur wordt de seculiere medemens niet zo gemakkelijk bereikt met een direct evangelisatorisch verhaal. Maar een opmerking over wat iemand persoonlijk aan zijn of haar geloof heeft zou iemand ten minste geïnteresseerd kunnen maken – ik heb een aantal van dat soort ervaringen gehad. Uiteraard treedt hier de paradox van de authenticiteit in werking: het is zo zeer van belang om écht authentiek over te komen, dat we ons best doen om authentiek over te komen, wat dan weer niet echt authentiek is.
3. Gezond wantrouwen. Voor een christen hoeft het geen verrassing te zijn dat onze privacy onder druk staat en dat gegevens die Google, of de overheid, of welke instantie dan ook, verzamelt, gebruikt worden voor doeleinden die niet altijd even nobel zijn. We belijden dat mensen van nature zondaren zijn, laten we dan ook van social media gebruik maken met die wetenschap. Dat maakt je voorzichtig in wat je schrijft en niet schrijft. Niet alle vrienden kun je vertrouwen als die Ene.
Dr. A. Huijgen, Genemuiden


[1] Waarschuwing vooraf: er zullen veel Engelse termen gebruikt worden in dit artikel. Wie zich terminologisch wil oriënteren, doe dat – om in stijl te blijven – via Google.
[2] Sommigen smokkelen via www.twitlonger.com, maar doorgewinterde twitteraars beschouwen dat over het algemeen als valsspelen.
[4] Stine Jensen, Intimiteit in tijden van Facebook, GeenStijl en WikiLeaks, Lemniscaat 2011.
[5] http://www.facebook.com/refdag en http://twitter.com/#!/refdag ; om redenen van privacy (kuch) laat ik de verwijzingen naar journalisten van het RD weg.

Zürich: doopvont en avondmaalstafel

Gisteren sprak ik een meditatie uit tijdens het bezinningsuur voor het Heilig Avondmaal, komende week. Ik vertelde ook over wat ik in Zürich in de Grossmünster zag: de (kleine) Avondmaalstafel bovenop de (ruim uitgevallen) doopvont. Prachtige symboliek: de verbondenheid van Doop en Avondmaal: het Avondmaal onderstreept wat in de Doop al wordt beloofd. Ik bleek er nog een foto van te hebben:
 

Bidden of vasten?

Vandaag vallen ze samen: voor protestanten de biddag voor gewas en arbeid, voor rooms-katholieken Aswoensdag, het begin van de vastentijd. Langs de lijnen ‘bidden’ of ‘vasten’ zou je dus protestants en rooms-katholiek kunnen indelen? Zo simpel ligt het niet. Een groeiend aantal protestanten (volgens dit artikel vooral jongeren) zoekt actief naar een invulling van de vastentijd. Vaak gebeurt dat in de vorm van een gedeeltelijk je onthouden van genotsmiddelen, zoals alcohol of zoetigheid.
Graag voeg ik aan de overwegingen drie punten toe.
Ten eerste: bidden en vasten sluiten elkaar niet uit, maar in. In de Bijbel gaan bidden en vasten vaak samen op, en dient het vasten de concentratie op het gebed (2 Kron. 20:3, Neh. 1:4, en let op de manier waarop het vasten in de Bergrede direct na het bidden wordt behandeld, Matth. 6:16-18). Ook in de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme heeft het vasten ook wel degelijk een plaats. Ik haal hier enkel Calvijn aan (er zou meer te noemen zijn). Calvijn:

Het heilige en wettige vasten heeft drie doeleinden. We gebruiken het namelijk ofwel om het vlees af te matten en te onderwerpen, zodat het zich niet te buiten gaat, ofwel om beter toegerust te zijn voor het gebed en heilige overdenkingen, ofwel als blijk van onze verootmoediging voor God, wanneer we onze schuld voor Hem willen belijden. […] Om verwarring over de benaming te voorkomen moeten we nader bepalen wat vasten is. Wij vatten het hier namelijk niet op als een terughoudendheid en spaarzaamheid in eten en drinken zonder meer, maar als iets anders. Het leven van vromen dient inderdaad gestempeld te zijn door matigheid en soberheid, zodat het gedurende de hele loop ervan zoveel mogelijk door een soort van vasten gekenmerkt wordt. Maar daarnaast is er nog het tijdelijke vasten, waarin we iets meer terughoudendheid betrachten dan we in het gewone leven gewend zijn, gedurende een dag of voor een bepaalde tijd, en onszelf meer en strenger beperkingen opleggen ten aanzien van het gewone eten. (Inst. 4.12.14, 18)

Wel waarschuwt Calvijn dat het om het hart gaat, meer dan om het uiterlijk vasten; we moeten niet denken dat we er iets mee verdienen. Hij noemt de veertigdaagse vasten een bijgelovige praktijk, met name omdat men enerzijds wettisch en strikt is, maar anderzijds het lekkerste eten tijdens de vasten nuttigt (Inst. 4.12.19, 20).
Ten tweede. Belangrijker dan de manier die je kiest, lijkt mij het doel. De vastentijd (wij protestanten zeggen: lijdenstijd) bepaalt ons bij het lijden en sterven van Jezus Christus. Voor mij kan een invulling van de lijdenstijd in de zin van vasten vooral nuttig zijn om me dáárop te concentreren. Met andere woorden: zoals ik bij het eerste punt stelde dat bij gebed het vasten een plek heeft, zo zou ik anderzijds willen stellen dat de vastentijd vraagt om gebed. Anders wordt het maar een soort ascese die weinig nut heeft (1 Tim. 4:8).
Ten derde. De vrucht van de Geest (Gal. 5:22) is ook: matigheid (vergelijk Rom. 12:3, 1 Tim 2:15; 2 Petrus 1:6). Het is een krachtig christelijk getuigenis in onze tijd als we weten genoeg te hebben (1 Tim. 6), zonder in mateloosheid te vervallen. Velen worden gedreven door de zucht naar eten, drinken, roem, geld of wat ook. Ongemerkt kun je daarin worden meegenomen. De lijdenstijd/vastentijd kan dienen om jezelf daarop te onderzoeken, je te verootmoedigen, en door Gods genade te bekeren. Daarbij klinkt de waarschuwing van Calvijn wel door: dit moet niet beperkt worden tot de veertig dagen, dan kan zelfs het vasten tot bijgeloof worden.
Voor wie verder lezen wil: Calvijn, Institutie, boek 4, hoofdstuk 12, paragraaf 14-20; John Piper, Honger naar God.

Predikant en politiek

Aristoteles noemde de mens een sociaal wezen (Grieks: zooion politikon) – met enige overdrijving zou je dat kunnen vertalen als ‘een politiek dier’. In hoeverre kun je je als predikant politiek engageren? Een vraag voor P&P, zo vlak voor de verkiezingen.
In het bijzonder nuttige boek van Jacques Schenderling over beroepsethiek van pastores vinden we dat een pastor wel zich in zekere mate politiek kan engageren door lidmaatschap van een politieke partij, maar niet door zitting te nemen in bijvoorbeeld een gemeenteraad. Het expliciete lidmaatschap van een politieke partij is volgens mij ook niet altijd verstandig. Zeker wanneer de politieke voorkeur nogal extreem is, of sterk afwijkend van de voorkeur van een belangrijk deel van de kerkelijke gemeente die de pastor dient, dienen we als pastores terughoudend te zijn. Al te snel wordt de politieke voorkeur een issue waardoor het pastorale contact belast of zelfs onmogelijk raakt.
Een pastor die een voorkeur heeft voor de PVV, de Partij voor de Dieren, of de Piratenpartij, kan in de meeste kerkelijke contexten die voorkeur dus maar beter voor zich houden. Zelfs geldt dat naar mijn indruk voor een CU stemmende predikant in een gemeente waar het merendeel CU stemt, en een aanzienlijke minderheid SGP. Over dat laatste valt te twisten, maar persoonlijk kies ik er graag voor mijn pastoraat op geen enkele wijze met politieke stellingname te belasten.
In de huidige tijd waarin predikanten (althans sommige) hoe langer hoe meer ‘aanraakbaar’ worden, en door participatie in sociale media als Twitter zich ook steeds meer mengen in allerlei gesprekken die slechts indirect aan hun ambtelijke verantwoordelijkheid raken, wordt dit alles steeds ingewikkelder. Laatst merkte iemand al op dat hij me miste zodra er over conservatisme werd gediscussieerd. Soms jeuken mijn vingers, maar terughoudendheid lijkt me verstandiger.
Er zijn tal van collega’s die andere keuzes maken: hetzij door zich verkiesbaar te laten stellen voor de Tweede Kamer, hetzij door zich in het openbaar uit te spreken voor een bepaalde partij, of door via Twitter of weblog een steentje bij te dragen aan de politiek. Benieuwd wat de lezers van dit weblog vinden. Laat het weten in de comments!

Waarom ik twitter – en waarom dominees al dan niet zouden moeten twitteren

Vanmiddag krijg ik bezoek van een journalist van het blad Terdege, die met mij wil spreken over het gebruik van moderne media. Hij is onder andere geïnteresseerd in Twitter. Nu heb ik steeds een wat ambivalente houding ten opzichte van Twitter gehad; toch doe ik het nog steeds, en stop ik nog niet (dit gerucht is dus onjuist). Waarom eigenlijk? Wat zijn de pro’s en contra’s voor een predikant op Twitter? Ik noem een aantal dingen die volgens mij specifiek zijn voor Twitter.
Pro
1. Discussieplatform
Via Twitter informeer je je snel over allerlei discussies. Je bepaalt zelf wie je volgt en dus: hoe veel en wat er tot je komt. Je kunt inhaken in een gesprek of besluiten om dat niet te doen. Dat breed uitwaaierende en de mogelijkheid tot participeren maakt het anders dan een opiniepagina van een krant (waar de kwaliteit wel vaak hoger ligt) of een forum (waar je het onderwerp van discussie al opzoekt – bij Twitter word je er mee geconfronteerd, het is nieuwsgieriger. Als je voeling wilt houden met wat er her en der leeft, is het een mooie manier om van alles op te pikken.
2. Klankbord en informatiebron
Als je even snel een vraag wilt uitzetten bij veel mensen, waag er dan een tweet aan. Ik zie de hashtag (uitleg)  #durftevragen geregeld langs komen, en vaak komt er ook een nuttig antwoord. Of iemand nu vraagt naar een pannenkoekrestaurant in een bepaalde regio, of – zoals ik – aan twitterende gemeenteleden vraagt om een vraag voor de vragenrubriek aan te leveren, meestal komen er meerdere nuttige tips. Ter illustratie: mijn tweets over mijn zoektocht naar fondsen om de publicatie van mijn proefschrift te ondersteunen, leverde een tip op die inmiddels in een aanzienlijke toezegging heeft geresulteerd. Volgens mij bereik je deze vormen van crowdsourcing niet met andere media dan Twitter.
3. Uithangbord (voor een weblog bijvoorbeeld)
Als ik een bericht heb geschreven op dit weblog, of het andere waaraan ik meewerk, dan meld ik dat op Twitter. Van verschillende kanten hoor ik dat dit voor veel mensen dé toegangspoort tot mijn weblogs is. Ook gemeenteleden die niet twitteren, pikken dit op.
Concreet: afgelopen zaterdag sprak ik op de christelijke gereformeerde ambtsdragersconferentie. Volgens het RD waren er zo’n 70 bezoekers; ik denk dat dat klopt. De tekst van de lezing op mijn weblog is, sinds ik ‘m plaatste en dat op Twitter meldde, al ruim 100x bekeken. Of het nauwkeurig gelezen is, kan ik niet nagaan, net zo min als ik weet of het zaterdag nauwkeurig gehoord is. Het aardige is dat er direct via Twitter en andere media gereageerd kan worden. Die ene lezing bereikt dus meer mensen – en dat is mooi: het Woord verspreiden.
Natuurlijk geldt deze signaalfunctie niet alleen voor een weblog. Je kunt ook citaten of ‘denkduwtjes’ twitteren; ik doe dat ook wel, maar het zou nog meer kunnen.
4. Sociaal medium
Dit vierde punt is eigenlijk de primaire functie van Twitter: je onderhoudt allerlei contacten. Via Twitter heb ik bijvoorbeeld contact met studenten uit de gemeente die ik anders minder zou spreken, maar ook met jaargenoten die ik al jaren niet gesproken had. Onder andere via het twittercontact kwam het tot de organisatie van een reünie en een studiedag. Ik volg de verrichtingen van collega-predikanten en zendelingen op ten minste vier werelddelen. Natuurlijk zijn de contacten wel totaal anders dan in het gewone leven. Veel mensen zullen dit ‘oppervlakkiger’ vinden. Misschien is het dat ook, maar laten we bedenken dat deze contacten niet in plaats van contacten in het echte leven komen, maar daarop aanvullend zijn.
Contra
1. Trivialiteit en exhibitionisme
Wat heeft het voor zin te melden dat je met de exegese van een preek bezig bent, of om zulke berichten van een ander te lezen? Toen ik verschillende mensen in mijn omgeving, ook gemeenteleden, vroeg naar wat ze van mijn getwitter vonden, kreeg ik veel positieve reacties (eerlijk gezegd: meer dan ik had gedacht). Maar waar het kritisch werd, betrof het dit punt. Niet allereerst ‘kost het niet te veel tijd en heeft hij niet wat beters te doen?’, maar: ik wil eigenlijk helemaal niet weten wat onze dominee van dagdeel tot dagdeel doet. Er zullen allerlei mensen zijn die dat maar wat interessant vinden, werd me gezegd, en juist dat soort gedrag verdient geen aanmoediging. Daar zit wat in. Een aansporing dus om tweets vooral inhoudelijk te houden.
Dan nog blijft het gevaar van exhibitionisme. Toen ik begon met twitteren, voelde ik mezelf schrijven over wat ik deed en dacht. “Heb ik nou echt zo’n interessant leven dat dit het melden waard is? Stel ik mezelf niet in het middelpunt? Strijdt dat niet met mijn roeping?” Volgens mij hoeft dat allemaal niet, maar is het wel zaak om er voortdurend op te letten dat het niet die kant op gaat.
2. Beslag op de tijd
Dit kritiekpunt komt, opvallend genoeg, vooral van de kant van collega-predikanten en minder van de kant van gemeenteleden, is mijn inschatting. ‘Waar haal je de tijd vandaan?’ Nu is dit meer een gevaar dan een regelrecht nadeel van Twitter. Het kost namelijk erg weinig tijd, zolang je maar niet de hele dag Twitter in de gaten zit te houden – wat ik niet doe. Af en toe een berichtje plaatsen (bedenk: van maximaal 140 tekens) is geen grote inspanning. De momenten dat je wat te melden hebt, zijn vaak ‘schakelmomenten’ tussen de ene taak die afgerond is en de volgende taak die wacht. In die zin kan het zelfs nog een bepaalde focus op een taak geven.
Wel is het een gevaar dat je te vaak je met Twitter gaat bezighouden. Dat gevaar is universeel voor het hele internet, en voor e-mail – het geldt ook voor Twitter, waarbij het snelle karakter van het medium het nog lastiger maakt om er bij vandaan te blijven. Dat is een kwestie van discipline en verstandig met de dingen omgaan. Juist op momenten dat je geneigd bent tot uitstelgedrag, wat in het Engels zo mooi procrastination heet, is het zaak om ver bij Twitter vandaan te blijven.
3. Kwetsbaarheid
Als je al te veel schrijft over wat je doet en laat, opinies ten beste geeft, maak je je gemakkelijk kwetsbaar. Voor kritische gemeenteleden, bijvoorbeeld, die je tweets (noodzakelijkerwijs korte berichtjes) op een bepaalde manier interpreteren. Voor wie het dan ook maar leest, want het internet is de meest openbare ruimte die we hebben.
Wat kun je daar aan doen? Je kunt je tweets beveiligen, zodat alleen mensen die je toestemming hebt gegeven om je te volgen, je tweets kunnen lezen. Dat heb ik eens gedaan, waarna ik verschillende reacties kreeg van mensen die zelf niet twitteren, maar wel graag meelezen. Juist voor de uithangbord-functie van Twitter is het wel nuttig als mensen ook kunnen lezen wat je schrijft.
Belangrijker is echter dat je – zoals in alles – jezelf oefent, tuchtigt zelfs, in wat je zegt en wat je schrijft. Als je – zoals veel mensen als ze achter een toetsenbord zitten – geneigd bent er van alles uit te gooien, ga dan niet twitteren. Het gebed om een wacht voor je lippen is juist voor diegenen die worden geroepen om veel te spreken en te schrijven, noodzakelijk.
Verder is het voor mij vanzelfsprekend dat ik heel erg ver blijf van het verstrekken van gevoelige informatie. Nooit schrijf ik bij wie ik op bezoek ga; meer nog: zeer zelden schrijf ik het als ik bezoekwerk ga doen, en dan nog alleen als ik een compleet dagdeel meerdere mensen ga bezoeken. Maar liever helemaal niet.
Conclusie
De pro’s zijn waardevolle punten die specifiek zijn voor Twitter, en die ik niet op een andere manier bereik. De contra’s daarentegen zijn te ondervangen, al vragen ze voortdurend waakzaamheid. Ik twitter dus.
Moeten collega’s dat nu ook gaan doen? Dat zou ik zeker niet willen zeggen. Twitter kán nuttig zijn, maar is verre van noodzakelijk.

'Dat beleef ik toch anders.' Over geloof en kennis in een gevoelscultuur

Hieronder de tekst van het referaat dat ik vandaag op de christelijke gereformeerde ambtsdragersconferentie hield.
Het thema voor deze dag klinkt nogal complex. Laat me het inleiden door te wijzen op de roman van Franca Treur, Dorsvloer vol confetti. Ik vermoed dat velen van u er in ieder geval van hebben gehoord, of mogelijk het boek zelfs hebben gelezen.
Treur beschrijft daarin de jeugd van een meisje, Katelijne, dat opgroeit in een reformatorisch boerengezin, maar dat langzaamaan weggroeit van de belevingswereld van dat gezin. Treur beschrijft dat alles met grote mildheid en kennelijke liefde voor het milieu waar ze zelf ook uit komt – het boek heeft veel autobiografische trekken. Het is totaal anders dan de bitterheid van Maarten ’t Hart of ook de stijl van Jan Siebelink.
Het aangrijpende in het boek is de vervreemding tegenover kerk, godsdienst en God die je ziet groeien. Katelijne hoort wel dat er ‘iets’ met je moet gebeuren, ze heeft een bekeerde oma die er uit kan vertellen, ze bidt ook om vergeving van zonden en zoekt God op een bepaalde manier, maar vindt niet. Zij stelt eigenlijk de meest prangende vragen naar God, maar iedereen is druk met wat anders: moeder met haar tuin, vader met de koeien, de ouderlingen in meester Wisse die voorbij fiets (en waar gaat hij toch naar toe?). En oma is vooral in zichzelf geïnteresseerd en in andere bekeerde mensen. Katelijne kan er niet bij. Wel vindt ze ‘een iegelijk’ de mooiste woorden uit de Bijbel, want dan kun je doen alsof je het zelf bent. Zo zie je Katelijne vervreemden, op een aangrijpende manier.
Wat het autobiografische betreft: in verschillende interviews heeft Franca Treur verteld dat ze tijdens haar studie besloot zich geen christen te noemen, omdat ze geen persoonlijke ervaring met het bestaan van God had opgedaan, zoals haar christelijke medestudenten, en omdat ze merkte dat je in de literatuurwetenschap veel meer zondvloedverhalen vindt dan alleen het Bijbelse – en waarom zou de Bijbel dan waar zijn?
Daar zijn we bij de vragen van gevoel en kennis in relatie tot geloof. Treur zegt eigenlijk: ik heb het nooit ervaren, en dus kan ik het niet geloven. Mijn gevoel indiceert de waarheid – en op dit punt gebeurt dat niet.
Anderzijds vind je hier ook hoe ontwikkeling in kennis (de zondvloedverhalen) kan leiden tot een afscheid van het christelijk geloof. Toch is dat bij Treur niet wat voorop staat – het is vooral het gevoel van vervreemding. Ik wilde de vragen van wetenschap en geloof vanochtend maar laten liggen; als ik ze al zou kunnen behandelen, ontbreekt de tijd.
Drie voorbeelden
Laat me ons onderwerp verder toespitsen door een drietal pastorale praktijksituaties te benoemen.
Je bent op huisbezoek bij iemand die moeite heeft met iets in de kerk of in de eredienst. U zet uw beste beentje voor en probeert aan te tonen dat de manier waarop het gaat, past bij gehoorzaamheid aan de Schrift. Het zou zo maar kunnen dat het gesprek doodbloedt na de opmerking van degene die u bezoekt: dat beleef ik toch anders. Of: mijn gevoel zegt. Tja, en dan staat de wagen stil: want als je het zo beleeft, kun je het toch niet anders gaan beleven, nietwaar?
Een tweede situatie. U bent bij een student op bezoek. Misschien komen er wel allerlei scherpzinnige vragen over het verstaan van de Schrift, of over de relatie tussen wetenschap en Schrift. Vragen waar u bij lange na geen antwoord op heeft. Maar dat is nog niet zo erg. Het moeilijke punt in het huisbezoek zit daar, waar die jongeman verzucht: ‘ik weet het allemaal wel, maar ik belééf er zo weinig aan.’ De een zal dat wijten aan de kerk, waar zo weinig aandacht is voor gevoel, maar vele anderen zullen zich vertwijfeld afvragen: is dit nou geloof? Met mijn verstand stem ik het allemaal toe, maar als je nou nooit echt iets voelt, iets beleeft – is het dan wel goed?
Je hoort het aan, probeert leiding te geven, maar je vraagt je bang af: dit zal er toch niet één zijn die uiteindelijk besluit dat hij niet kán geloven en dus alles maar opgeeft?
Een derde. Een gesprek met een belijdeniscatechisante. Fijn dat ze geloofsbelijdenis wil doen, je merkt dat ze echt enthousiast is. Maar op een bepaald moment vraagt ze je op de man af: waarom moeten we eigenlijk ook allerlei dingen leren op de belijdeniscatechisatie, en wordt dat ook getoetst? Het gaat toch om je geloof, om je hart? En je zoekt naar woorden om te vertellen dat geloof niet zonder kennis gaat, maar of het overkomt?
Zo maar enkele voorbeelden die laten zien hoe moeilijk het is om kennis én (geloofs)vertrouwen bij elkaar te brengen of te houden. We merken, vermoed ik, allemaal de enorme hang naar beleving en gevoel, en anderzijds de kramp waar we in terecht komen als dat gevoel ontbreekt. Dit wordt aangejaagd door de gevoelscultuur waar we in leven, waar geldt dat slechts dát waar is, dat waar voelt. Het gevoel staat voorop.
We zien daarnaast dat de kennis van Bijbel en belijdenis afneemt, onder gemeenteleden en kerkenraadsleden. Kennis lijkt ‘uit’ en gevoel is ‘in.’ Ik spreek het vermoeden uit dat als u jongeren zou vragen naar omschrijvingen van het geloof, dat daar heel veel ‘gevoel’ in naar voren komt, en heel weinig ‘kennis’. Maar hoe zou het zijn als we ambtsdragers zouden bevragen op hun kennis van, bijvoorbeeld, de Nederlandse Geloofsbelijdenis? Velen (ouderen en jongeren) vinden parate kennis steeds minder nodig, omdat je wat je nodig hebt, vaak snel via allerlei middelen, zoals het internet, kunt vinden.
Is dat eigenlijk erg? Was het voorheen niet allemaal te rationeel, te verstandelijk? Werden toen gevoel en verstand niet op een andere manier tegen elkaar uitgespeeld? Had het verstand toen niet al te zeer het primaat? We hoeven niet te verlangen naar hete hoofden en koude harten.
Nu, over deze vragen mag ik spreken, op aangeven van het comité. Ik verken graag met u het terrein, om aan het einde van mijn referaat weer terug te komen bij de genoemde praktijkvoorbeelden.
Kennen en vertrouwen
Graag begin ik met er op te wijzen dat in het Bijbelse geloofsbegrip kennen en vertrouwen ineen liggen. Onze Heidelbergse Catechismus omschrijft het geloof dan ook als niet alleen een stellig weten, maar ook een vast vertrouwen.
Nu zijn ‘kennen en vertrouwen’ nog niet direct hetzelfde als ‘verstand en gevoel.’ Het oudtestamentische grondwoord voor ‘kennen’ duidt niet puur verstandelijke of abstracte kennis aan, maar omgangskennis, kennis van nabij; het woord kan zelfs voor de meest intieme omgang tussen man en vrouw worden gebruikt. ‘Kennen’ doe je niet alleen met je hoofd, maar met je hart en hand, met heel je leven. Geloofskennis in de ware zin van het woord is niet enkel een zaak van het hoofd, maar ook van het hart. God kennen is Hem vrezen en vertrouwen, échte kennis is een zaak van liefde.
Anderzijds geldt dat ‘vertrouwen’ in Bijbelse zin meer is dan een gevoel. Het is een hangen aan Gods beloftewoord. ‘Op U, o HEERE, betrouw ik’ (Psalm 31, zie ook Psalm 71) is geen emotie die opborrelt, maar betekent: ‘Bij U schuil ik.’ Tegen het gevoel van de angst in, tegen de klippen op – op U vertrouw ik. Waarom? Omdat je wéét wat je aan de Heere hebt. Zo zegt Paulus het: “Ik weet in wie ik geloofd heb.” Is dat verstand of gevoel? Die vraag is helemaal niet aan de orde. Het is geloof, kennen én vertrouwen! Waar het geloof zo functioneert, overstijgt het de vermeende tegenstelling tussen verstand en gevoel, omdat het een existentiële, of liever: bevindelijke, kennis is. Ik geef de voorkeur aan de term ‘bevindelijke kennis’ omdat het meer dan de term ‘existentiële kennis’ uitdrukt dat deze kennis ontvangen wordt door Woord en Geest.
Calvijn heeft het zo gezegd, dat we ervaren, beleven, dat God écht zo is als Hij in Zijn Woord zegt dat Hij is. Dat is het werk van de Heilige Geest. Daar zit direct een kritisch element in richting de gevoelscultuur: het gaat niet om de beleving op zichzelf, het autonome gevoel, maar om de persoonlijke beleving van de waarheid van Gods Woord, ook voor mij. Daarmee is dus niet elke godsdienstige beleving goedgekeurd; integendeel.
Persoonlijk
Willen we als ambtsdragers op dit punt geestelijk leiding kunnen geven, dan is allereerst nodig dat we zelf hier bij leven. Een gezond geloofsleven verwordt niet tot een set verstandelijke waarheden die naar believen naar voren worden gehaald, of tot een bijzonder gevoel zondermeer. Als dat gezonde geloofsleven ontbreekt, wordt het erg moeilijk, zo niet onmogelijk, om anderen hierin leiding te geven. Dát is de belangrijkste voorbereiding voor het huisbezoek, en overigens voor elke zondag opnieuw.
Broeders, kennen en vertrouwen wij de levende God? Uit de aard der zaak wordt dat, als ons geestelijk leven gezond is, nooit een vanzelfsprekendheid, een promemoriepost. Zoals het in je huwelijk geen goed teken is als alles enkel vanzelfsprekend is, zo is het in de verhouding tot de levende God. Anders gezegd: oefenen we ons in de ‘verborgenheden van geloof’ zoals het klassieke formulier voor de bevestiging van ambtsdragers het zegt?
Wat is dat dan? Het is een kwestie van me oefenen, of liever: laten oefenen, in het vertrouwen op Gods beloftewoord. Alle stemmen moeten verstillen voor de stem van God. “Spreek Heere, want Uw knecht hoort.”
Calvijn zegt het zó: “alle rechte kennis van God wordt uit gehoorzaamheid geboren.” Gehoorzaamheid is niet gemakkelijk, en zeker in onze tijd is het niet populair. Maar de echte geloofskennis begint bij bekering tot gehoorzaamheid. Geen geloofsbeleving zonder bekering.
Op deze manier overstijgt het geloof de vermeende tegenstelling tussen verstand en gevoel. Het is God liefhebben met heel je hart, met heel je verstand en alle krachten.
Laat me wijzen op de praktijk van het gebed, waarin het leven op Gods beloften in het bijzonder gestalte krijgt. Juist in het gebed ontvonkt de echte geloofsbeleving aan Gods beloftewoord.
Calvijn tekent in zijn commentaar op Psalm 119:107, ‘maak mij levend naar Uw Woord,’ aan: ‘ons gebed is koud, of liever: helemaal geen gebed, als Gods belofte ons niet vervuld met moed in onze moeite en angst.’ Dat is wat anders dan drijven op emoties, of goedkope gevoeligheid – het is het werk van de Heilige Geest, die met Gods beloftewoord het ware geloof werkt en versterkt. De verhoring van het gebed is dan ook niet een kwestie van mijn gevoel, maar van Gods beloftewoord. Daarom klampt David zich aan Gods belofte vast, ook als God hem de rug lijkt toe te keren.
Leven wij als ambtsdragers zó? Waar we zelf in de aanvechting weten van het leven op Gods beloftewoord, tegen hoop op hoop, daar hebben we ook wat te melden in het gesprek met wie hier klem zit. Dan weten we er immers persoonlijk van hoe je beleving soms achterblijft bij het vertrouwen op Gods belofte, waardoor het schuurt en het op de hoop aankomt. Hoe je soms niets ziet, niets begrijpt en niets ervaart van Gods aanwezigheid. En dan toch gaan, soms in het duister, in het spoor van de Goede Herder. Bij de beleving van een ander uitkomen kun je niet, maar bij Gods beloften toch wel.
Prediking
Uiteraard houdt dit alles ook verband met de prediking. Er moet bevindelijk gepreekt worden, dat wil zeggen: het werk van de Heilige Geest in het hart van de gelovige, waardoor hij ondervindt dat God is zoals Hij zegt dat Hij is, dient een plek te krijgen in de prediking. Maar dan niet enkel zo dat er nog eens wordt beschreven hoe de Heere werkt, maar dat de hoorders voor de levende God worden gesteld, voor Zijn gericht en Zijn belofte. Waar dat gebeurt, staat ook mijn gevoel en beleving niet meer op zichzelf. Daar wordt het onmogelijk om enkel met een beroep op mijn beleving te werken. De uitspraak ‘dat beleef ik toch anders’ werkt daar niet meer, want – zoals iemand dat eens scherp verwoordde – als de Schrift mij niet ligt, moet ik maar anders gaan liggen.
Hoe snel raken we hier niet bij vandaan, en verwordt ons (mijn!) preken tot het overdragen van kennis, of tot de expressie van een bepaald gevoel. Telkens opnieuw moeten predikers en hoorders onder de tucht van het Woord komen om deze ware geloofsbeleving te ontvangen.
Dat Woord stelt mij onder kritiek, ook mijn gevoel en beleving. Met heel mijn leven word ik immers voor Gods aangezicht gesteld, ook met mijn gevoel. Dan is dat niet langer het zelfstandige, autonome gevoel, waar geen argument of redenering tegen helpt. Het Woord van God is sterker dan welke redenering ook, maar is ook krachtiger dan welk gevoel ook.
Hier spreken we over het werk van de Heilige Geest, door middel van dat Woord, die het ware geloof doet ontvonken aan dat Woord en die het in stand houdt, versterkt, en geregeld zelfs boven het gevoel doet uitkomen.
In de Psalmen zien we vaak hoe de Psalm omslaat waar de psalmist zich door het geloof vastklampt aan wie de Heere is, en aan Zijn belofte. Je ziet het in Psalm 56, bijvoorbeeld. David is in het nauw, de vijanden bedreigen hem. “Dit weet ik, dat God met mij is.” Dat zet alles in een ander licht.
Daarom is het zo belangrijk dat prediking werkelijk belofteprediking is, die de loutere beschrijving van standen van zaken overstijgt.
Dat wat het gevoel betreft. Hoe zit het met de kennis? Wie werkelijk de Heere vertrouwt, zal toch ook willen wéten? Hoe kan het dan dat je in allerlei verbanden waarneemt dat de kennis van Gods Woord en zeker van de gereformeerde belijdenis eerder minder dan meer wordt? Dat zullen we dan ook een geestelijk probleem moeten noemen.
Wat is er aan te doen? Ik verwacht veel van de klassieke leerdienst – als het goed is, is de prediking niet saai of voorspelbaar, maar juist voluit levend, concreet en actueel. Bovendien is onze Heidelbergse Catechismus is een door en door bevindelijk boek; geen dorre, abstracte stof die het leven niet raakt. Integendeel, je vindt er echt doorleefde en en echt levende geloofstaal.
Huisbezoek
Laat me dit alles toespitsen op het huisbezoek en terugkeren naar de voorbeelden waar we mee begonnen. Wat als iemand zegt dat zij het toch allemaal anders beleeft? Vaak stokt het gesprek dan, of loopt het zelfs helemaal vast, omdat het zo moeilijk is om te gaan op wat iemand anders beleeft.
Misschien is het moment gekomen om door te vragen naar de rol die het gevoel inneemt in het leven van degene bij wie we op bezoek zijn. Stellen we ook ons gevoel onder de tucht van het Woord van God? Moet ons gevoel inderdaad het laatste woord hebben? Nee toch? Uiteraard zijn dit vragen die om groot invoelingsvermogen, om wijsheid en tact vragen, toegesneden op de persoonlijke situatie.
Het tweede voorbeeld: een student die wel goed kan redeneren en discussiëren, maar die heel eerlijk zegt dat hij zo weinig beleeft aan de kerkdienst, aan het lezen van de Bijbel en aan het gebed. Nu, daarvoor is niet een simpele remedie aan te wijzen; het is geen kwestie van een knop omzetten. Wel lijkt het me zaak om door te vragen waar deze student eigenlijk naar verlangt: is het een bijzondere, unieke ervaring? Is hij niet bezig om te pogen om geloof te bouwen op de grond van het gevoel, in plaats van op het vaste fundament van Gods beloften in Jezus Christus? Maar als dat nu allemaal niet het geval is, en iemand oprecht met deze vragen worstelt?
Kunnen wij er dan naast staan? Weet u misschien zelf ook van zoiets in uw eigen leven: met de kennis zat het in orde, maar het persoonlijk geloof ontbrak. Of waar het was, was het zo ingezonken en plichtmatig, dat de verootmoediging over de zonde en de vreugde in God welhaast waren weggesleten. Wat kan het goed doen als er een moment van herkenning ontstaat!
Zou het niet een groot verschil maken als jongeren die met zulke vragen worstelen, bezoek krijgen van een ambtsdrager die deze vragen kent en herkent, en werkelijk náást ze kan staan? Niet allereerst iemand die alle antwoorden uit zijn mouw schudt, maar iemand die ten eerste naar de vragen luistert.
Niet enkel om het daar bij te laten, wat mij betreft. Wel om een weg te wijzen, van wachten op God, levend bij Zijn Woord en hopend op Zijn genade – dan zal de Heere toch niet beschamen. Dat wachten op God lijkt me niet slechts een voorstadium van het geloof, maar de gestalte van het geloof zelf. Dat was het immers vaak, in Oude en Nieuwe Testament. “Ik blijf de Heere verwachten” – daar begint het.
Ten derde. De belijdeniscatechisante die het vreemd vindt dat ze ook wat moet leren, dat wil zeggen verstandelijk moet kennen, en soms zelfs uit het hoofd moet kennen. Want het gaat toch om je geloof, en niet om een lesje uit een boekje?
Allereerst hoop ik dat u het met mij eens bent dat er geleerd moet worden op de catechisaties en in andere verbanden. Ontegenzeggelijk gaat dat op een andere manier dan tientallen jaren geleden, en is er veel meer aandacht gekomen voor de betekenisverlening van wat je leert. Echt leren is immers veel meer dan een aantal dingen uit je hoofd kennen. Toch zou ik de stelling willen verdedigen dat echt leren óók te maken heeft met het je verstandelijk eigen maken van kennisinhouden. Graag laat ik de discussie over het onderwijs als zodanig even rusten, en spits ik het toe op het kerkelijk onderwijs.
Reeds Deuteronomium 6 spoort Israël aan, de geboden van de Heere bij de kinderen ‘in te scherpen’ (Deut. 6:7). Dat is geen zaak van memoriseren zonder meer, al is het dat ook, maar dat is ingebed in een compleet leven naar de geboden van de Heere. Er van spreken als je in je huis zit, als je op de weg gaat, als je nederligt en als je opstaat, zoals Deuteronomium 6 verder vereist, veronderstelt een vorm van onderwijs die niet geïsoleerd plaatsvindt, maar die het hele leven doortrekt.
In die zin heeft de belijdeniscatechisante gelijk: het gaat om het geloof, om het leven, niet om kennisinhouden die geen relevantie hebben voor je leven. Maar daar houdt het gelijk dan ook op: wat er geleerd moet worden, is uiteindelijk wel terdege van belang. De relevantie zal misschien niet eens direct inzichtelijk zijn, maar toch is het goed om de kennis van Gods Woord en ook van de belijdenis te vergroten.
Overigens: volgens mij vraagt onze tijd dat we niet met onderwijs stoppen nadat iemand belijdenis gedaan heeft. Bijbelkringen en verenigingen zijn goed, maar misschien moeten we ook zoeken naar vormen van catechese voor volwassenen.
Eén aspect is nog onderbelicht gebleven. Als we op huisbezoek gaan, laten wij ons dan soms ook te veel leiden ofwel door ons verstand, ofwel door ons gevoel? Ons verstand, waarmee we redeneren en argumenteren, maar waarbij het hart koud blijft? Of ons gevoel, soms negatief, soms positief, tijdens een bezoek, of na afloop van het bezoek? Is ook hier niet het geloof wezenlijk? Bedenk als u op huisbezoek gaat: ik kom hier als ambtsdrager, dat is: namens Christus. En bedenk: tevoren hebben we gebeden om Gods hulp, dus die mogen we ook verwachten. Dan kun je ook spreken over dat Woord waar je zelf van leeft.
Dan verwacht je, tegen hoop op hoop, die dag dat de aarde vol zal zijn van de kennis des HEEREN, zoals de wateren de bodem der zee bedekken (Jes. 11:9).