Preekvoorbereiding

Mijn column in het RD van gisteren.
Hoe veel tijd kost het voorbereiden van een preek? Kerkleden zijn er benieuwd naar, en predikanten willen ook graag weten wat nu “normaal” is.
Uit recent onderzoek blijkt dat 82 procent van de beginnende predikanten tussen de acht en zestien uur besteedt aan de voorbereiding van de zondagse eredienst. Praktisch theoloog Marcel Barnard twitterde direct dat hij dit cijfer “verbijsterend” vond, omdat tegelijkertijd het kerkbezoek daalt. De enorme tijdsinvestering in de publieke eredienst bereikt het beoogde publiek massaal niet. Bovendien weten predikanten niet te anticiperen op prediking in een veranderende context. Dat geeft te denken, volgens Barnard. Dat doet het zeker.
Maar wat kan de uitkomst van dat denken zijn? Dat de predikant minder tijd aan de voorbereiding van de dienst besteedt en meer aan het opzoeken van mensen die niet naar de diensten komen? Of aan studie naar de veranderende context? Dat is zeker nodig, en misschien is het wel extra moeilijk omdat – zoals Robert Doornenbal opmerkte – er vooral brave, klassiek gelovige types tot predikant worden opgeleid. Een terecht punt.
Toch lijkt de oplossing niet dan maar minder tijd te besteden aan de voorbereiding van de dienst. Vaak hoor je het als het haastwerk was. Het kliekje wordt nog eens opgewarmd, er volgt een vertrouwd loopje, gelardeerd met enkele clichés en stokpaardjes. Wie elke week opnieuw meer wenst te bieden dan zo’n kliekje, heeft niet alleen heel wat genade nodig maar ook veel werk te doen. Vaak is de exegese het eerste slachtoffer van tijdgebrek, waarna de rustige meditatie sneuvelt en het gebed een minimale plaats overhoudt.
Juist in een krimpende kerk onder de druk van de secularisatie is goede prediking nodig, en die vraagt nu eenmaal tijd. Als de Woordverkondiging de mensen niet bij de kerk houdt, zal waarschijnlijk niets het doen, omdat alle andere dingen door anderen beter gedaan kunnen worden, religieuze rituelen incluis.
Het is wel de vraag of al die voorbereidingstijd goed besteed wordt: gericht op de hoorder van nu, en niet allereerst op exegetische fijnproeverij, nog een stichtelijk boek, of op de quasi-poëtische bewoordingen waar predikanten berucht om zijn. Anders zou het inderdaad maar zo verloren tijd kunnen zijn. Het is pijnlijk als de lange voorbereiding niet aan de preek af te horen is.
Belangrijker nog dan de duur van de voorbereiding is de intensiteit ervan, in het luisteren naar Gods stem. Dat blijft levenslang leren.
Dus als een gemeentelid vraagt hoe lang de voorbereiding van een preek kost? Een heel leven, en een complete dag.

Stil tot God. Over wachten en verwachten

Mijn verhaal op 22 juni bij de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond.

Inleiding

Hartelijk dank voor uw uitnodiging om hier vanochtend voor u te spreken over de spirituele houding van wachten, boete, volharding, die past bij de situatie waarin we ons als kerken en christenen bevinden, met aandacht voor de vormen die daarbij nodig zijn. Dat is een geweldige opgave, niet alleen omdat ik deel in het gevoel van onmacht en verwarring dat velen ten aanzien van deze vragen voelen, maar ook omdat ik gaandeweg de indruk kreeg dat de vraag voor deze lezing zelf van een aantal vraagtekens voorzien kan worden. Mij is gevraagd bijzondere aandacht te hebben voor vormen en de ‘spirituele houding’ die past bij de situatie waarin we ons bevinden. Maar zou de crisis waarin we ons bevinden niet in ieder geval ten dele veroorzaakt kunnen zijn door ons zoeken naar vormen en structuren waarmee we de zaak onder controle probeerden te krijgen, nog los van de doorleefde afhankelijkheid van de levende God? Klinkt die ‘spirituele houding’ niet op voorhand te activistisch? Kun je op enige wijze besluiten een spirituele houding aan te nemen van wachten, of dreigen we het wachten te verspelen zodra we er onze houding van maken?
Niet zo aardig natuurlijk, een spreker die direct het thema zelf van vraagtekens voorziet. Maar nu eenmaal duidelijk is dat u vanochtend niet meer krijgt dan een kat in de zak, kunnen we serieus beginnen.
Concreet heb ik als vraag meegekregen om stil te staan bij wachten, boete, volharding als gestalten van kerk en christen in deze tijd. Laten we dat proberen te doen. Ik heb mijn verhaal de titel meegegeven: ‘Stil tot God. Over wachten en verwachten’.

Psalm 62

De titel van mijn verhaal is uiteraard ontleend aan Psalm 62:2 (SV): ‘immers is mijn ziel stil tot God: van Hem is mijn heil.’ Noordmans wijst er in een meditatie op dat de eigen aard van dit stil-zijn oplicht tussen Psalm 22 enerzijds en Psalm 131 anderzijds. Aan de ene kant staat Psalm 22, ‘waarin gezegd wordt dat de dichter des daags roept, maar God antwoordt niet; en des nachts, zonder dat de stilte komt (vs. 3).’[1] Dat is het tumult van het geweld. Aan de andere kant staat Psalm 131, de rust van het gespeende kind: de ziel vindt rust bij God, zonder oproer en onrust. Deze rust is haast aan de wereld ontheven. Zo is het, aldus nog steeds Noordmans, in Psalm 62 niet. Daar komt de dichter nog midden uit de geloofsstrijd, al is de aanvechting minder hevig dan in Psalm 22. Na de belijdenis dat zijn ziel stil is tot God, in vers 2, volgt in vers 6 nog de vermaning aan zichzelf: ‘mijn ziel, zwijg voor God; want van Hem is mijn verwachting.’ In vers 4 en 5 lezen we immers het rumoer van mensen die de dichter willen omstoten nadat hij in vers 3 nog had beleden dat hij niet zal wankelen. Hier vinden we nu de situatie van de gemeente: een vast vertrouwen dat niet aan de concrete levenssituatie onthecht is, dat niet automatisch ongeschokt bewaard blijft, maar dat wél de aanvechting doorstaat, hopend en wachtend op God.
Dat stil-zijn betekent dus allerminst triomfalisme of resignatie, die tegengestelde gestalten van hetzelfde menselijke streven, maar integendeel het volhardend vertrouwen, tegen de klippen op. Enerzijds is er rumoer en geweld, anderzijds is er stilte voor God. De stilte van de gelovige en van de gemeente is er enkel door het rumoer heen. Noordmans trekt de lijn naar Christus, die aan het kruis Psalm 22 bad: mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Ook aan Hem werd geschud, zoals de stilte van Psalm 62 ook beefde. Maar Hij hield stand.
Noordmans vat samen: ‘Het van God verlaten zijn en toch door Hem staande te blijven, toch stille te zijn, is de centrale spanning van ons leven. Het is de veer die alles drijft.’[2] Me dunkt dat we hier een sleutel hebben voor de geestelijke houding van de christen in onze situatie. Die situatie is – vermoedelijk is daarover gisteren het nodige gezegd – er een waarin velen ook binnen de kerk de afwezigheid van God ervaren, in een cultuur die sterk geseculariseerd is en waarin het geloof in God niet alleen niet langer vanzelfsprekend is, zoals het vroeger was, maar slechts een optie onder vele opties, zoals de Canadese filosoof Charles Taylor indrukwekkend heeft betoogd in A Secular Age.

Wachten: haaks op onze cultuur

Mozes

In die situatie verkennen we vanochtend opnieuw wat het is, op God te wachten. Hij is een God die op zich laat wachten. In Genemuiden ben ik bezig met een prekenserie over Exodus, en het trof me hoezeer God op zich laat wachten, de nood hoog laat oplopen. Het volk Israël wordt verdrukt op een manier die je aan Noord-Koreaanse werkkampen doet denken. Mozes, groot geworden, gaat naar zijn ‘broeders’ (Ex. 2:11), en je krijgt de indruk dat de verteller wil aanwijzen dat hij zich als vrijheidsstrijder opwerpt – zeker als je er Handelingen 7:25 naast legt (‘hij meende dat zijn broeders zouden begrijpen dat God hen door zijn hand verlossing zou geven, maar ze hebben het niet verstaan’.) Integendeel, ze zien zijn daad als een ordinaire moord, en als hij zich als leider en verzoener probeert op te werpen, wordt hem voor de voeten geworpen dat niemand hem tot heer en meester heeft aangesteld. Dus: vluchten, de woestijn in. Mozes was helemaal klaar voor de opstand, maar God laat hem wachten, veertig jaar. De woestijn is niet zo maar een plaats, zoals veertig jaar niet zo maar een tijd is, zoals u weet. Mozes moet tot inkeer komen, voorbereid worden, leren wachten op Gods tijd. Intussen gaat de ellende in Egypte gewoon door.
We weten dat Mozes hierin niet uniek is, maar eerder exemplarisch. Abraham moest 25 jaar wachten. Jozef moest jarenlang naar Egypte. David moest vluchten voor Saul. Zijn Zoon moest 40 dagen de woestijn in. In de woestijn, de wachtenstijd, kan God afwezig lijken, terwijl Hij op een verborgen manier Zijn weg gaat, Zijn werk doet, tot het Zijn tijd is.
Daar komt het dus van de kant van de mens op volhardend wachten, op Ausdauer, aan. Dat is des te moeilijker naarmate je meer had willen doen, zoals Mozes die gereed stond voor de strijd. Als het dus gaat om het bepalen van onze spirituele houding, gaat het niet allereerst om een houding die wij kiezen, maar om één die ons door God wordt opgedrongen. Misschien moeten we dat wel leren: niet wij kiezen onze spirituele of kerkelijke strategie, hetzij om anderen te bereiken of om onszelf bij het geloof te bewaren, maar we zijn in Gods hand en leren juist af om het van onze eigen inspanningen te verwachten. Dat is tegelijkertijd goed nieuws: kennelijk werkt de God die Zich verbergt zó in deze wereld, dat mensen leren wachten op Zijn komst.
Uiteraard leven we niet meer in de tijd van het Oude Testament. De verwachting is er nog steeds: wij verwachten naar Gods belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont (2 Petrus 3:13). In de brief aan de Hebreeën krijgt dit wachten ook een actieve gestalte: ‘Laten wij ons beijveren om die rust binnen te gaan.’ (Hebr. 4:11). Maar uiteindelijk is het God die Zijn toekomst doet komen, en de Zijnen wachten op Hem.

Gods soevereiniteit en menselijke ontvankelijkheid

Deze nadruk op Gods soevereiniteit en menselijke ontvankelijkheid staat enerzijds haaks op de consensus in het huidige levensgevoel (waar menselijke zelfbepaling het hoogste goed lijkt) en vloeit naar mijn gedachte anderzijds voort uit typisch gereformeerde noties: Gods keus voor de mens en spreken tot de mens spreken niet vanzelf, maar zijn een daden van louter genade.
Waar in klassieke gereformeerde dogmatiek de verhevenheid en soevereiniteit van God werd benadrukt, heeft de moderne theologie in verschillende gestalten ons geleerd om over God te denken in relationele termen. God is dan wel niet onze gelijke, maar dan toch primair onze Partner en Bondgenoot. Bij alle waardering voor de ontdekking van subjectiviteit en het relationele karakter van godskennis, waarachter ik niet terug zou willen, was de consequentie wel vaak dat Gods keus voor de mens dermate vanzelfsprekend werd (God is immers een God van mensen) dat woestijnepisodes hoe langer hoe minder voorstelbaar werden. Waar de oudtestamentische gelovigen wisten van worsteling met God en wachten op God, lijkt het er in onze tijd op dat als God bestaat, Hij toch wel ongeveer à la minute het gebed zou moeten verhoren.
Tel bij dit alles op dat in de moderniteit wij onszelf hebben leren verstaan als scheppende wezens: wij mensen geven onze leefwereld zelf vorm en proberen deze op rationele wijze hoe langer hoe meer te beheersen. Onze eerste reflex tegenover de ervaren afwezigheid van God is dan al snel: we moeten iets doen! Hetzij een missionair concept ontwerpen en het ene beleidsplan op het andere stapelen; hetzij stug hetzelfde blijven doen als we altijd al deden en hopelijk een contrasterende gemeenschap vormen zoals James Kennedy dat ziet, in navolging van Stanley Hauerwas. Omdat dat laatste al snel in ethische termen wordt gedacht, krijgt het antwoord op de secularisatie hier toch ook snel een activistische, zelfbewuste kleur – heel anders dan de tonen van wachten en boete die we ook in de Bijbel aantreffen. ‘Wie weet, God mocht zich wenden.’

Hedendaagse nadruk op beleving

Een derde punt waarop het schuurt met de bijbelse notie van het wachten op God, is de nadruk op individuele beleving. Waar is wat je beleeft, en wij willen alles beleven. I want it all and I want it now. Het brede terrein van de spiritualiteit is een ruim gesorteerde markt geworden waar vele aanbieders de spirituele consument proberen te lokken. Of het nu een cursus mindfulness is, een serie sessies bij een coach, of – zoals ik laatst hoorde – een medium dat voor stervensbegeleiding wordt ingeschakeld: alles wordt uit de kast gehaald voor de heilige graal van onze tijd: emotionele stabiliteit. Spiritualiteit wordt een middel om die emotionele stabiliteit te bereiken. Niet meer, niet minder. Daar heb je in principe niet eens een God bij nodig; niet verbazingwekkend dat boeddhistische geluiden het op de hedendaagse spirituele markt zo goed doen. Stil worden, uitstekend, maar dan wel als manier om de reis naar binnen te gaan. Niet stil voor God maar stil voor jezelf.
Deze tendensen gaan ons niet voorbij. Sterker nog: de kerk heeft ook vaak de moderne gestalte van het doen, meer dan die van het wachten op God. De vita activa heeft de vita passiva volledig overvleugeld. De nadruk op beleving heeft enerzijds de kerk ook in de greep gekregen met een herontdekking van het gevoel en de presentatie van de preek, terwijl anderzijds de aangrijpingspunten die er in de pneumatologie liggen voor een herwaardering van het affectieve niet altijd werden opgepikt. De christelijke boodschap staat als contra-intuïtief in onze tijd, zo veel is duidelijk. Maar weten we binnen de kerk en als dienaren van het Woord nog wel wat het is te sterven aan jezelf en op te staan tot nieuw leven, om te wachten op God, om eens niets anders te doen maar te hopen op de levende God?
In onze gereformeerde traditie ligt voldoende om zowel over Gods verhevenheid en soevereiniteit te spreken als over zijn reële aanwezigheid in Woord en sacrament. Maar hoe komen we er zelf weer bij uit? Hoe leren we het opnieuw geloven, zo dat we er met ons leven aan hangen?

Vacare deo en Gelassenheit

Hoe bereiken we dan de houding van het wachten op God? Hier luistert het nauw, want als we een methodiek ontwerpen om dit wachten te bereiken, wordt het al snel weer een trucje van onze kant, en verspelen we het geheim waar het om gaat. Want een geheim is het. De mystieke traditie spreekt van het vacare deo, leeg worden voor God. Het tegendeel dus van jezelf vullen met indrukken en ervaringen. Het gaat werkelijk om sterven aan onszelf. Meister Eckhart spreekt hier over Gelassenheit, een lastig te vertalen term, die – zoals Gerard Visser heeft aangetoond – betekent: mij gewonnen geven, afsterven aan mijn eigen willen, het willen beheersen van andere mensen en dingen, en me zo open stellen – uiteindelijk voor God. Het gaat Eckhart om het lege gemoed, dat ontvankelijk is voor God, voor het laten werken van Gods Geest in mij.
Het is een houding die haaks staat op die van de moderne mens die beheersend, rationeel, de wereld wil vormgeven. Deze houding staat ook haaks op de die van de postmoderne mens, die meer esthetisch de wereld wil beleven, maar dan wel strikt vanuit de eigen ontworpen waardenmatrix. Daarbij zou ik EckhartsGelassenheit zo willen gebruiken dat deze zich niet als een simpele passiviteit tegenover de moderne of postmoderne activiteit stelt. Er is een receptiviteit en reciprociteit jenseits van activiteit en passiviteit; theologisch gezegd: de Heilige Geest heft mijn subjectiviteit en activiteit niet op, maar vernieuwt mij van binnenuit, waardoor mijn activiteit gedragen wordt door ontvankelijkheid die meer is dan passiviteit, want gestempeld door (het hoge woord moet er maar uit) liefde, die nooit louter passief of actief is. En door hoop, die zich ook niet in het simpele schema actief versus passief laat vangen.
Deze ontvankelijkheid mag wat mij betreft een ‘spirituele houding’ genoemd worden, als we maar bedenken dat ze categorisch verschilt van wat doorgaans als ‘spirituele houding’ geldt. Het gaat hier immers niet om de houding die ik aanneem of mezelf langzamerhand aanleer, maar een houding die ik als een genadig geschenk ontvang. Voor zo ver er hier sprake is van enige methode, gaat het om een manier om ontvankelijkheid te ontvangen. Ontvankelijkheid moet ontvangen worden; met andere woorden: het is genade om genade te ontvangen – het blijkt dat we ons nog steeds op een klassiek gereformeerd spoor bevinden, zij het dat we verkennen hoe het vervoegd kan worden in de huidige belevingscultuur. Daar blijkt dat wij het niet gemakkelijk vervoegen, maar dat Gods Geest werkzaam is en blijft. Genadeleer en pneumatologie helpen om hier het gereformeerde spoor te blijven gaan.

Gestalten

So far so good, maar mag het een graadje praktischer misschien? Welke gestalten passen er nu bij dat wachten op God?

Boete en schuldbelijdenis

Bij het wachten op God en wat ik voor het gemak maar even noem ‘de woestijnervaring’, hoort boete doen en schuldbelijdenis. Dat zijn ook termen waar je al snel van denkt dat je er vandaag de dag toch niet meer mee aan kunt komen, terwijl ze wel wezenlijk zijn. Anderzijds worden deze begrippen soms heel snel en clichématig gebruikt, zonder dat de diepte er van gepeild wordt. Boete doen houdt in: beseffen en belijden dat we geneigd zijn om God te reduceren tot het niveau van de afgoden, en dat we dat ook vaak daadwerkelijk hebben gedaan. Namelijk: een God die je in de vingers hebt, die uiteindelijk gemodelleerd is naar je eigen beeld en gelijkenis.
Boete doen betekent daarnaast dat wij erkennen dat wij de woorden niet kunnen vullen met Geest en kracht, maar dat we daarin compleet van God afhankelijk zijn, en dat er niet minder dan bekering nodig is. Niet langer zijn God en kerk ons project, maar we laten zijn Geest in ons werken. Dat betekent wat mij betreft niet minder dan een complete verschuiving van het perspectief dat we intuïtief zo vaak geneigd zijn te kiezen (al weten we dat het niet moet): niet langer zijn wij bezig om te proberen de kerk te redden of te handhaven, maar we verwachten het van God die Zijn kerk bewaart. Dat is geenszins goedkoop, maar juist een voluit existentieel hopen, verwachten en bidden. Kyrie eleison!

Wachten

Bij het boete doen komt het wachten op God. Daarbij wijzen de Psalmen ons de weg. Niet alleen zingen de psalmisten over Gods nabijheid, Gods hulp en redding uit de nood, maar ze klagen ook over God die niet lijkt te horen, die zich als doof houdt, en zich af lijkt te wenden. Daarmee staan deze psalmen veel meer in het leven dan veel vrome woorden die her en der worden gesproken of worden gezongen. Sommige liederen zijn zo hooggestemd dat je er haast wanhopig van zou worden omdat je eigen ziel zo hoog niet kan reiken en er allerlei vragen in je hart overblijven. Bij de psalmen kun je terecht.
Zie Psalm 63. David bevindt zich, jawel, in de woestijn. ‘Mijn ziel dorst naar U, mijn lichaam verlangt naar U, in een land, dor en dorstig, zonder water.’ (Ps. 63:2). Dat is de gestalte van het wachten op God.
En ook waar de psalmen wel voluit het geloof uitzingen, blijkt dat een aangevochten zaak te zijn, die juist in het zingen opnieuw toegeëigend moet worden. Zie ook Psalm 62, waar we bij begonnen.
Een herontdekking van de Psalmen is dus nodig – niet alleen exegetisch of bijbels-theologisch, maar existentieel. Zo blijkt de Bijbel opnieuw een levend boek, het Woord van de levende God, te zijn. Dat zou een eerste antwoord kunnen zijn op de vraag naar concrete vormen: het bidden van de psalmen, of biddend zingen ervan, en zo opnieuw de vita passiva leren. Het is niet zonder reden dat de psalmen een cruciale rol vervullen in de monastieke traditie en de dag van de monnik structureren en in de diepste zin van het woord vullen. Juist wanneer de psalmen contre coeur worden gezongen, krijgen ze de grootste zeggingskracht.

Bonhoeffer: zwijgen en spreken

Maar is dit nu allemaal niet al te oudtestamentisch? Voordat ik verder inga op gestalten van wachten en boete doen, maken we nu eerst een kleine zijstap naar wat Dietrich Bonhoeffer zegt over het stil zijn tot God.[3]
Hij benadrukt het zwijgen voor het Woord als een gekwalificeerd zwijgen: geen zwijgen voor de leegte, geen mystificatie, maar een gevuld zwijgen voor Jezus Christus die het Woord is. Stilte dus als geladen stilte in de persoonlijke ontmoeting met Christus.
Voor Bonhoeffer sluiten zwijgen en spreken elkaar niet uit, maar in. Het rechte spreken komt voort uit het zwijgen, en wordt er voortdurend door begeleid. Dat laatste is cruciaal, en het toont aan dat het hier om een gekwalificeerd zwijgen gaat: een besef van het geheim van de Persoon voor wie wij staan. Het spreken en preken dat met dit zwijgen gepaard gaat, is derhalve niet plat en eendimensionaal, waarbij het geheim wordt opgeheven omdat het woorden gegeven wordt. Integendeel, het echte spreken houdt het geheim in stand, niet doordat het geheimzinnig wordt of geheimtaal debiteert, maar juist omdat we met een persoon, dé Persoon van Jezus Christus te maken hebben. Over Hem spreken is zwijgen, over Hem op de juiste manier zwijgen is spreken.
Het is bekend dat Bonhoeffer bij de Predigerseminare die hij geleid heeft, geprobeerd heeft zwijgen en de stilte een structurele plaats te geven, bijvoorbeeld door te verbieden dat er voor de morgenwijding gesproken zou worden, omdat het Woord van God het eerste moet zijn dat klinkt. Met gezamenlijke wasruimtes zal dat een uitdaging geweest zijn voor de studenten.
Hoe verhoudt deze stilte zich tot de preek? In zijn befaamde gevangenisbrieven heeft Bonhoeffer de kerk een zwijgkuur aangeraden, omdat ze de grote woorden had gecorrumpeerd en dus krachteloos gemaakt. Bidden, stil zijn en het goede doen onder de mensen bleven over. Hoe dit ‘religieloze christendom’ ook te interpreteren is in het geheel van Bonhoeffers oeuvre, hij geeft een aansporing mee om niet al te lichtvaardig grote woorden te spreken.

Stilte in de prediking

Als we een stap bij Bonhoeffer vandaan doen en vragen wat dit vandaag voor ons kan betekenen, lijkt het me van belang om de rol van stilte in de preekvoorbereiding en in prediking en liturgie te benadrukken. Dat eerste lijkt voor de hand te liggen. Wie zelf te snel spreekt en niet bidt: ’spreek Heere want Uw knecht hoort’, zal uiteindelijk weinig anders doen dan zijn eigen stokpaardjes van welke snit dan ook berijden. Toch vrees ik dat velen van ons zich laten opjagen door innerlijke of uiterlijke onrust, en zo de innerlijke, geestelijke ontvankelijkheid en rust missen die nodig is.
In mijn studeerkamer staat een kleine knielbank, in het zicht vanaf de plek waar ik aan mijn bureau zit. Ik gebruik die knielbank, hoe oncomfortabel ook, in mijn persoonlijk gebed, maar ik zie ‘m ook steeds in mijn ooghoek tijdens het andere werk, als een voortdurende herinnering aan het belang van gebed. Het zit ‘m natuurlijk niet in die knielbank, maar hopelijk in de houding die er mee correspondeert.
Het tweede dat ik noemde, de rol van zwijgen in prediking en liturgie, lijkt veel minder voor de hand te liggen. Ik bedoel – zonder vaag te willen worden – dat er in de kerkdienst een bepaalde verstilling een plaats heeft, de ziel mag tot rust komen. Het meest pregnant gebeurt dit wellicht in de geladen stilte na de instellingswoorden, als het Avondmaal wordt gevierd. Daar wordt zichtbaar, tastbaar en te proeven dat God zichzelf genadig geeft. Hij geeft zich niet alleen te kennen, maar ook te ervaren. Maar ook voor de prediking geldt dit: verstilde prediking lijkt dan wel een contradictie, maar het laat zich het gemakkelijkst uitleggen aan de hand van het tegendeel: loos gepraat, wegvluchten van de stilte door toeters en bellen, retorisch of liturgisch. Daarmee bedoel ik niet met eensweeping statement alle retorica of liturgica af te wijzen; integendeel. Maar soms wordt het louter vulling, en is er geen vlees meer op de botten. Dat vlees op de botten komt er niet enkel door een stevige exegese (al is die onontbeerlijk) of empathische kennis van de situatie van de gemeente (ook die is nodig), maar door stilte tot God van degene die preekt en verlangend luisteren bij de hoorders. Nergens wordt dit vage mystiek, omdat dit zwijgen steeds op het Woord, op Christus, betrokken blijft. ‘Groot is het geheimenis van de godsvrucht: God is geopenbaard in het vlees’ (1 Tim. 3:16, HSV). Die stilte in de prediking komt dus voort uit een verlangen naar de Heilige. Wim Dekker haalt hier in zijn boek Marginaal en missionair Miskotte bij aan: het ergste is het, als het verlangen sterft!

Ontvankelijkheid

Van Bonhoeffer keren we nog even terug naar de vraag naar gestalten. Hoe kan de ontvankelijkheid, het wachten, de boete en de volharding nu in de gemeente gestalte krijgen?

Gebed

Bij elk van die drie woorden moet gedacht worden aan het gebed als de primaire Bijbelse gestalte: wachten is biddend wachten, boete doen is biddend boete doen en volharding is biddend volharden.
Het ligt dus voor de hand allereerst aan de plaats van het gebed te denken. In vergelijking tot bijvoorbeeld de Angelsaksische traditie kennen wij geen gemeentelijke prayer meetings. Onder invloed van de evangelische beweging zijn er wel steeds meer gebedskringen in opkomst, maar dit hoeven we werkelijk niet uit evangelische kring op te pikken.
Met het organiseren van een gebedskring zijn we er echter nog niet. Dat is namelijk een riskant gebeuren; het risico is groot dat het ontaard in vroom klinkende gebeden die de diepte van de nood niet peilen, hobbyisme van een enkeling waarbij de nood van kerk en wereld niet aan bod komt; kortom, wat Bonhoeffer een spreken zonder zwijgen zou noemen.
Hoe is dat te voorkomen? Zoals steeds ben ik ook hier geneigd te zeggen dat wij dit niet compleet kunnen organiseren, maar dat het afhankelijkheid vraagt om afhankelijkheid in het gebed te leren. We zijn, kortom, verlegen om de Heilige Geest. Waar die verlegenheid stolt in zekerheden die wij in handen hebben, dreigen we de hele zaak te verspelen.
Concreet zouden we kunnen denken aan verschillende vormen van gebedsbijeenkomsten. Als kerkenraad komen wij maandelijks bij elkaar om voor de gemeente, en breder: kerk en wereld, te bidden. Je zou kunnen denken aan gebedsbijeenkomsten voor de gemeente, met een bepaalde frequentie, waar je een bepaalde vorm voor vindt.

Meditatie

Wat in de gemeenschap gebeurt, dient ook individueel te gebeuren en andersom. De gemeente mag opgevoed worden in de manier van bidden, in de rijke geschakeerdheid ervan. Het opzoeken van de binnenkamer is daarbij cruciaal: eenzaamheid, afzondering en rust. Dat is ook een belangrijk signaal in onze cultuur vol onrust en haast. Waarom zouden we dit overlaten aan mindfulness of boeddhistische vormen van meditatie? Bijzonder veel mensen zijn met mindfulness bezig om meer in het nu te leven en dichter bij zichzelf te komen. Feitelijk komen ze daarmee – christelijk gezegd – dichter bij de afgrondelijke diepte van de eigen existentie buiten God. Tegelijkertijd is al die aandacht voor mindfulness misschien wel een soort seculier signaal van wat de kerk laat liggen.
Uiteraard verschilt de manier waarop er in de kerk sprake is van stilte en wachten, zozeer van allerlei vormen van mindfulness dat het daarmee niet op voorhand aantrekkelijk wordt voor de buitenstaander. Immers, het gaat in het stil worden niet om onszelf, maar om God. Het gaat niet om een reis naar binnen los van de lijn naar boven. Het meest vervreemdend voor onze seculiere medemens is nog wel het oordeel van God. Stil worden voor God betekent ook: me onder zijn oordeel en genade stellen, ook wanneer Hij zich verbergt.
Met al die kanttekeningen is meditatieve omgang met de Bijbel, en de stilte zoeken om God te ontmoeten, wel degelijk nodig. Zoals bekend plaatste Luther de meditatie tussen lectio en oratio (gebed) enerzijds en tentatio(aanvechting) anderzijds, dus in de overgang tussen binnenkamer en buitenwereld. Al snel dreigt meditatie en het spreken daarover te verworden tot een religieus maniertje, de zoveelste poging om wat beleving op te werken. De gerichtheid op het Woord, stil zijn voor God, lijkt me daarom cruciaal: dat Woord ontmaskert immers ook mijn schijnbaar vrome gemoedsgesteldheden en stelt me in gericht en genade voor de levende God.
Laat zich dit mogelijk nog verbreden, naar een bepaalde innerlijke en uiterlijke rust in al wat we doen? De boeken van Wil Derkse, die als oblaat aan de Benedictijnse gemeenschap van Doetinchem verbonden is, vinden gretig aftrek: hij schrijft over seculiere toepassingen van de regel van Benedictus, wat resulteert in een onthaaste vorm van time-management. Wat mij betreft is dat een heel praktische vorm van wijsheid uit de christelijke traditie.

Biecht

Opvallend genoeg: terwijl de aandacht voor meditatie en stilte overweldigend is, mogen biecht en boete zich niet in een dergelijke aandacht verheugen. Dat is voluit te begrijpen, uiteraard, omdat biecht betekent dat het over mijn zonden en tekorten gaat, over schuld en over vergeving.
Nu wil ik hier geen uitgebreid pleidooi voeren voor een herinvoering van de biecht- en boetepraktijk, maar wel een aantal aspecten aanwijzen die nog altijd waardevol zijn. Om te beginnen heeft een goed, klassiek, huisbezoek de ingrediënten van de biecht: een persoonlijk gesprek en toepassing van het Woord, met een sterk accent op zonde en genade.
Wat de boete betreft, heeft Van de Beek in zijn nieuwste boek de trom geroerd: deze hoort wezenlijk bij het verstaan van de kerk. Er is een boetetraject, niet om de vergeving te verdienen, maar wel om de ernst van de zonde te markeren. Calvijns nadruk op disciplina naast de doctrina past dan wel niet naadloos op Van de Beeks oproep, maar ligt er in zekere zin wel dicht bij. Waar vanaf de oude kerk en vooral in de middeleeuwen de boete een zaak was tussen biechtvader en degene die ter biecht ging, heeft Calvijn dit verbreed tot het consistorium dat verantwoordelijk was voor toezicht op de levenswandel van gemeenteleden.
Als het over de kerkelijke tucht gaat, gebeurt dat al snel in de irrealis. Mensen ervaren disciplinaire tucht immers al snel als zo beledigend dat ze er de brui aan geven. Maar kerkelijke discipline steekt dieper dan maatregelen die al snel als punitief kunnen worden ervaren. Er is in het christelijke leven een discipline in het zoeken van Gods aangezicht en het luisteren naar Zijn Woord, maar ook in het omgaan met de eigen schuld en het ontvangen van Gods vergeving. Dat vraagt wel om lef om de schuld ook profetisch aan te wijzen, persoonlijk en gezamenlijk. Zo komen we toch weer bij de prediking uit als bediening van de sleutels van het Koninkrijk.

Leven als geven

Op welke manier zouden christenen persoonlijk en de christelijke gemeente als geheel boete kunnen doen? Uiteraard hangt die vraag samen met de vraag wat de schuld eigenlijk is. Als je het christenen uit andere culturen vraagt, houden ze ons vrij snel de spiegel voor: ons Westers materialisme en hedonisme staan ons in de weg. Zou het geen goede manier van boete doen zijn als we meer geven? Van ons geld, om te bevestigen dat we niet onder de macht van de Mammon zijn, maar de levende God dienen – pijnlijk! Maar ook van onze tijd, die misschien nog wel kostbaarder is. In Oost-Europa komt het voor dat mensen een dag minder gaan werken om diaconaal voor de kerk dienstbaar te kunnen zijn. De lonen liggen daar significant lager dan bij ons. Een dag in de week, niet voor jezelf, maar voor anderen. Niet omdat de samenleving ons graag als leveranciers voor de WMO ziet, maar van binnenuit. Niet dat die dag in doenerig activisme moet opgaan – misschien moet het een dag van stilte en gebed zijn. Wie deze mogelijkheid verkent, ziet direct hoe moeizaam dit zal gaan in onze cultuur. Maar alle bekering is moeizaam.
Met deze houtskoolschets zijn we terug bij de grondlijn van mijn verhaal: de overtuiging dat wij de kerk niet redden, maar dat God werkt in deze wereld. Hij bepaalt soeverein waar Hij Zich verbergt en hoe Hij Zich laat kennen. De geestelijke houding die daar bij past, is uiteindelijk (wij dominees zeggen dan: ten diepste!) niet een ‘spiritualiteit’ die ik zelf zou kiezen, maar de houding waarin Gods Geest mij brengt: een houding van ontvankelijkheid en ootmoed. Daarmee is het activisme de pas afgesneden, maar onze activiteit niet uitgesloten, maar juist ingesloten.

Volharden

Het laatste: volharden.
Volharden is de gestalte waarin de christelijke gemeente blijft bij haar belijdenis, en de individuele gelovige bij zijn of haar belijdenis. Hoe heviger de aanvechting of vervolging, des te meer is volharden nodig. Bij lezing van de brief aan de Hebreeën treft het dat er grote nadruk valt op het ‘vasthouden’ van de (onwankelbare) belijdenis (Hebr. 4:14, 10:23), van de hoop (Hebr. 6:18), van de genade (Hebr. 12:28). In de situatie van geloofsafval en tegenstand komt het dus niet aan op een door christenen ontworpen program of nieuw elan, maar juist om een voortdurend blijven bij de belijdenis. Niet creativiteit maar volharding is het eerste kenmerk van de christelijke kerk die de tegenstand van binnen en van buiten overleeft. Of, zoals we het bij Johannes lezen, ‘blijft in Mij en Ik in u.’ Waar dat gebeurt krijgt de kerk ook diaconaal gestalte, maar in een voortdurende betrokkenheid op Christus, waardoor het een echt christelijke gestalte is en blijft.
Met taai geduld wachten is genade. Het niet verwachtend van onze eigen inspanning, en tegelijkertijd ons toch inspannend. ‘Laten we met volharding de wedloop lopen die voor ons ligt, terwijl we het oog gericht houden op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof. Hij heeft om de vreugde die Hem in het vooruitzicht was gesteld, het kruis verdragen en de schande veracht en zit nu aan de rechterhand van de troon van God.’ (Hebr. 12:1v).


  1. Noordmans, VW 8, 154.  ↩
  2. Noordmans, VW 8, 156.  ↩
  3. Zie mijn artikel in de bundel Stil tot God ↩

Geld speelt wel degelijk een rol

mijn column in het RD van vandaag.
Geld speelt geen rol voor werkende christenen; talenten en roeping geven de doorslag in hun loopbaan. Dat zou blijken uit een onderzoek van CHE-student Thamar Koedoot. Zo moet het natuurlijk zijn, en desgevraagd zeggen velen dat ook. Maar is het echt waar? Als roepingsbesef werkelijk leidend is, dan zijn er nog grote dingen te verwachten voor de ICT en de accountancy waar zo velen zich kennelijk geroepen weten. Als christenen inderdaad als lammetjes salarisonderhandelingen in gaan, liggen de gemiddelde personeelskosten in de bible belt naar verwachting lager. Puntje voor vervolgonderzoek?
Toch is er niet alleen reden tot scepsis. Dit onderzoek legt wel degelijk wat bloot. Veel mensen gaat het niet allereerst om het geld, maar om de inhoud van de baan en vooral om het kunnen ontplooien van je unieke talenten. Toch is dat nog niet per se christelijk. Ook wie talenten niet als door God gegeven beschouwt, wil ze immers ontplooien. Wie zelfontplooiing belangrijker vindt dan geld, is zelfs echt een kind van onze tijd. Geld is randvoorwaarde, geen doel op zich.
Echt roepingsbesef steekt dieper dan het ontplooien van je talenten. Mozes had geweldige talenten en een prachtige opleiding, maar hij moest eerst veertig jaar de woestijn in, en werd daarna geroepen om nog eens veertig jaar met een onwillig volk de woestijn in te gaan. Roeping is nooit alleen maar prettig; er is geen roeping zonder enige mate van pijn. Of dat nu een minder indrukwekkend salaris is of de eenzaamheid van de christen-natuurkundige.
Daarmee is niet gezegd dat er een streep door je talenten gehaald moet worden: Mozes’ opleiding kwam later goed van pas. Het punt is dat talenten op een nieuwe manier in dienst worden genomen, voor God en de ander. Maar dat is wat anders dan in algemene termen te zeggen dat God je leven heeft geleid, alsof daarmee je loopbaan dus in orde is. God roept zelden alleen maar tot een comfortabel leven.
Dat betekent niet dat alle christenen dan maar in de zorg moeten gaan werken of dat de financiële wereld een no go-area wordt. Maar wel dat je niet op voorhand het veiligste of meest lucratieve gebied opzoekt, of het meeste maatschappelijke aanzien. Niet allereerst halen dus, maar geven. Misschien ligt er dan daadwerkelijk een roeping in accountancy, waar het extra moeilijk kan zijn om geld niet de hoofdrol te laten spelen.
Laten we elkaar niets wijs maken: geld speelt wel degelijk een rol. De vraag is alleen, welke rol.
 

BR-reclame

Mijn column in het RD van vandaag.
In de reclame draven vaak BN’ers (Bekende Nederlanders) op om een product aan te prijzen. Kennelijk werkt die truc, anders zou deze niet zo veel worden toegepast. Vreemd eigenlijk, want gesteld dat je die BN’er inderdaad ook kent (er zijn er tegenwoordig zo veel), en ook nog eens graag mag, waarom zou iemand die veel van voetbal weet opeens ook veel van energie weten – bijvoorbeeld? Hoe dan ook, BN’ers zelf varen er wel bij, want reken er op dat er met die schnabbels goed wordt verdiend. Zo zullen ze zich wel oppeppen voor dit sneue werk: even doorbijten en dat cabrio’tje is verdiend.
Het leek onvoorstelbaar dat de gereformeerde gezindte hierin mee zou gaan door BR’ers (Bekende Refo’s, klinkt niet echt lekker) in te schakelen in reclame. Toch stond onlangs in deze krant een advertentie van een autobedrijf, waarbij drie BR’ers, met foto erbij, een duit in het reclamezakje deden. Keurig verdeeld qua kerkverbanden en leeftijden gaven ze hoog op van kwaliteit en service van het bedrijf. Dit is voer voor sociologen: een ontluikende cultuur van beroemdheden in refoland?
Is daar wat mis mee? Het is niet te verwachten dat excessieve beloningen zijn uitgekeerd, en aan de degelijkheid van het autobedrijf hoeft niet getwijfeld te worden. Maar willen we wel mee in die cultuur dat een betrouwbaar geacht persoon wordt ingezet om een product te promoten? Natuurlijk gebeurt dat allang bij zogenaamde comités van aanbeveling, waar met name predikanten hun steun uitspreken voor een organisatie. Ook daarbij kun je je afvragen waarom mensen zo tot boegbeeld worden gemaakt, en of het effectief is om je organisatie door dertig personen in comité te laten aanbevelen. Maar dan gaat het nog om goede doelen en organisaties zonder winstoogmerk. Dat is toch anders.
Om eens een hellend vlak-argument te wagen: waar leidt dit toe? Een concurrerend autobedrijf dat andere BR’ers aan zich weet te binden? Tegen elkaar opbiedende concerns? Beletterde auto’s op het kerkplein? Nee, tot shirtreclame zal het niet komen, noch ook tot complete reclamepakken als in de autoracerij. Maar een emeritus predikant die Kukident aanprijst als “degelijk” is denkbaar. Of theologen met hippe brillen in een reclame van een opticien (‘voor een scherpe blik!’). Jeugdwerkers die vakantieparken of motoren aanprijzen. Een reclamebureau RefAd waar je BR’ers kunt inhuren.
Zo ver is het nog lang niet, gelukkig. Maar laat commercialisering ons niet van onze kerntaak afleiden. Ieder bij zijn leest. We laten autobedrijven toch ook geen predikanten aanbevelen?
 
 
 
 
 

Kritiek, geen paniek

Mijn column in het RD van vandaag
GroenLinks liet afgelopen week zien hoe je typisch niet met kritiek moet omgaan. Tofik Dibi werd ongeschikt bevonden als kandidaat-lijsttrekker, maar na een storm van kritiek besloot het partijbestuur dat hij toch mocht meedingen.
Partijvoorzitter Heleen Weening mocht het bij Knevel en Van den Brink aan tafel komen uitleggen, maar verstrikte zichzelf. Ze kon het niet over haar lippen krijgen dat haar bestuur het fout had aangepakt, en ze bleef allergisch voor kritiek. Je zag direct: zo moet het niet.
Dan Sybrand van Haersma Buma. Hij had nog wel een tip voor GroenLinks: zorg voor een goede geluidsinstallatie. Die was namelijk bij het CDA-lijsttrekkersdebat abominabel. Die zelfspot maakte Buma sympathiek; wat een verschil met de krampachtige houding van Weening.
Waarom is het toch zo moeilijk om goed om te gaan met kritische geluiden en fouten toe te geven? Als Weening nu had gezegd: we hebben er een bende van gemaakt, maar dat is nu voorbij, en we hebben twee kandidaten – dan was de kou voor een deel uit de lucht.
Je zou verwachten dat gereformeerde christenen, die leren dat mensen van nature tot het kwade geneigd zijn, minder krampachtig met kritiek omgaan. Toch lijkt het wel dat  degenen die het hardst de zondigheid van de mens preken, er het minst tegen kunnen als ze met hun eigen zondigheid worden geconfronteerd.
Iedere predikant of ouderling krijgt met kritiek te maken. Maar hoe ga je ermee om? Je kunt erover klagen: die gemeente is zo kritisch, de gemeenteleden zo mondig. Dat zal zo zijn, maar de vraag is, of de critici ook gelijk hebben. Of beter nog: of je bereid bent te overwegen of ze gelijk zouden kunnen hebben. Dat laatste wordt ook wel ‘luisteren’ genoemd. Voor critici is het al fijn te merken dat ze gehoord zijn.
Dan nog zouden ze gelijk kunnen hebben. Laat dat dan ook toegegeven worden! Niet om er van af te zijn, maar integer en eerlijk. Natuurlijk word je het niet altijd met elkaar eens. Maar integer kritiek incasseren en fouten durven toegeven misstaat niemand, zeker een christen niet.
Sterker nog: ter opscherping kunnen predikanten en anderen kritiek organiseren. Een preek laten horen aan een collega, met de vraag om eerlijke reactie. Leerzaam, heilzaam en verootmoedigend.
Hoe ik dit zo goed weet? Ik stuurde een concept-column aan enkele meelezers. Nu ze het concept voor de derde keer hebben afgeschoten –en terecht– restte mij niets anders dan hier over te schrijven. De titel van de column die u nooit zult zien? ”Uitblinken”.

Leve het schuldgevoel!

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van vandaag.
Met name sinds de jaren ’60 wordt ons voorgehouden dat schuldgevoelens verkeerd zijn. Kinderen moeten vooral worden opgevoed zonder schuldgevoel, en volwassenen moeten gewoon zichzelf zijn, zonder zich druk te maken over anderen.
Schuldgevoel is dan ook een schaars goed geworden. Niet alleen bij misdadigers die in een zogenaamde ‘schaamtecultuur’ zijn opgevoed en geen antenne hebben voor schuld. Maar ook niet bij de directeur van de woningcorporatie die met een grote som geld verdwijnt, en bij de politicus die razendsnel van standpunt verandert.
Des te opmerkelijker wat NRC meldde. Onderzoekers van de prestigieuze Stanford University hebben ontdekt dat goede leiders niet alleen gekenmerkt worden door extraversie, intelligentie, flexibiliteit en empathie – allemaal prachtige eigenschappen – maar ook door de neiging om zich snel schuldig te voelen. Dat moet even slikken zijn voor dames en vooral heren managers en leiders, die bij een volgens sollicitatiegesprek de vraag kunnen verwachten: voelt u zich ook snel schuldig?
Volgens de psychologen werden juist de studenten die zich het snelst schuldig zeiden te voelen, door anderen  gezien als degenen met de beste leiderscapaciteiten. Doordat de neiging tot schuldgevoel samen op gaat met een groot verantwoordelijkheidsgevoel, houden zij meer rekening met de belangen van anderen.
Je kunt er wel iets bij voorstellen. Als de schaamteloze graaier geneigd was geweest tot schuldgevoel, was het met hem waarschijnlijk niet zo ver gekomen.
Op het eerste gehoor klinkt dit als muziek in de oren. Schuld en verantwoordelijkheid: in welke reformatorische preek gaat het er niet over?
Nadat met name babyboomers zich aan schuldbesef ontworsteld hebben, is het nu dus tijd voor een herwaardering van schuldgevoel, in bedrijven niet minder dan in gezinnen.
Er is wel een kanttekening te plaatsen. De neiging om je schuldig te voelen kan ten koste gaan van besluitvaardigheid en zelfs van levenslust. Je kunt aan schuldgevoelens stuk gaan. De psychologen van Stanford vragen zich dan ook af, hoe lang de schuldbewuste mensen het gaan volhouden in veeleisende topfuncties. De beste manier lijkt mij dat ze naast schuldgevoel ook ontdekken wat vergeving betekent. Dan leidt schuldbesef niet per se tot frustratie of wanhoop, maar tot bevrijdende genade.
Opvallend dat wel managementboeken uit christelijke hoek vaak over persoonlijke groei of wijsheden uit Prediker gaan. Wie schrijft een managementboek over de waarde van schuld en vergeving? De titel ligt al klaar: leve het schuldgevoel!

Passie

Mijn column in het RD van vandaag.
Iedereen lijkt tegenwoordig een ‘passie’ te hebben, of er anders naarstig naar te zoeken. ‘Passie’ is hard op weg om het meest gebruikte modewoord in voorstelrondjes te worden. ‘Mijn passie is’ – en dan komt het. Wat volgt is kennelijk iets waar je met hart en ziel bij betrokken bent. Echte passie-mensen laten soms ook net wat meer valse lucht meeklinken, zodat het nog meer doorleefd klinkt.
Het gaat er niet zozeer om wat je passie is (je werk, je gezin, of tuinieren, desnoods), als je er maar één hebt. Daarbij gaat het om je drive, de innerlijke motivatie, dat je doet wat je écht wilt. Je passie is het doel van je authentieke leven, en die zelfverwerkelijking is nu eenmaal de heilige graal van de postmoderne queeste. De commercie vaart er wel bij met producten die ofwel met passie bereid zijn, ofwel helpen om je passie uit te drukken.
De filosoof Coen Simon wees er onlangs op, hoe ‘passie’ de ouderwetse ‘hobby’ heeft vervangen, en dat dit verre van onschuldig is: waar een hobby een vaak nutteloos maar leuk tijdverdrijf betekent (ontspanning dus), gaat het bij passie om de ultieme zelfverwerkelijking. Dan ben je dus nog ingespannen aan het streven. Als tuinieren je hobby is, ontspant het. Maar is het je passie, dan dient de tuin je authentieke zelfverwerkelijking. Ga er maar aan staan. Simon vermoedt dan ook een samenhang tussen passie en burn-out.
Ook in de kerk is de passie aan een opmars bezig. Mensen hebben een passie voor Jezus, voor de armen of voor het bereiken van bepaalde bevolkingsgroepen. Minder vaak hoor je van een passie voor het kerkverband of voor het schoonmaken van de kerkelijke toiletten. Dat lijkt nogal wiedes. Maar die aandacht voor passie verraadt misschien wel dat geloof en kerk vooral onze zelfverwerkelijking moeten dienen. Al snel kan de ‘passie’ de ego’s groter maken en de bereidheid tot zelfverloochening kleiner. Kijk eens hoe het kan botsen tussen voluit gepassioneerde mensen die in elkaars vaarwater komen, juist in de kerk.
Laten we eerst eens terug gaan naar de oorspronkelijke betekenis van ‘passie’: lijden, ondergaan. Gehoorzaam volhouden dus, ook als je zelfverwerkelijking er niet direct mee gediend is. De passie van Johannes de Doper: Hij moet groeien, ik moet minder worden. Een passie voor vrede stichten, omdat er al zo veel ruziemakers zijn. Liefst gedragen door de overtuiging dat niet mijn passie het gaat maken (wie zou daar niet opgebrand van raken?) – maar dat de genadige God werkt in deze wereld. Zo’n passie is meer dan welkom. Gods compassie gaat immers vóór mijn passie.

Humor

Mijn column in het RD van 10 april.
Niet iedereen heeft kennelijk hetzelfde gevoel voor humor. Jeugdwerkers van de Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten poseerden in hun nieuwe outfit naast motoren waarmee ze brandstofkosten zouden gaan besparen – een 1 aprilgrap die veel mensen op het verkeerde been zette. Maar enkele dagen later boden voorzitter en directeur van de JBGG hun ‘oprechte excuses’ aan voor deze actie vanwege talrijke klachten die de bond binnenkreeg. Waarom? Deze presentatie is niet passend bij de ‘stijl’ van het werk, die gefundeerd is op Schrift en belijdenis.
Die frase intrigeert. Wat past er niet bij de stijl? Is een grote auto van een premium merk heiliger dan een motorfiets? Of stonden er op de rug van de motorpakken de afbeeldingen van een criminele motorbende? Of, en dat is waarschijnlijker, tast de grap een vermeende ‘waardigheid’ aan? Humor is bij een gereformeerde stijl kennelijk een gevoelig punt.
Nu moet de JBGG uiteraard haar eigen afweging maken – maar de relatie van stijl en humor is echt een aangelegen punt, juist in het jeugdwerk. Een bepaalde mate van humor is daar nodig. De gereformeerde gezindte heeft het imago streng en humorloos te zijn; bij de buitenwacht, maar ook bij veel van onze jongeren. Hoe ernstiger je gelaat, des te degelijker en beter het is. Lachen is lichtzinnig, toch?
Platte grappen en grollen passen uiteraard niet, maar een dosis humor kan geen kwaad.
Het is een misvatting dat een voluit ernstige boodschap humor uitsluit. Integendeel. In de Joodse traditie bloeide de humor op in het aangezicht van de meest ernstige en gruwelijke omstandigheden. Hoewel de boodschap ernstig is, is niet alles even ernstig. We zouden bijvoorbeeld onszelf wat minder ernstig kunnen nemen. Door gewichtigdoenerij prikken jongeren heen.
Onlangs stond in deze krant prominent een soort hartenkreet over onze omgang met jongeren. Jongeren hebben, zo stond er, onder andere behoefte aan het uitleggen van regels en tradities. Dat zal alleen lukken als we weten te relativeren: niet alles in onze traditie is van gelijk gewicht, en jongeren gaan juist steigeren waar álles heel erg belangrijk wordt gemaakt. Als oekazes over leggings met dezelfde ernst worden gebracht als de noodzaak van bekering, voelen jongeren aan dat er iets mis gaat.
Ons woord ‘gein’ komt van het Hebreeuwse woord ‘genade’. Nu geeft zo’n etymologie niet de doorslag, maar toch. Het is genade als je ziet waarop het aankomt, en ook waarop het wat minder aankomt. Jongeren hebben voorbeeldfiguren nodig aan wie ze zien dat diepe ernst en humor samengaan; mensen die met de jongeren kunnen huilen en kunnen lachen, kunnen bidden en kunnen kletsen. Zonder die motor loopt het jeugdwerk vast.

Seizoensarbeid

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad, 27 maart 2012
De zomertijd is weer beginnen, het is bijna Pasen, en dus beginnen in het kerkelijke leven de dingen weer op hun eind te lopen. Het einde van de catechisaties komt in zicht, verenigingen komen voor het laatst bijeen en bijbelstudiekringen denken na over welk Bijbelboek ze volgend seizoen zullen behandelen. De kerkenraad vergadert nog wel, maar na Pinksteren liggen nagenoeg alle kerkelijke activiteiten stil. Het ‘kerkelijk seizoen’ wordt niet zonder reden ook wel   ‘winterwerk’ genoemd. Daarna volgt de zomerslaap.
Merkwaardig eigenlijk dat juist na Pinksteren de grote rust intreedt – want Pinksteren is het feest van de vervulling met de Heilige Geest, waarna de discipelen die in Gethsémané nog sliepen, worden ingeschakeld als apostelen.
Dat kerkenwerk seizoensarbeid is, laat zich gemakkelijk verklaren. De kerk volgt hierin nog altijd het ritme van het boerenleven, dat de context vormde voor vele vroegere generaties. Als de dagen lengen, moet er op het land gewerkt worden op een manier die in de winter niet mogelijk was. In die drukke tijd dus geen kerkelijke activiteiten.
Merkwaardig genoeg houden we deze cadans nog altijd aan, terwijl het levensritme van de meeste kerkgangers er inmiddels totaal anders uitziet. De zomertijd is veelal niet meer de drukste tijd, maar juist de meest ontspannen tijd van het jaar geworden. Vakantietijd! Ruim tijd dus voor Bijbelstudie en verenigingen, zou je zeggen. Maar nee, tussen half mei en begin september ligt de zaak compleet stil.
Waarom zou deze gewoonte niet doorbroken worden? Voor de predikant kan het echt wel een beetje als vakantie voelen als hij eens even geen catechisatie hoeft te geven. Voor de ambtsdrager ontstaat er zomers wat meer lucht. Het voelt  ook prettig als je eens even niet naar de een of andere bijeenkomst hoeft. Maar dat we dat geregeld als zo’n druk ervaren, komt óók omdat al die activiteiten in enkele maanden worden geperst. Er ontstaat al meer lucht als ze worden gespreid. Nu zijn er in het seizoen weken dat je dagelijks naar de kerk kunt om gesticht te worden, terwijl er buiten het seizoen maanden zijn waar er buiten de zondagse erediensten niets te beleven valt.
Of zou het werkelijk zo zijn dat we graag even van kerkelijke activiteiten af zijn, omdat we de dienst van de Heere eigenlijk maar saai vinden? Dat zou de slechtst denkbare reden zijn.
Nee, dit is geen pleidooi om voor nog meer activiteiten en een nog drukker kerkelijk program; we missen al zo veel rust. Maar ten dienste van die rust kan wat spreiding geen kwaad. Bovendien, een liefdedienst die zich tot de wintermaanden beperkt, is maar een kille bedoening.

Echte vrienden (column RD)

Echte vrienden
Mijn column in het RD van 13 maart.
Het thema van de boekenweek combineert ‘vriendschap’ met ‘andere ongemakken’. Vriendschap als ongemak dus. Dat klinkt rijkelijk ironisch, maar treffend is het wel. Echte vriendschap gaat immers dieper dan het uitwisselen van allerlei vriendelijkheden. Maskers gaan af en de dieper gelegen pijn en zorgen komen ter sprake. Dat veroorzaakt een zeker ongemak bij de ander. Een willekeurige ander zou je er niet mee lastig vallen, maar een vriend wel. Die vriend durft je vervolgens ook de waarheid te zeggen, zelfs scherp als dat nodig is. Wederzijds ongemak door openheid verdiept de vriendschap alleen maar, maakt haar exclusiever en waardevoller.
In dat licht is er veel dat vriendschap heet maar dat deze diepgang niet haalt. Met mijn 352 ‘vrienden’ op Facebook bijvoorbeeld kan ik niet zo’n echte vriendschap onderhouden. Daar dienen sociale media natuurlijk ook niet toe. Je kunt sociale media gebruiken als discussieplatform, om contacten te onderhouden of aanvankelijk te leggen. Daarin ligt de kracht van die media, zonder meer. Maar de term ‘vriendschap’ is een te groot woord. Het nuchterder ‘volgers’ voor mensen die je berichten volgen bij Twitter klinkt al beter.
Dat het niet om échte vriendschap gaat, blijkt uit het bijna helemaal ontbreken van de ongemakkelijke kant ervan. Je schrijft nu eenmaal niet zo snel op Facebook dat het even niet zo lekker gaat. Als dat eens wel gebeurt, kan het al snel lijken dat je hengelt naar een oppepper (‘hou vol!’) van je vrienden of volgers. Het is treffend dat Facebook enkel een ‘like’ (vind ik leuk)-knop kent, met de duim omhoog. Echte vriendschap kan niet zonder de optie ‘dat vind ik niet leuk’, en nog heel wat genuanceerds daartussen. Elkaar een spiegel voorhouden vereist nu eenmaal een vertrouwde relatie. Het werkt niet als iedereen mee kan kijken.
De meest gebruikte spiegel op Facebook is die van Narcissus, de figuur uit de Griekse mythologie die als straf voor het afwijzen van alle geliefden verliefd werd op zijn eigen spiegelbeeld. Hij kon deze liefde niet bereiken: telkens als hij zijn spiegelbeeld wilde kussen, rimpelde het water dat beeld weg.
Het typeert onze cultuur: rusteloos op zoek naar ons eigenste ik, dat ons hart niet kan vervullen. Dit narcisme ligt dicht aan tegen Luthers omschrijving van zonde: in jezelf gekromd zijn; uiteindelijk geen oog voor God, geen oog voor de ander. Een ander mens écht ontmoeten levert hoe dan ook ongemak op: het kost tijd en aandacht om jezelf open te stellen voor de ander.
Facebook kan aardig zijn, maar voor echte vriendschappen moeten schermen aan de kant en maskers af. Ongemakkelijk, maar de moeite waard.