Annunciatie: overdenking

De volgende overdenking hield ik vanavond in de Apeldoornse Barnabaskerk (CGK) tijdens de evensong.

Van sommige gebeurtenissen weet je direct dat ze de loop van de wereldgeschiedenis ingrijpend veranderen – zoals de Russische invasie in Oekraïne. Maar niet altijd is het schokkende karakter direct duidelijk. Begin 2020 hoorden we van een virus ver weg, in China, in Italië. Pas later drong de omvang ervan tot ons door.

Wat moest Maria, een meisje van zo’n 14 jaar, aan met de boodschap die zij kreeg? Zij wordt de moeder van de Heere. Het bijzonderste is niet eens dat er geen man aan haar zwangerschap te pas komt, maar dat God zelf in haar gestalte aanneemt. De Zoon van God is haar Zoon, haar vlees en bloed. Nog altijd hebben theologen er complete boeken voor nodig om dat mysterie enigszins te benaderen. Je zult die boodschap voor het eerst horen – hoe reageer je dan? Hoe vat je enerzijds de heiligheid van God, uitkomend in nota bene een engel, en anderzijds Gods nabijheid, tot in haar schoot.

De enige manier om dat geheim een beetje te vatten is door het geloof. En Maria is de oergelovige van het Nieuwe Testament, de eerste die het evangelie hoort en het voluit aanvaardt. Ze geeft zich over aan Gods Woord: ‘De Heer wil ik dienen, laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’ Niet dat ze alle gevolgen overzag: de vlucht naar Egypte, het zwaard dat door haar ziel zou gaan. Maar ze wist wel dat God betrouwbaar was – en dat zijn Woord bevrijdt. Even later zingt ze er ook van: ‘heersers stoot Hij van hun troon, en wie gering is geeft Hij aanzien.’ Vol vertrouwen staat ze in de lijn van de profeten, die Gods bevrijding voor zijn volk verkondigden.

Twintig eeuwen later horen wij deze woorden opnieuw. Durven wij geloven, soms tegen de klippen op? Maria zag de bevrijding ook nog niet, maar ze zong erover als een realiteit die er is. God maakt het licht, Hij komt zijn volk bevrijden. Niet door tanks te laten rollen en bommen te laten regenen, maar door mens te worden, en wel een onaanzienlijk, gering mens. Zachtmoedig, niet oorlogszuchtig. Maar die geringe had wel de toekomst. En zijn moeder, Gods minste dienares wordt door alle generaties gelukkig geprezen.

Zo is de God van Israël: Hij laat zich wegduwen tot aan het kruis. Zo biedt Hij lijdenden troost en uitzicht. Hij is erbij, in de schuilkelders van Marioepol, bij de zwangeren die moeten vluchten. Hij was minder dan kanonnenvoer, toen Hij werd overgeleverd om gemarteld te worden. Juist die lijdende Jezus troost, omdat Hij door het lijden heen leidt naar het leven.

En juist als we het niet zien, zingen we temeer dat God barmhartig is en grote dingen doet. Niet tegen beter weten in, of als een bezweringsformule, maar omdat God voorgoed een nieuw begin gemaakt heeft in Maria’s schoot, door Maria’s zoon. Hij komt om eens zijn rijk te vestigen, van vrede en van recht. Hij zal toch wel dit geloof vinden als Hij komt? Dat geloof van mensen met lege handen en lege harten, die alleen maar kunnen hopen op God. Zo ontvankelijk als Maria: Heere, hier ben ik – doe aan mij naar uw beloftewoord.

Beeldenstorm

Mijn column in De Waarheidsvriend van deze week

Het begon met het standbeeld van Edward Colston in Bristol dat werd neergehaald en in het water gegooid. Sindsdien heeft de beeldenstorm in de slipstream van ‘Black lives matter’ een hoge vlucht genomen. Zelfs Gandhi en Churchill ontkwamen niet aan bekladding vanwege hun vermeend racisme. Nu is racisme een groot probleem, niet alleen in de Verenigde Staten. Als christen trek ik me dat aan. We belijden het geloof ‘met de kerk van alle tijden en plaatsen’, maar in veel kerkelijke gemeenten zie ik geen diversiteit. In de samenleving worden  mensen structureel achtergesteld en dat is fout. Toch helpt het omverhalen van standbeelden niet. Er is namelijk geen eind. Niemand is schuldloos, dus moet iedereen van zijn sokkel. Wat overblijft is een standbeeld voor de mens van vandaag, het morele baken van licht. Totdat een volgende generatie dat anders ziet.

De beeldenstorm laat zien dat identiteitspolitiek uiteindelijk doodloopt. In naam van tolerantie mag de ander niet meer gezien worden. En mensen uit het verleden veroordelen volgens huidige maatstaven is onhistorisch en verklaart onze maatstaven tot eeuwige waarheden – wat ze niet zijn. Ook wij zijn niet onschuldig, juist niet als we ons moreel superieur wanen. Wij mensen zijn tweeslachtige wezens.

Als boetedoening voor zogenaamde ‘witte schuld’ gingen recent allerlei mensen op de knieën voor donkerder gekleurde mensen. Het werkt niet, omdat er in de verste verte geen vergeving te vinden is. Frustratie over het uitblijven van vergeving kan maar zo omslaan in ressentiment en een nieuwe revolutie. 

Wat we nodig hebben is echte vergeving van echte schuld. We zijn echt schuldig, en niet alleen door wat we zelf misdeden. De christelijke traditie noemt dat erfzonde of oorsprongszonde. Er is ook echte vergeving, geen witwasoperatie of wegpoetsen van schuld. Echte vergeving heeft een hoge prijs. Die is betaald toen Jezus zichzelf gaf. Pas als de hele wereld nieuw is, wordt die echte vergeving ook zichtbaar. Tot die tijd is het goed om op te staan tegen onrecht, in het besef hoe beperkt we zijn. Aan het omhalen van standbeelden heb je dan net zo weinig behoefte als aan het oprichten ervan.

Mensen deugen wel / niet

Onlangs schreef ik dit stukje in ‘De Wekker’. 

Hoe gedragen mensen zich als je ze hun gang laat gaan? Wordt het dan een oorlog van allen tegen allen, of gaan mensen juist vredig samenleven? In zijn boek De meeste mensen deugen stelt Rutger Bregman dat mensen van nature goed zijn. De mens is eigenlijk de homo puppy, de vriendelijke en zorgende mens. In een harde wereld is het om te overleven namelijk het belangrijkste dat snel kunt rennen of hard kunt slaan, maar dat je goed kunt samenwerken. Survival of the friendliest, het overleven van de vriendelijkste, noemt Bregman dat.

Bregmans verhaal werkt aanstekelijk. Veel mensen lijden aan een negatief zelfbeeld en aan de wereldwijde ellende. Dan kun je wel wat positiviteit gebruiken, als tegenwicht.

Bregman schrijft dit boek ook tegen de achtergrond van zijn christelijke opvoeding, waarin hij leerde dat de mens onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Zo zegt de Heidelbergse Catechismus het in Zondag 3. Nu kunnen we als verdediging direct het Bijbels karakter van deze leer onderstrepen, maar laten we ook eerlijk benoemen dat deze leer vaak botst met wat we waarnemen. Veel mensen zijn écht aardig, en daar hoef je echt geen christen voor te zijn. Je kunt ermee vastlopen: is de gereformeerde zondeleer niet te negatief over ons mensen?

Het is belangrijk om te zien dat de leer van het totale bederf gaat over hoe wij van nature tegenover God staan, niet over mensen onderling. In de relatie tot God zijn we compleet op zijn genade aangewezen, en kunnen we onszelf niet redden. Eigenlijk is dat goed nieuws, want als we zelf (hoe klein ook) zouden moeten beginnen met het herstel van de verhouding met God, zou het er nooit van komen. Zo is de leer van ons totale bederf dus bedoeld: als achtergrond van Gods totale genade.

Wat betekent de gereformeerde zondeleer dan voor de verhouding van mensen onderling? Gelukkig gebeurt er heel veel goeds. Zoals Calvijn zou zeggen: door te zondigen zijn wij mensen niet opeens beesten geworden. Ad de Bruijne wees er onlangs in het Nederlands Dagblad al op dat juist Calvijn, die de reputatie van een zwartkijker heeft, benadrukt dat mensen vaak het goede doen. Calvijn gebruikt daar de term ‘deugd’ voor. Dus zelfs Calvijn vindt dat veel mensen deugen. Alleen kijkt Calvijn vervolgens direct dankbaar naar God om Hem te prijzen: wat er aan goedheid in de wereld is, komt namelijk allemaal van de Schepper.

Op een bepaalde manier mogen christenen wel blij zijn met Bregmans boek. Het helpt ons namelijk om scherp te stellen op wat zonde is. Uiteindelijk is zonde niet zozeer dat we allerlei verkeerde dingen doen. De meeste mensen doen toch niet zo veel verkeerds, zeker niet bewust en zeker niet in vergelijking met andere mensen? Maar zonde zit in heel onze levensrichting en levenshouding: dat we zonder God willen leven. Dat we Hem niet liefhebben met heel ons hart. Daarvoor is, zoals de Heidelbergse Catechismus zegt, wedergeboorte noodzakelijk. Hoe goed we ook zijn voor andere mensen en voor de wereld, we missen toch hét goede. God is namelijk alleen werkelijk goed te noemen.

Intussen is Bregmans boek mij te eenzijdig. Dat blijkt vooral in het hoofdstuk over Auschwitz. Ook daar betoogt hij dat de meeste mensen deugen, maar dat gewone mensen kennelijk zo vatbaar zijn voor zulk afgrondelijk kwaad, vraagt toch om een andere verklaring. De meeste mensen zijn geen Hitler of Stalin, geen Holleeder of Weinstein. Akkoord. Maar waarom komen zulke exemplaren van de soort dan toch voor? Dat ligt aan het kwaad, en daarvoor hoeven we niet alleen naar andere mensen te wijzen. Ook wij delen in kwade neigingen. Gelukkig komt het er bij de meeste mensen niet zo hevig uit. Ook dat is genade.

Quarantaine

Mijn column in De Waarheidsvriend van 5 maart.

Hoe moet het zijn om wekenlang in quarantaine te zitten? Steeds meer mensen zitten min of meer opgesloten in hun hotel of in hun Italiaanse dorp. Zo ben je toerist en zo ben je gevangene. Ik zag een foto van mensen op Tenerife die maar wat op het balkon van hun hotelkamer hingen. De verveling straalde van hen af.

Als ik me probeer voor te stellen dat ik de komende weken nergens meer naartoe zou mogen, voelt dat niet alleen maar vervelend. Het lijkt me ook wel fijn om rustig te blijven waar je bent. Die klus af te maken, dat boek te lezen. Een soort reset van het drukke bestaan. Rust om jezelf onder ogen te komen. Dat klinkt als vakantie, maar dan zonder dat je eropuit hoeft. Toch is quarantaine geen pretje, want het gevaarlijke en besmettelijke virus confronteert je met je sterfelijkheid.

De oorsprong van het woord ‘quarantaine’ ligt in het veertiende-eeuwse Venetië. Opvarenden van schepen konden allerlei nare ziekten onder de leden hebben, ook zonder dat ze daarvan symptomen hadden. Daarom moesten schepen uit verre oorden een periode in de haven blijven wachten voordat de mensen aan land mochten. Daar stond een periode van veertig dagen voor, ‘quaranta giorni’ in het Italiaans. Vandaar de term ‘quarantaine’. 

In het kerkelijk jaar zijn we de periode van veertig dagen weer binnen gegaan. Wij protestanten begonnen zelfs iets eerder met de ‘lijdenstijd’, al halen steeds meer protestanten ook een askruisje op Aswoensdag. Daarbij zegt de priester: ‘Gedenk, mens, dat je stof bent en tot stof zult wederkeren.’ We gaan in quarantaine en we hebben zeker wat onder de leden. De zonde, die tot de dood leidt.

Gelukkig draait de lijdenstijd niet om ons, maar om Christus. Hij hield geen afstand en gebruikte geen desinfecterende zeep. Hij zocht de ellende juist op en raakte zieke en onreine mensen zelfs aan. Hij deelde onze ellende om ons ervan te bevrijden. Het goede nieuws is dat onze quarantaine ten einde komt op Pasen. Het ene moment zit je nog gevangen, het andere moment adem je diep het vrije leven in.

Schriftgezag, exegese en duidelijkheid

Een antwoord aan ds. Clements

In De Saambinder, het kerkelijk weekblad van de Gereformeerde Gemeenten, gaat ds. G. Clements kritisch in (link) op een preadvies dat ik de christelijke gereformeerde synode gaf. Ik heb gezegd dat er verschil is tussen (1) Schriftgezag, (2) hermeneutiek en (3) interpretatie of exegese. Iemand kan het Schriftgezag hoog houden, terwijl hij toch tot een andere exegese van een tekst komt. Daarom lijkt het mij onverstandig wat sommigen in de synode stelden: dat bij de thema’s vrouw & ambt en homoseksualiteit het Schriftgezag op het spel staat. In principe is dat wel mogelijk, maar het hoeft niet per se: het is denkbaar dat iemand met erkenning van het Schriftgezag toch tot een andere uitleg van teksten komt. En het komt ook voor dat iemand met erkenning van het Schriftgezag tot een wat andere hermeneutiek komt, al wordt het daarbij al spannender.

Voor wie precies wil horen wat ik heb gezegd, volgt hier een opname:

Ds. Clements gaat op dit onderdeel van mijn betoog (anderhalve minuut) in, dat onderdeel is van een langer betoog, dat weer onderdeel is van een dagenlange discussie. Op de achtergrond van die discussie staan besluiten die eerdere synodes namen over vrouw & ambt en over homoseksualiteit. Het is wel riskant om aan zo’n klein onderdeel uit een discussie vergaande conclusies te verbinden.

Dat is wel wat ds. Clements doet. Hij schrijft: ‘Eigenlijk beweert hij [Huijgen] daarmee dat de Schrift van zichzelf niet duidelijk is.’ Dat klopt evident niet: dat heb ik niet beweerd en het kan ook helemaal niet worden afgeleid uit wat ik zei. Ds. Clements doet alsof ik iets beweer, om dat vervolgens te bestrijden. Een klassiek stroman-argument.

Clements schrijft verder: ’sinds de Reformatie wordt het gezag van de Schrift (auctoritas) altijd nauw verbonden met haar duidelijkheid (claritas).’ Dat lijkt mij helemaal correct. Maar dan stelt ds. Clements dat de duidelijkheid van de Schrift ‘ook geldt voor onderwerpen als de vrouw in het ambt en de homoseksuele levenswijze.’ Uit het vervolg blijkt dat Clements meent dat er dus geen uitleg meer nodig is op deze punten. Maar dat is nu juist niet wat de Reformatie bedoelde met de duidelijkheid van de Schrift. Anders hadden de Reformatoren zich de moeite wel kunnen besparen om commentaren op Bijbelboeken te schrijven: als toch elke tekst evident en compleet duidelijk is, hoeft er niet uitgelegd te worden. Trouwens, dan zijn er ook geen predikanten meer nodig die de grondtalen kennen, en kunnen theologische opleidingen hun deuren ook wel sluiten. Maar natuurlijk is er altijd discussie over de juiste exegese van teksten. De helderheid van de Schrift is voor de reformatoren geen einde van de exegese, maar juist een stimulans om des te ijveriger aan de exegese te beginnen!

Luther over de ‘claritas’ van de Schrift

Wat betekent de claritas van de Schrift dan wel? Bij Luther lezen we daarover het volgende: ‘Ik geef grif toe dat veel teksten in de Schrift duister en ontoegankelijk zijn […] Dat belet echter op geen enkele manier dat wij alle in de Schrift bedoelde werkelijkheden kennen.’ Wat zijn dan die werkelijkheden? Dat gaat om de heilswerkelijkheden van Christus. Luther schrijft: ‘Want wat voor verhevener verborgenheid kan er in haar nog gebleven zijn, nadat de zegelen werden verbroken, de steen van de mond van het graf werd gewenteld en dit hoogste geheimenis uitgeroepen: Christus, de Zoon Gods, mens geworden; de drie-enige God; Christus die voor ons geleden heeft en zal regeren in eeuwigheid? Zijn deze dingen niet door stad en land geroepen en gezongen? Neem Christus weg uit de Schrift, wat blijft er dan nog over?’

Luther laat kortom ruimte voor exegese, terwijl de hoofdzaak van de Schrift (Christus!) volkomen helder is. Clements gaat een beslissende stap verder door bij bepaalde thema’s (vrouw & ambt, homoseksualiteit) te suggereren dat er geen exegese meer nodig is: ‘Er staat toch wat er staat?’ Zo werkt het niet. Er staat vijf keer in het Nieuwe Testament: ‘groet elkaar met een heilige kus’. Toch doen we dat niet. Dan zeggen we ook niet: ‘Er staat toch wat er staat’, maar we exegetiseren de tekst tegen de achtergrond van de context. De tekst is ook echt niet altijd zo evident. In dezelfde brief waarin Paulus schrijft dat ‘uw vrouwen’ moeten ‘zwijgen’ in de gemeente (1 Kor. 14:34), schrijft hij ook over een vrouw ‘die bidt of profeteert met onbedekt hoofd’ (1 Kor. 11:5). Hoe dan ook zal er exegese gedaan moeten worden om helder te krijgen hoe dat zwijgen en dat profeteren zich tot elkaar verhouden. Een beroep op de claritas van de Schrift helpt dan niet. Al helemaal niet als zo’n beroep moet dienen als een machtswoord om andere exegeses dan de traditionele uit te bannen. Dat was nu precies wat de Reformatie niet wilde. Integendeel: omdat de Schrift helder is (Christus!), heeft het zin om te gaan exegetiseren.

Waar het om gaat

Waar het mij om gaat, is dit: als iemand in de kerk over een onderwerp anders denkt dan ik doe, openen we samen de Schriften en zoeken we te verstaan. Het is onjuist om de ander te verwijten dat hij het Schriftgezag schaadt, enkel omdat hij een andere exegese hanteert dan ik doe. Daarmee zeg ik niet dat alle exegeses waardevol zijn, maar wel dat we niet te snel de ander van het schaden van het Schriftgezag moeten beschuldigen. Met andere woorden: laten we de broeder niet diskwalificeren door grote woorden over Schriftgezag te spreken, maar luisteren naar de exegetische argumenten. Dit alles vanuit de nederige houding en het besef dat we alleen samen met alle heiligen kunnen verstaan.

Staat het Schriftgezag dan helemaal niet op het spel? Dat kan wel degelijk het geval zijn. Als we ons niet meer door de Schrift laten gezeggen, maar enkel de cultuur de doorslag laten geven (of dat nu de huidige culturele voorkeuren zijn, of de kerkelijke cultuur) – dan gaat het mis.

Wie het filmpje heeft gezien, zal zien dat ik half-grappend en terzijde verwees naar mijn boek Lezen en laten lezen. Natuurlijk bedoelde ik niet, zoals Clements suggereert, dat mijn boek in plaats moet komen van het lezen van de Schrift. In mijn boek voer ik juist een pleidooi voor het lezen van de Schrift en je laten lezen door de levende God! Er staat ook een paragraaf in over de duidelijkheid van de Schrift, waarin ik onderzoek wat die in de Reformatie betekende (op p. 164–167 zijn onder andere de Luthercitaten te vinden die ik hierboven gaf).

Ten slotte vliegt ds. Clements uit de bocht als hij stelt dat ik achter de Reformatie terugga naar de vroegere Rooms-katholieke kerk, die de mensen aanbeval om de Bijbel vooral niet te lezen, maar op het gezag van de kerk af te gaan. Dat raakt op geen enkele manier aan wat ik heb gezegd of heb geschreven; integendeel. Laten we alstublieft elkaar geen dingen in de mond leggen. Zo moet dat onder broeders in de kerk van Christus toch niet gebeuren.

Academische discussie

Mijn column in ‘De Waarheidsvriend’ van vandaag.

Als iemand het heeft over een ‘academische discussie’, is dat meestal niet echt positief bedoeld. Die uitdrukking verwijst naar theoretische, langdradige en vooral vrijblijvende discussies die typerend zouden zijn voor de universiteit. Gelukkig voldoen discussies aan de academie lang niet altijd aan dat stereotiepe beeld. Zo waren de jaarlijkse ‘integratiecolleges’ aan de TUA, waarin een thema vanuit verschillende vakgebieden wordt belicht, deze maand bijzonder levendig. Ze waren  gewijd aan het thema: ‘mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.’ De studenten hadden dit actuele thema zelf aangedragen en hun betrokkenheid was groot. We exegetiseerden de hoofdstukken uit Genesis over Adam en Eva, en gingen in op de sociale achtergronden van Paulus’ spreken over ‘onderwerping’. Een gastspreker vertelde over de behandelingen die hij transgenders biedt en hoe zijn visie als christen was veranderd. Een andere docent stelde daar tegenover dat aan een ‘gezond’ lichaam in principe niet geopereerd dient te worden – waarop studenten vroegen of die definitie van ‘gezond’ wel geldig was. En we bespraken de vraag wat man-zijn en vrouw-zijn vandaag de dag in christelijk licht zou kunnen en moeten zijn. Telkens kwamen we tijd tekort en gingen de discussies in pauzes en na afloop nog door. Het was fascinerend: zo is academische discussie bedoeld. Intellectueel op het scherp van de snede, met een groot gevoel van urgentie: studenten voelen immers de vragen rond man-zijn en vrouw-zijn letterlijk aan den lijve. Bovendien durfden we het openlijk (en soms: grondig) met elkaar oneens te zijn, zonder elkaar te veroordelen. Een ander gezichtspunt is immers geen gevaar, maar een kans om te leren.

Onwillekeurig moest ik denken aan discussies op kerkelijke vergaderingen, waar het soms zo moeilijk is om werkelijk met elkaar in gesprek te raken, juist rond dergelijke actuele thema’s. Natuurlijk is het niet helemaal eerlijk om een kerkelijke vergadering te vergelijken met een serie colleges, omdat zulke vergaderingen concrete besluiten moeten nemen. Maar toch. Eerlijk gezegd hoop ik dat mijn studenten hun openheid en bereidheid tot luisteren niet vergeten als ze eenmaal verantwoordelijkheid dragen in de kerk. Om te voorkomen dat ‘kerkelijke discussie’ een staande uitdrukking wordt die ‘academische discussie’ vervangt.

De eenheid van de kerk

Mijn stukje in de rubriek ‘Actueel belijden’ in De Wekker van 31 januari.

Als er iets om actueel belijden vraagt, dan wel de belijdenis over de kerk, en dan vooral de eenheid ervan. Er is immers nogal wat te doen rondom de kerk, en er zijn grote zorgen over ‘onze’ christelijke gereformeerde kerken: blijven we wel één? Soms zijn die zorgen zo groot, dat je er verdrietig of zelfs cynisch van zou worden. Klinkt de oeroude belijdenis dat de kerk één is, heilig en katholiek, dan niet heel hol? In plaats van eenheid zien we verdeeldheid. In plaats van heiligheid zien we zonde. En in plaats van katholiciteit zien we soms een benauwdheid, waardoor we onze manier van kerk-zijn tot de enig ware verheffen. Hoe meer je van de kerk ziet, des te meer klemt de vraag: hoe zullen we ooit met hartelijke overtuiging meekomen in de hoge tonen die de belijdenis al vanaf de vroege kerk aanslaat?

De Heidelbergse Catechismus wijst ons hier de weg. Als in Zondag 21 wordt gevraagd: ‘Wat gelooft u over de heilige, katholieke kerk?’ verwachten we als antwoord misschien een definitie van wat een kerk is. Of misschien een verdediging, dat het met de kerk nog wel meevalt. Maar de HC zet beslissend anders in: ‘Dat de Zoon van God zich een gemeente vergadert’. Over de kerk kun je alleen gelovig spreken als je begint bij de Koning van de kerk. De kerk is van Christus. Dat is ze altijd (‘van het begin van de wereld tot aan het einde’). Dat is ze overal en uit alle volken (‘uit het hele menselijke geslacht’). En daarom is de kerk ook ‘katholiek’, dat wil zeggen: algemeen, niet aan één volk, cultuur of groep gebonden.

Zo komen we ook de echte eenheid van de kerk op het spoor. Die ligt niet allereerst in onze organisatiestructuur, in een gevoel van verbondenheid of juist in een set afspraken. Christus vergadert ‘in de eenheid van het ware geloof’. Christenen zijn dus één in dat geloof, dat bestaat in kennen en vertrouwen (Zondag 7). Omdat Christus ons vergadert, behoren we Hem toe – en dat is onze enige troost, ons enige houvast. De kerk is dus de plek waar Christus met zondaren wil samenwonen, een ‘kathedraal van de liefde’ (A.A. van Ruler). De kerk is dus heilig van Christus uit: onheilige zondaren worden om Christus’ wil vrijgesproken.

De manier waarop Christus Zijn kerk verzamelt, is ‘door zijn Geest en Woord’ (HC Z. 21). De kerk is tempel van de Heilige Geest, en geboren uit het Woord van God.  De woorden van God zijn aan de kerk toevertrouwd, en de Schrift is haar schat. Die Schrift is geen koud boek, maar het levende Woord van de levende God. Daarom staat de prediking ook centraal in de kerk.

Ik kan me voorstellen dat iemand die de kranten leest over onze generale synode, of iemand die zelf is afgevaardigd, denkt: ‘Alles mooi en goed, maar met deze stichtelijke gedachten kunnen we toch niet uit de impasse geraken die ons kerkelijk leven verlamt?’ Ik zou willen tegenwerpen: wie anders kan ons uit de impasse halen dan Christus alleen? Als we geloven dat de eenheid met broeders en zusters niet allereerst berust op onze keuze, maar op Christus’ keuze, kijken we toch anders tegen de broeder aan. Hij behoort ook tot de ‘gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren’ (HC Z. 21). En Christus houdt zijn kerk in stand. Daarom kunnen we zomaar niet van elkaar en van besluiten die bij een open Bijbel genomen zijn, af. Zo mogen we elkaar in de ogen zien: als door Christus aan elkaar gegeven. En misschien moeten we ons eens wat meer verwonderen over het ongelooflijke voorrecht dat ik van deze kerk ‘een levend lid ben en eeuwig zal blijven.’

 

 

De eenheid van de kerk

Mijn stukje in de rubriek ‘Actueel belijden’ in De Wekker van 31 januari.

Als er iets om actueel belijden vraagt, dan wel de belijdenis over de kerk, en dan vooral de eenheid ervan. Er is immers nogal wat te doen rondom de kerk, en er zijn grote zorgen over ‘onze’ christelijke gereformeerde kerken: blijven we wel één? Soms zijn die zorgen zo groot, dat je er verdrietig of zelfs cynisch van zou worden. Klinkt de oeroude belijdenis dat de kerk één is, heilig en katholiek, dan niet heel hol? In plaats van eenheid zien we verdeeldheid. In plaats van heiligheid zien we zonde. En in plaats van katholiciteit zien we soms een benauwdheid, waardoor we onze manier van kerk-zijn tot de enig ware verheffen. Hoe meer je van de kerk ziet, des te meer klemt de vraag: hoe zullen we ooit met hartelijke overtuiging meekomen in de hoge tonen die de belijdenis al vanaf de vroege kerk aanslaat?

De Heidelbergse Catechismus wijst ons hier de weg. Als in Zondag 21 wordt gevraagd: ‘Wat gelooft u over de heilige, katholieke kerk?’ verwachten we als antwoord misschien een definitie van wat een kerk is. Of misschien een verdediging, dat het met de kerk nog wel meevalt. Maar de HC zet beslissend anders in: ‘Dat de Zoon van God zich een gemeente vergadert’. Over de kerk kun je alleen gelovig spreken als je begint bij de Koning van de kerk. De kerk is van Christus. Dat is ze altijd (‘van het begin van de wereld tot aan het einde’). Dat is ze overal en uit alle volken (‘uit het hele menselijke geslacht’). En daarom is de kerk ook ‘katholiek’, dat wil zeggen: algemeen, niet aan één volk, cultuur of groep gebonden.

Zo komen we ook de echte eenheid van de kerk op het spoor. Die ligt niet allereerst in onze organisatiestructuur, in een gevoel van verbondenheid of juist in een set afspraken. Christus vergadert ‘in de eenheid van het ware geloof’. Christenen zijn dus één in dat geloof, dat bestaat in kennen en vertrouwen (Zondag 7). Omdat Christus ons vergadert, behoren we Hem toe – en dat is onze enige troost, ons enige houvast. De kerk is dus de plek waar Christus met zondaren wil samenwonen, een ‘kathedraal van de liefde’ (A.A. van Ruler). De kerk is dus heilig van Christus uit: onheilige zondaren worden om Christus’ wil vrijgesproken.

De manier waarop Christus Zijn kerk verzamelt, is ‘door zijn Geest en Woord’ (HC Z. 21). De kerk is tempel van de Heilige Geest, en geboren uit het Woord van God.  De woorden van God zijn aan de kerk toevertrouwd, en de Schrift is haar schat. Die Schrift is geen koud boek, maar het levende Woord van de levende God. Daarom staat de prediking ook centraal in de kerk.

Ik kan me voorstellen dat iemand die de kranten leest over onze generale synode, of iemand die zelf is afgevaardigd, denkt: ‘Alles mooi en goed, maar met deze stichtelijke gedachten kunnen we toch niet uit de impasse geraken die ons kerkelijk leven verlamt?’ Ik zou willen tegenwerpen: wie anders kan ons uit de impasse halen dan Christus alleen? Als we geloven dat de eenheid met broeders en zusters niet allereerst berust op onze keuze, maar op Christus’ keuze, kijken we toch anders tegen de broeder aan. Hij behoort ook tot de ‘gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren’ (HC Z. 21). En Christus houdt zijn kerk in stand. Daarom kunnen we zomaar niet van elkaar en van besluiten die bij een open Bijbel genomen zijn, af. Zo mogen we elkaar in de ogen zien: als door Christus aan elkaar gegeven. En misschien moeten we ons eens wat meer verwonderen over het ongelooflijke voorrecht dat ik van deze kerk ‘een levend lid ben en eeuwig zal blijven.’

 

 

En toch niet verteerd

Mijn column in De Waarheidsvriend vandaag.

Op 31 oktober was ik in vrijgemaakt Bergentheim, gemeente Hardenberg, voor een lezing over gelovig omgaan met de Bijbel. Wat mij trof, was het verlangen van de honderden aanwezig naar een omgang met de Bijbel vanuit het hart. Al te lang ging het er al te rationeel aan toe, met ruzies en kerkscheuringen tot gevolg. Hopelijk valt er te leren van de christelijk-gereformeerde nadruk op bevinding en het vermogen om elkaar kerkelijk vast te houden. Er was verlangen naar hartelijke omgang met de levende God.

Ik was niet alleen dankbaar voor de avond, maar ook wel beschaamd. Want christelijke gereformeerden hebben ook behoorlijk wat boter op het hoofd. Ja, we houden het kerkelijk met elkaar uit, vaak op een hartelijke manier, maar soms lijkt het meer op een LAT-relatie. En zeker, vanouds ligt er nadruk op de kennis van het hart, maar de laatste tijd lijkt de vraag ‘wat dunkt u van vrouwelijke ambtsdragers’ of ‘wat dunkt u van evolutie’ wel belangrijker dan de vraag ‘wat dunkt u van de Christus?’

Ik kwam dus thuis met meer dan alleen anderhalve meter droge worst en een bos bloemen: een besef dat ik werd gewaardeerd om iets kostbaars dat de christelijke gereformeerde kerken ook kunnen verliezen. Gelukkig is de kerk van Christus. Het kerkelijk zegel verbeeldt de brandende braamstruik, met de tekst: ‘En toch niet verteerd.’ Dat is Gods trouw. Nu hopen dat we elkaar niet verteren.

Als deze column verschijnt, is de eerste zittingsweek van de christelijke gereformeerde synode onderweg. Allerlei inleidende beschietingen hebben plaatsgevonden en fronten kunnen maar zo verharden. Intussen hoop ik op een variant van het Brummelkampscenario. Anthony Brummelkamp, een van de vaders van de Afscheiding, was soms bij het beklimmen van de preekstoel van plan om de mensen eens flink de waarheid te zeggen. Maar als hij eenmaal boven was en de mensen zag, begon hij altijd maar weer met hen te troosten. Hopelijk zien de broeders elkaar zo in de ogen. Als dat in Bergentheim kon, waarom dan in Nunspeet niet?

Brexit

Mijn stukje in De Wekker van vandaag.

Het lijkt wat vreemd om in een rubriek over de actualiteit van het gereformeerd belijden de Brexit aan de orde te stellen. Actueel is het thema zeker, en als de voortekenen niet bedriegen blijft het dat nog wel even, maar wat heeft de confessie daarmee te maken? 

Er is maar één gebod waarbij de Heidelbergse Catechismus spreekt over de ‘eigen werken van de duivel’, en dat is het negende, over liegen en bedriegen (v.&a. 112). Met de typering van het negende gebod als ‘vals getuigenis geven’ en ‘woorden verdraaien’ is de Heidelberger geweldig actueel. Wij leven immers in een tijd van desinformatie, regelrechte leugens en leiders die met die leugens weg komen. De beloften die in de Leave-campagne werden gemaakt, klonken altijd al absurd: na vertrek uit de Europese Unie zou Groot-Brittanië elke week een compleet ziekenhuis kunnen bouwen van het geld dat overbleef. Het gevolg van loze beloften was dat er nog meer gedraaid moest worden. Politici verdraaiden nu niet alleen de woorden van de ander, maar ook hun eigen vroegere stellingen (‘zó heb ik dat niet gezegd’). 

Waarom zijn dit typisch werken van de duivel? Het woord ‘duivel’ komt van ‘diabolos’, dat is degene die alles door elkaar werpt. En een rommeltje is het inmiddels in Groot-Brittanië; de knoop lijkt haast niet te ontwarren.

Toch werd er ook iets anders zichtbaar. Zoals Trump tot nu toe door de democratische instituties van de Verenigde Staten wordt getemd, zo werd de drieste poging van Boris Johnson om zonder deal de EU te verlaten, gedwarsboomd door het hooggerechtshof en door het parlement (in het bijzonder de voorzitter, John Bercow). Die instituties zijn een neerslag van eeuwen traditie in christelijk Europa, waardoor recht en gerechtigheid worden gediend. Het recht ligt niet eenvoudigweg bij degene die de macht heeft; het recht functioneert als tegenover van de macht. Zo was het al onder Israël, en de christelijke traditie heeft hier steeds naar gezocht. Het negende gebod staat dan ook niet zonder reden in de context van de rechtspraak: het richt zich immers tegen het valse getuigenis. 

Het is wel de vraag of de instituties het duurzaam zullen houden tegen het geweld van leiders in een tijd post-truth (voorbij de waarheid). We krijgen de rekening gepresenteerd van de postmoderne gedachte dat er geen objectieve waarheid is, maar dat ieder zijn eigen waarheid moet vaststellen. Als dat zo is, blijft alleen de brute macht over om jouw waarheid door te zetten. De waarheid zelf is dan gesneuveld. 

In onze tijd zullen gereformeerde christenen zich graag willen inzetten voor recht en gerechtigheid, ook in de instituties die onze samenleving structuur geven. In vroegere eeuwen waren er eminente calvinistische juristen. Vandaag zijn ze ook meer dan welkom.

Nu vindt de Brexit aan de andere kant van het Kanaal plaats. Al zullen de gevolgen ook bij ons wel voelbaar zijn, het is toch een beetje ver van ons bed. Toch is de Brexit een uitvergroting van de problemen van onze cultuur. Misschien ook wel van de kerk. Polarisatie gaat de kerk niet voorbij, en karikaturen zijn dan niet ver weg. Liever nog dan in de staat werkt de duivel in de kerk. Wie de naam van de ander niet hoog houdt, heeft waarheid en recht onvoldoende lief. Dus zijn we verplicht om tot het uiterste te gaan om de ander te begrijpen en recht te doen.

Recht doen betekent: passend antwoorden op de realiteit. Gelukkig is die realiteit niet onze eigen constructie, maar Gods werkelijkheid. God roept de dingen in aanzijn, God oordeelt wat waar is. Die ander, die een tegenstander leek, blijkt mijn naaste te zijn. Eigen denkbeelden moeten worden bijgesteld. De meerderheid drukt de minderheid niet weg, maar zoekt in liefde naar wat het beste is voor iedereen. Wie dat laatste vergelijkt met de Brexit-mentaliteit van alles of niets, ziet hoe diep de crisis is. Niet alleen in het Verenigd Koninkrijk.